Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10299

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
C/15/276024 / KG ZA 18-507
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2018:10300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitlatingen op Quotenet. Vordering wordt afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-1005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/276024 / KG ZA 18-507

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.L. Hoogstraate te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.T. Craemer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de akte met producties van [gedaagde] ,

  • -

    de akte vermeerdering van eis,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ter zitting hebben partijen verzocht het kort geding aan te houden tot en met

28 september 2018. Bij brief van 20 september 2018 heeft [eiser] verzocht vonnis te wijzen. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] en zijn broer [A.] voeren al jaren een hevige juridische strijd over de verdeling van hun gemeenschap. Er zijn meerdere procedures tussen [gedaagde] en [A.] gevoerd.

2.2.

[eiser] is de voormalig advocaat van [A.] . [eiser] heeft [A.] bijgestaan van medio 2014 tot 30 januari 2018.

2.3.

[A.] heeft op 7 oktober 2016 een brief gestuurd naar [gedaagde] . In de brief staat, voor zover van belang, het volgende:

“Ik leg even iets aan je voor. Voor het geval ik de procedure tegen jou en de andere gedaagden ga verliezen (wat ik niet verwacht) zal ik je aangeven wat ik dan ga doen. Ik zal in hoger beroep gaan. Ik zal daarbij stukken inbrengen die tot nu toe niet zijn ingebracht, met het doel om nog beter te schetsen hoe je werkelijk in elkaar steekt en opereert. (…) Ik ben bereid dat niet te doen als wij tot een redelijke beëindiging van het geschil komen (…) Graag verneem ik van je concreet en duidelijk vóór 18 oktober 2016. Als je niet reageert, ga ik ervan uit dat je het voorstel afwijst. Ik acht mij dan vrij om vooruitlopend op de uitspraak een ieder die daar mogelijk belang bij heeft schriftelijk te informeren met overlegging van de relevante bescheiden (…) Ik zal dan haarfijn uitleggen wat je met al je kunstgrepen heb nagestreefd en dat is: (1) beide landgoederen naar je toehalen, (2) totaal geen belasting te hoeven betalen, (3) mij een groot deel van mijn vermogen afnemen en dat je daarbij geen middel ongebruikt hebt gelaten, waaronder zelfs het plegen van valsheid in geschrifte, maar ook anderen ertoe aan te zetten.”

2.4.

Bij brief van 1 november 2016 heeft [eiser] de advocaat van [gedaagde] verzocht om een schriftelijke reactie waaruit blijkt dat de handelingen van [gedaagde] wettelijk geoorloofd waren en medegedeeld dat bij gebreke daarvan [A.] samen met zijn partner en bijgestaan door de belastingconsulent een onderzoek starten naar het handelen van [gedaagde] en dat zij daarbij ook derden gaan betrekken.

2.5.

Op 14 juni 2018 heeft de rechtbank Amsterdam in kort geding vonnis gewezen in een geschil tussen [gedaagde] en [A.] en de partners van beiden. De vordering van [gedaagde] en zijn partner is mede ingesteld op basis van de brief van 7 oktober 2016. In het vonnis staat onder rechtsoverweging 4.5. onder meer het volgende:

“(…) Deze chantage kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde 1]( [A.] , vzr), daarbij geholpen door [gedaagde 2] (en met behulp van hun toenmalige advocaat en adviseur), nadat hij in de bodemzaak in het ongelijk was gesteld, deels feitelijk uitvoering heeft gegeven aan zijn dreigementen.”

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam is tot het volgende oordeel gekomen:

“5.1. verbiedt gedaagden ieder voor zich om gedurende twee jaren na betekening van dit vonnis de in de brief van 7 oktober 2016 genoemde derden, aan te schrijven en/of anderszins te (laten) benaderen of te (laten) informeren over enig handelen of nalaten van [eiser 1] en daarbij bescheiden te verstrekken (…)”

2.6.

Naar aanleiding van dit vonnis heeft Quotenet op 27 juni 2018 een online artikel geplaats onder de kop ‘ [woonplaats] miljoenenvete escaleert: [A.] chanteerde broerlief [gedaagde]’. In dit artikel staat, onder meer, het volgende:

“Ook hekelt [gedaagde] de rol van onofficiële Quote 500-pleiter [eiser] : ‘Het is extra pijnlijk dat de rechter heeft bepaald dat hij actief heeft meegewerkt aan het chanteren. [eiser] benaderde ABN Amro met de mededeling dat de bank zich op ontoelaatbare wijze had ingelaten met financiële transacties tussen de broers, en wraakte – tevergeefs – twee rechters vanwege “innige relaties” met ABN. Terwijl het hoger beroep in de miljoenenvete loopt werd onlangs bekend dat [A.] een procedure is gestart tegen zijn inmiddels voormalig raadsman [eiser] , die ervan wordt beticht declaraties van bijna vier ton onvoldoende te hebben onderbouwd.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Gedaagde te gebieden om binnen 2 (twee) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis schriftelijk aan de webredactie van Quotenet, in het bijzonder

