Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10301

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
C/15/ 14/702 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP; verzoek ex art. 358a Fw tot ontneming schone lei; ernstige benadeling schuldeisers door het verzwijgen van een erfenis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2018/457
JERF Actueel 2018/457
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND ontneming van de schone lei

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

insolventienummer: [nummer] R

vonnis van 27 november 2018

in de zaak van:

[schuldenares],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: schuldenares.

1 De procedure

1.1.

Bij vonnis van deze rechtbank van 23 september 2014 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van schuldenares.

1.2.

Bij vonnis van deze rechtbank van 3 oktober 2017 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. Gedurende de toepasselijkheid van deze regeling is een zuster van schuldenares overleden. Schuldenares is één van de erfgenamen van deze zuster. Onder 3.6 van het voornoemde vonnis is bepaald dat indien schuldenares nog gelden dan wel goederen ontvangt uit de tijdens de schuldsaneringsregeling opgevallen nalatenschap, deze hebben te gelden als nagekomen baten. Deze bepaling is in het vonnis opgenomen, omdat er op dat moment nog onduidelijkheid bestond omtrent de verdeling van de nalatenschap.

1.3.

De bewindvoerder heeft op 5 juni 2018 verzocht schuldenares de schone lei te ontnemen. Aanleiding voor het verzoek was dat de bewindvoerder niet werd geïnformeerd over de omvang van de erfenis van haar overleden zuster.

1.4.

Op 14 augustus 2018 heeft de zitting plaatsgevonden waarvoor schuldenares en de bewindvoerder zijn opgeroepen. Schuldenares, vergezeld van een zus, en de bewindvoerder zijn bij die gelegenheid gehoord. Het proces-verbaal van de zitting dient als hier ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek aangehouden om schuldenares in de gelegenheid te stellen via haar oudste zus een boedelbeschrijving van de nalatenschap te verkrijgen. Omdat schuldenares telkens beweerde dat haar oudste zus weigerde rekening en verantwoording omtrent de nalatenschap af te leggen, heeft de rechtbank deze zuster bij brief van 20 augustus 2018 op haar verplichtingen gewezen en haar verzocht een boedelbeschrijving en een uitdelingslijst aan schuldenares te verschaffen.

1.5.

De bewindvoerder heeft op 30 oktober 2018 haar verzoek gehandhaafd. Aanleiding hiervoor was dat schuldenares nog steeds geen informatie verstrekte aangaande een boedelbeschrijving van de nalatenschap en dat zij over de ontvangst van de erfenis had gelogen.

2 De beoordeling

2.1.

Een schone lei kan slechts worden ontnomen als, nadat de schone lei is verleend, blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor een tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350, derde lid, onder e van de Faillissementswet (hierna: Fw), te weten als de schuldenares heeft getracht haar schuldeisers te benadelen. Onder die feiten moet worden begrepen een handelen, een nalaten of verzwijgen door de schuldenares.

2.2.

De vraag is dan ook aan de orde of thans voldoende aannemelijk is dat de schuldenares tijdens de schuldsaneringsregeling heeft getracht haar schuldeisers te benadelen.

2.3.

Schuldeisers worden benadeeld als schuldenares gelden afkomstig uit een tijdens een schuldsaneringsregeling opengevallen nalatenschap verzwijgt. In casu heeft schuldenares tijdens de zitting van 14 augustus 2018 gezwegen, dat zij € 4.000,- uit de nalatenschap van haar overleden zuster heeft ontvangen. Schuldenares heeft zelfs ter zitting verklaard dat haar oudste zus die de erfenis afwikkelt, weigerde mee te werken en dat zij zodoende geen boedelbeschrijving van de nalatenschap kon aanleveren. Om die reden heeft de rechtbank de beslissing van het verzoek van de bewindvoerder tot 13 november 2018 aangehouden en de oudste zus zelf aangeschreven. Uiteindelijk heeft schuldenares bij brief van 29 augustus 2018 aan de bewindvoerder toegegeven dat zij € 4.000,- uit de nalatenschap had ontvangen. Volgens de bewindvoerder en een bankafschrift is er op 17 oktober 2017 een bedrag van

€ 4.000,- via de bankrekening van haar zoon overgemaakt. Dit bedrag had schuldenares inmiddels opgemaakt. De bewindvoerder merkt hieromtrent op dat er nog steeds stukken ontbreken, zoals een boedelbeschrijving van de nalatenschap en een bankschrift waarop een bedrag van € 11.408,38 is overgemaakt. Aan de bewindvoerder is daarover slechts een betaalspecificatie van april 2018 van de Aanvullende Oudedags Voorziening verstrekt.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat het niet verstrekken van informatie en het expres buiten de boedel houden van gelden en de mede daardoor opgetreden benadeling van schuldeisers onder de werking van artikel 358a Fw valt. Schuldenares is er herhaaldelijk op gewezen dat zij informatie aangaande een boedelbeschrijving van de nalatenschap van haar overleden zuster moest verstrekken, doch is zij blijven volharden in haar weigerachtige houding. Bovendien heeft schuldenares de bewindvoerder en de rechter, ter zitting van

14 augustus 2018, bewust onjuist geïnformeerd door te verklaren dat zij aangaande de verdeling van de nalatenschap niets had ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat schuldenares door haar handelswijze haar schuldeisers ernstig heeft benadeeld.

2.5.

Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, dient te leiden tot de beslissing dat artikel 358, eerste lid Fw verder geen toepassing vindt. Dit betekent dat de schone lei wordt ontnomen en dat de onder werking van de schuldsaneringsregeling vallende schulden opnieuw afdwingbaar zijn.

3 De beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat artikel 358, eerste lid Fw verder geen toepassing vindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 27 november 2018.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.