Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10239

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5660
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overdracht bevoegdheid tot beslissen op bezwaar ter discussie gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat WerkSaam bevoegd was tot beslissen. Intrekking bijstand vanwege werkzaamheden in hoedanigheid zelfstandige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/5660

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A. van Deuzen),

en

het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, verweerder

(gemachtigden: W.T.M. Schwering en K. Mentink).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers ingetrokken over de periode van 1 december 2014 tot en met 17 mei 2017 en de over de periode van 1 december 2014 tot en met 31 maart 2017 ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 44.072,43 teruggevorderd.

Bij besluit van 15 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben bij brieven van 19 maart 2018, 10 april 2018 en 23 mei 2018 en verweerder heeft bij brieven van 4 april 2018 en 1 mei 2018 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018. [eiser] (eiser) is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers ontvingen vanaf 14 januari 2014 een uitkering op grond van achtereenvolgens de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Participatiewet (PW), berekend naar de norm voor een gezin. Naar aanleiding van een anonieme melding dat eisers eigenaar zijn van een kledingzaak in Hoorn is een rechtmatigheidsonderzoek gestart. Het onderzoek heeft bestaan uit dossieronderzoek, gesprekken met de arbeidscoach en de medewerker van het zelfstandigenloket, het raadplegen van handelsregister (Kamer van Koophandel), Suwinet, RDW, onderzoek op internet en het doen van waarnemingen bij de kledingzaak [naam] Fashion. Naar aanleiding van de bevindingen en in afwachting van nader onderzoek is de bijstand vanaf 1 april 2017 geblokkeerd.

Op 9 mei 2017 is een (onaangekondigd) huisbezoek afgelegd. Eiser heeft geweigerd mee te werken aan het huisbezoek. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 18 mei 2017 het recht op bijstand beëindigd per datum verzending besluit. Op verzoek van verweerder hebben eisers nadere gegevens ingeleverd, te weten:

  • -

    bankafschriften van hun bankrekeningen;

  • -

    bankafschriften van de bankrekeningen van de onderneming [naam] Fashion;

  • -

    financiële gegevens van [naam] Fashion;

  • -

    de huurovereenkomst [adres] .

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft verweerder bij het primaire besluit het recht op bijstand van eisers ingetrokken over de periode van 1 december 2014 tot en met 17 mei 2017 en een bedrag van € 44.072,43 van hen teruggevorderd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser vanaf 1 december 2014 als zelfstandige dient te worden aangemerkt en dat hij in die hoedanigheid geen recht had op algemene bijstand. Eiser heeft volgens verweerder de inlichtingenplicht geschonden door geen melding te maken van de start van zijn bedrijf en de inkomsten daaruit.

3.1

Eisers hebben aangevoerd dat geen sprake is van een rechtsgeldig besluit op bezwaar. Volgens eisers is het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland (WerkSaam) niet bevoegd om op de bezwaren te beslissen. Zij stellen dat het college van burgemeester en wethouders van Medemblik bevoegd is gebleven om het besluit op bezwaar te nemen en dat die bevoegdheid niet is overgedragen. Artikel 18, eerste lid, onder f, van de Gemeenschappelijke Regeling WerkSaam Westfriesland biedt volgens eisers geen grondslag voor de overdracht van die bevoegdheid. Dit artikel handelt over de verhouding tussen het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de uitvoeringsorganisatie van WerkSaam, maar niet over de verhouding tussen WerkSaam en het college van burgemeester en wethouders van Medemblik. Daarbij stellen eisers dat een dergelijke overdracht op grond van de jurisprudentie ook niet zou kunnen.

3.2

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is bepaald dat de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling kunnen treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen - voor zover hier van belang - dient de gemeenschappelijke regeling aan te geven welke bevoegdheden de besturen van de deelnemende gemeenten aan het bestuur van het openbaar lichaam overdragen.

3.3

Op grond van artikel 8c van de PW, in samenhang bezien met de Wgr, kunnen de taken en bevoegdheden op grond van de PW aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wgr worden overgedragen en treedt in dat geval het bestuur van dat openbaar lichaam in de plaats van het college van burgemeester en wethouders.