  • -

    i) aan de webredacteur [B.] mede te delen dat gedaagde zijn verklaring over mr. [eiser] zoals gepubliceerd op 27 juni 2018 onder de kop “ [woonplaats] miljoenenvete escaleert: [A.] chanteerde broerlief [gedaagde] ” (“Het is extra pijnlijk dat de rechter heeft bepaald dat hij actief heeft meegewerkt aan het chanteren.”) intrekt c.q corrigeert op de wijze als voorgesteld in § 25 in het lichaam van deze dagvaarding of op een andere door de voorzieningenrechter te bepalen wijze, en

  • -

    ii) (ii) te verzoeken aan de webredactie van Quotenet de intrekking c.q. correctie van de verklaring op Quotenet op gelijke wijze te publiceren als de oorspronkelijke verklaring,

  • -

    iii) een en ander op straffe van verbeurte van een na betekening van dit vonnis verschuldigde dwangsom van € 100.000,00 per dag of dagdeel dat gedaagde daaraan niet of niet volledig voldoet, met een maximum van € 1.000,000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom.

II. Gedaagde te verbieden om in de toekomst onrechtmatige uitingen te doen en/of te (doen) publiceren met hetzelfde karakter als hiervoor I. vermeld, zulks op straffe van verbeurte van een na betekening van dit vonnis verschuldigde dwangsom van € 100.000,00 per keer dat gedaagde daaraan niet of niet volledig voldoet, met een maximum van € 1.000,000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom.

III. Gedaagde te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 25.000,00 aan mr. [eiser] wegens de door mr. [eiser] gelegen immateriële schade.

IV. Gedaagde te bevelen om binnen 2 (twee) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan eiser een afschrift te verstrekken van:

(i) De dagvaarding waarmee het kort geding leidende tot het vonnis van de voorzieningenrechter van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:4236) is ingeleid, inclusief productielijst en producties; en

(ii) De pleitaantekeningen in voormeld kort geding zijdens beide partijen.

(iii) De verklaring die door of namens [gedaagde] in reactie op het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2018 (productie 5 bij dagvaarding) aan de (web)redactie van Quotenet is verstrekt.

V. Iedere andere voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van eiser zoals in deze dagvaarding omschreven.

VI. Gedaagde te veroordelen in de proceskosten.”

3.2.

Mr. [eiser] voert aan dat [gedaagde] met zijn uitlatingen tegenover Quotenet klaarblijkelijk verwijst naar de in sub 2.5. geciteerde rechtsoverweging 4.5. van het

vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam d.d. 14 juni 2018. Anders dan [gedaagde] echter meent, heeft de voorzieningenrechter hiermee volgens mr. [eiser] echter niet geoordeeld dat hij, mr. [eiser] , zich als advocaat schuldig gemaakt zou hebben aan “chantage”. De tegenover Quotenet gedane uitlating is dus onjuist. [eiser] wijst erop dat de kern van “chantage” (ofwel afdreiging ex art. 318 Sr.) is dat door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim iemand wordt gedwongen tot afgifte van een goed, met het oogmerk om degene die chantage pleegt (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen. Wie kennisneemt van de processtukken uit beide bodemprocedures, de publicaties die in de media over de lopende procedures in de loop der tijd verschenen zijn en openbare bronnen (Kadaster, handelsregister en WOZ-gegevens), ziet diverse opmerkelijke fiscale constructies of andere wetenswaardigheden over de dramatis personae de revue passeren. Met die constatering voor ogen zou volgens [eiser] evenzogoed gesteld kunnen worden dat geen sprake was van chantage door [A.] , of hoogstens van een ondeugdelijke poging daartoe. Van een geheim kan immers niet meer worden gesproken, gelet op een aantal openbare gegevens en op het feit dat de inhoud van de lopende bodemprocedures (waarin een groot deel van de opmerkelijke transacties al aan de orde was gesteld) bij alle gedaagden bekend is en ook de nodige media-aandacht heeft gekregen.

3.3.

De voorzieningenrechter spreekt in r.o. 4.5. van het in vervolg op chantage “deels feitelijk uitvoering geven aan zijn “dreigementen”. Met “dreigementen” wordt verwezen naar “alle mogelijke derden aan de hand van een waslijst aan stukken te informeren over volgens hem strafbare gedragingen van [eiser 1]”. De voorzieningenrechter voegt hieraan toe dat dit zou zijn gebeurd “louter met het doel eisers schade te berokkenen en verder onder druk te zetten”. Dit wordt volgens [eiser] door [gedaagde] kennelijk zo geïnterpreteerd dat alle handelingen door of namens [A.] in die periode op één hoop worden gegooid of dat al die handelingen in vereniging (mr. [eiser] daaronder begrepen) zouden zijn verricht als (uitvoering van) chantage. Hiermee wordt miskend dat het nooit de bedoeling kan zijn dat een advocaat de mogelijkheid wordt onthouden om zijn werk te doen, namelijk: verder te

gaan met onderzoek (ook bij betrokken partijen) naar bepaalde transacties omdat die tot schade hebben geleid om deze vervolgens, - als het niet lukt om tot een minnelijke regeling te komen, - aan de rechter voor te leggen. Dat is geen (bedreiging met) smaad of smaadschrift en al helemaal niet met het oogmerk om iemand wederrechtelijk te bevoordelen. De benadeling middels de transacties hangt in dit geval ten nauwste samen met de manier waarop naar de rechtmatigheid van die transacties gekeken wordt. Dat verschil wordt door [gedaagde] over het hoofd gezien, die de voorzieningenrechter woorden in de mond legt die deze niet heeft uitgesproken.

3.4.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat verschillende journalisten het geschil tussen hem en zijn broer nauwgezet volgen, dat het vonnis van 14 juni 2018 is opgepikt door een journalist van Quotenet, die hem heeft verzocht schriftelijk commentaar te leveren op het vonnis, aan welk verzoek hij heeft voldaan. In dat commentaar komt de op Quotenet geplaatste uitlating voor. [gedaagde] acht de daarin opgenomen weergave van het vonnis niet onjuist, niet onbegrijpelijk en zeker niet onrechtmatig. [gedaagde] wijst erop dat mr. [eiser] zich in het verleden de nodige vrijheid heeft gepermitteerd in diens uitlatingen over hem, [gedaagde] . Ook wijst hij erop dat de publicatie op Quotenet een directe link naar het vonnis bevat, zodat controle van de juistheid van de geciteerde uitlating door belangstellenden mogelijk is.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van dit geschil betreft de vraag of in het door Quotenet op 27 juni 2018 gepubliceerde online artikel onrechtmatige uitlatingen staan en, zo ja, of een rectificatie daarvan op zijn plaats is.

4.2.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4.3.

Vast staat dat [eiser] wordt genoemd in het artikel van Quotenet naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank Amsterdam. Niet in geschil is ook dat de in dat artikel opgenomen uitlating van [gedaagde] overeenkomt met wat deze Quote in het gevraagde schriftelijke commentaar heeft laten weten. De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] blijkens deze uitlating in de door hem becommentarieerde overweging heeft gelezen dat de rechter “heeft bepaald” dat [eiser] “actief heeft meegewerkt aan het chanteren.”

Het lijkt erop dat [gedaagde] hiermee aan de woorden van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een uitleg heeft gegeven die (wat) verstrekkender is dan de voorzieningenrechter (waarschijnlijk) heeft bedoeld. Chantage, de aanduiding in het gewone spraakgebruik voor het bij artikel 318 Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde delict afdreiging, kent immers, voor zover de in de onderhavige zaak van belang, de volgende delictsbestanddelen:

I. oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

II. dwang uitoefenen door bedreiging met openbaring van een geheim

III. daardoor dwingen het tenietdoen van een inschuld

Het vonnis van 14 juni 2018 bevat alleen de vaststelling dat aannemelijk is geworden dat [eiser] [A.] heeft geholpen bij het deels uitvoering geven aan de dreigementen die zijn vervat in de door [A.] geschreven brief aan zijn broer [gedaagde] (7 oktober 2016). Daarmee is nog niet gezegd dat [eiser] de acties van zijn cliënt diende te duiden als acties die in het teken stonden van het streven naar wederrechtelijke bevoordeling.

4.4.

Bij de beantwoording van de vraag of de op de hiervoor genoemde uitleg van het vonnis gebaseerde uitlating in Quotenet zo onzorgvuldig is dat deze jegens [eiser] onrechtmatig moet worden geacht dient, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, rekening te worden gehouden met de volgende omstandigheden.

4.5.