3.4

Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Gemeenschappelijke Regeling WerkSaam Westfriesland van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer en Stede Broec (hierna: de gemeenschappelijke regeling) van kracht. De gemeenschappelijke regeling is met ingang van 1 januari 2015 aangegaan door de gemeenteraden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten. Uit de artikelen 2, tweede lid, en 5, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de gemeenschappelijke regeling volgt dat de uitvoering van de PW, met uitzondering van de bijzondere bijstand, aan het openbaar lichaam WerkSaam Westfriesland is overgedragen. WerkSaam is dus op grond van artikel 8c, eerste lid, van de PW in de plaats getreden van het college van de gemeente Medemblik. In artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de gemeenschappelijke regeling is geregeld dat het dagelijks bestuur namens WerkSaam bezwaarprocedures mag voeren, waaronder het nemen van besluiten op bezwaar is begrepen. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder bevoegd was het besluit op bezwaar te nemen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

4.1

Voorts hebben eisers aangevoerd dat verweerder ten onrechte 1 december 2014 als ingangsdatum van de intrekking en terugvordering heeft aangemerkt. Niet in geschil is dat eiser vanaf 1 januari 2015 zelfstandige is als bedoeld in het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) en dat vanaf die datum geen recht bestaat op bijstand op grond van de PW. Eiser betwist echter dat hij in de maand december 2014 al als zelfstandige werkzaam was. In december 2014 heeft hij voorbereidingshandelingen verricht, maar pas vanaf januari 2015 heeft hij noemenswaardige omzet gedraaid.

4.2

Uit het rapport van het verrichte onderzoek en de overgelegde stukken blijkt dat de eenmanszaak van eiser, [naam] Fashion, vanaf 21 oktober 2014 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, waarbij diezelfde datum is opgenomen als startdatum van de onderneming. Ook blijkt daaruit dat eiser vanaf 1 december 2014 de winkelruimte aan de [adres] huurde. Verder blijkt daaruit dat er een jaarrekening over 2014 van eisers onderneming is opgesteld en dat er in december 2014, zij het voor een gering bedrag, omzet uit verkoop is gerealiseerd. De omvang van de omzet is geen maatstaf om daarover anders te oordelen. Dat eiser zijn activiteiten in december 2014 zelf omschrijft als voorbereidingshandelingen maakt dit niet anders. Gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden was er toen geen sprake meer van planvorming of voorbereiding van toekomstige activiteiten als zelfstandige, maar gewoonweg van activiteiten als zelfstandige. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.

5.1

Voorts hebben eisers betwist de inlichtingenplicht te hebben geschonden. Eiser betoogt vanaf de start van zijn onderneming daarover open te zijn geweest. Hij heeft de start en het bestaan van zijn eigen onderneming tijdig aan de medewerkers van verweerder gemeld. Hij stelt ook zich zo breed mogelijk te hebben geprofileerd en wijst daarbij onder meer op de website, de facebookpagina en de etalage van de winkel.

5.2

De rechtbank kan eisers hierin niet volgen. Niet is gebleken dat eiser voordat verweerder in 2017 een onderzoek is gestart, heeft gemeld dat hij al als zelfstandige was gestart. Uit de stukken blijkt dat tijdens de contactmomenten, ook ruim nadat eiser, zoals inmiddels is gebleken, als zelfstandige werkzaam was, telkens alleen is gesproken over de plannen van eiser om als zelfstandige te gaan starten. Verweerder ging ondertussen door met het organiseren van re-integratieactiviteiten, waaraan eiser ook deelnam. De rechtbank wijst hierbij op het kwartaalrapport arbeidsbemiddeling van 8 december 2015 waarin het volgende is opgenomen: “Betrokkene is bezig met het opstarten van een eigen onderneming, een kledingwinkel in [plaats] . Voorlopig zal dit veel tijd in beslag nemen. In de tussentijd loopt hij stage in een avondwinkel in Amsterdam, hij werkt onregelmatige diensten. De werkzaamheden zijn een mooie opstap voor zijn aankomende eigen onderneming.” Ook wijst de rechtbank in dit verband op het besluit van 4 augustus 2015 inzake een plan van aanpak, waarin is opgenomen dat met eisers is afgesproken dat zij verweerder op de hoogte houden met betrekking tot de voortgang van hun zelfstandig ondernemerschap. Niet is gebleken dat eisers dat hebben gedaan. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

6. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht ingevolge de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, van de PW de bijstand van eiser van 1 december 2014 tot en met 17 mei 2014 heeft ingetrokken en het bedrag van € 44.072,43 heeft teruggevorderd.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Auwerda, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. M.E. Fortuin, leden, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.