[eiser] heeft in de periode dat hij als advocaat van [A.] betrokken was bij het geschil tussen [A.] en [gedaagde] regelmatig de publiciteit gezocht en uitspraken gedaan over de financiële situatie van [gedaagde] . Als producties 6, 8 en 9 heeft [gedaagde] diverse krantenartikelen overgelegd die dat illustreren. Zo staat in het [krant] van 18 mei 2015 het volgende: “ [eiser] : ‘ [gedaagde] heeft zijn broer gewoon besodemieterd, maar ik ga hem ontmaskeren. [gedaagde] heeft nu twee landgoederen in bezit, [perceel] en [perceel] (…) Bovendien heeft [gedaagde] het vruchtgebruik van het weiland naast [perceel] .’”

In het [krant] van 18 november 2016 staat: “[eiser] kan het niet laten nog even uit te halen richting opponent [gedaagde] . ‘Uit onderzoek is inmiddels gebleken dat [gedaagde] rondom de landgoederen [perceel] en [perceel] een groot fiscaal circus heeft gebouwd. Zo genoot [gedaagde] hypotheekrenteaftrek voor landgoed [perceel] zonder daadwerkelijk hypotheekrente aan ABN Amro te betalen. Het rijk van [gedaagde] hangt van slimme financiële trucs aan elkaar.(…)’ ”

Uitspraken van [eiser] over [gedaagde] zijn tevens gepubliceerd op Quotenet op 17 november 2016: “Voor de soapwatchers onder ons alvast een korte vooruitblik van wat komen gaat in de hoger beroep-aflevering. Daarin zal de focus worden verlegd op de ‘fiscale hocus pocus’ die [gedaagde] zou uithalen met Landgoed [perceel] , het onderkomen dat een centrale rol speelt in de boedelscheiding. [eiser] : ‘Met een financiering van €15 miljoen heeft dat een WOZ-waarde die lager is dan mijn eigen stulpje.’”

Op grond van het bovenstaande constateert de voorzieningenrechter dat [eiser] in zijn uitlatingen de suggestie van belastingontduiking of -ontwijking jegens [gedaagde] niet schuwt, zonder die suggestie op enige wijze te onderbouwen.

4.6.

Bij e-mail van 11 oktober 2016 is [eiser] door [gedaagde] gewezen op de inhoud van de dreigbrief (d.d. 7 oktober 2016) van [A.] . [eiser] was dus op de hoogte van de door de voorzieningenrechter als chantage gekwalificeerde inhoud van die brief op het moment dat hij zijn, door de rechter als hulp aan uitvoering gekwalificeerde, medewerking verleende. [eiser] heeft er geen blijk van gegeven dat hij het onrechtmatig karakter van de dreigbrief inzag. Ook is niet gebleken dat [eiser] zich van de dreigbrief heeft gedistantieerd. Integendeel, [eiser] heeft met het schrijven van de brief van 11 november 2016 (productie 17 bij dagvaarding) er aan bijgedragen dat de pressie op [gedaagde] werd opgevoerd. De zin “Bij gebreke van een tijdige reactie of een overtuigende reactie zet ik tezamen met

mr. [C.] ons onderzoek onverwijld voort bij derden die bij deze handelingen van uw cliënt betrokken zijn geweest” geeft daarbij blijk van dezelfde agressiviteit die in de brief van zijn cliënt is aan te treffen. Gegeven de inhoud van de dreigbrief kan bovendien het uiten van niet onderbouwde beschuldigingen door [eiser] in de pers worden opgevat als “hulp” aan feitelijke uitvoering van de dreigementen van [A.] .

4.7.

[eiser] heeft bij het vonnis van 14 juni 2018 nog de kanttekening geplaatst dat het nooit de bedoeling kan zijn dat een advocaat de mogelijkheid wordt onthouden om zijn werk te doen, namelijk het verder gaan met onderzoek (ook bij betrokken partij) naar bepaalde transacties, omdat die tot schade hebben geleid, om deze vervolgens -als het niet lukt om tot een minnelijke regeling te komen- aan de rechter voor te leggen. Dat kan hem worden toegegeven, maar laat onverlet dat enige terughoudendheid bij de invulling van die taak op zekere momenten gepast kan zijn.

4.8.

Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat [eiser] van [gedaagde] ten aanzien van de interpretatie van rechterlijke uitspraken een fijnbesnaardheid verlangt waarvan hij zelf tot op heden allerminst heeft blijk gegeven. Mede gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de in het artikel van Quotenet van 28 juni 2018 geciteerde uitlating onrechtmatig is. De Voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond voor rectificatie. De vorderingen I t/m III zullen worden afgewezen.

4.9.

Ook het gevorderde onder IV zal worden afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van de onder IV genoemde stukken en verklaringen. Het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2018 betreft immers een geschil tussen [gedaagde] en [A.] .

4.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De proceskosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 980,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 980,00;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.J.M. Loos op 3 oktober 2018.1

1Conc.: 1457