Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10238

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2845
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijze van verrekenen van (achteraf) uitbetaalde vakantiedagen met de WW-uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2845

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. Hahn).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de maand februari 2017 herzien en de teveel betaalde uitkering ter hoogte van € 1.065,95 (bruto) van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 15 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en gelast dat het vooronderzoek wordt hervat om verweerder in de gelegenheid te stellen het bestreden besluit nader te motiveren. De daarover gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal dat aan partijen is toegezonden. Verweerder heeft op 29 november 2017 een reactie ingezonden. Eiser heeft daar bij brief van 11 december 2017 op gereageerd. Vervolgens heeft verweerder op 29 januari 2018 een reactie ingezonden en eiser op 1 maart 2018. Op de nadere reactie van verweerder van 6 april 2018 heeft eiser bij brief van 11 april 2018 gereageerd. Verweerder heeft op 18 april 2018 nog een laatste reactie gegeven.

Met toestemming van partijen is verder onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een WW-uitkering sinds november 2015. Eiser werkte vanaf medio april 2016 via het uitzendbureau Consolid Personeelsdiensten bij Axxicom Airport Caddy B.V. Deze inkomsten werden met de WW-uitkering verrekend. Per 1 januari 2017 is eiser op de payroll komen te staan bij Axxicom. Consolid heeft vervolgens de vakantiedagen die eiser nog had staan aan hem uitbetaald in de maand februari 2017. Verweerder heeft de WW-uitkering van eiser ingetrokken over de maand februari 2017 omdat na controle was gebleken dat eisers inkomsten, door de uitbetaling van de niet opgenomen vakantiedagen, over die maand hoger waren dan 85% van het maandloon voor de WW, waardoor hij deze maand geen recht had op uitbetaling van zijn WW-uitkering.

2. Eiser voert aan dat hij de gang van zaken niet rechtvaardig en niet billijk vindt. Hij stelt dat hij ervan uitging dat de vakantiedagen die hij nog had staan zouden worden overgenomen door Axxicom, vanaf januari 2017. Achteraf bleek dat echter niet te kunnen met als gevolg dat Consolid die vakantiedagen alsnog heeft uitbetaald aan hem. Hij stelt ongewild in deze situatie te zijn geraakt. Hij is nu zijn (gespaarde) vakantiedagen kwijt en moet bovendien nu ook nog eens zijn WW-uitkering over die maand terug betalen. Eiser voelt zich op deze manier dubbel gestraft.

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat voor eiser het vanaf 1 juli 2015 geldende recht van toepassing is omdat hij na 1 juli 2015 een WW-uitkering toegekend heeft gekregen. Vervolgens heeft verweerder het besluit (inhoudelijk) gebaseerd op de bepalingen zoals die golden tot 1 juli 2015. Verweerder heeft dat ook erkend. In zoverre berust het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag. Verweerder heeft vervolgens op verzoek van de rechtbank in de brieven van 29 november 2017, 29 januari 2018, 6 april 2018 en 18 april 2018 de juiste wettelijke grondslag van het bestreden besluit kenbaar gemaakt.

Het standpunt van verweerder komt er – kort samengevat – op neer dat op grond van de wettelijke bepalingen zoals die gelden vanaf 1 juli 2015 de nabetaling is aan te merken als inkomen uit arbeid en daarom voor verrekening met de WW-uitkering in aanmerking komt. Omdat eisers inkomen in de maand februari 2017 in totaal meer bedraagt dan 87,5% van het maandloon had hij op grond van artikel 20, eerste lid, onder c van de WW geen recht op uitkering, met als gevolg dat de uitkering over die maand onverschuldigd is betaald en daarom wordt teruggevorderd.

4. Voor de beoordeling van het geschil is het volgende wettelijk kader van belang.

Artikel 1, onder o van de WW definieert inkomen uit arbeid als: loon als bedoeld in artikel 14 (…).

Artikel 14, eerste lid van de WW definieert loon als het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

Artikel 16, eerste lid Wfsv (voor zover relevant) bepaalt dat onder loon wordt verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964. Op grond van het tweede lid is loon uit een vroegere dienstbetrekking uitgezonderd van het loonbegrip.

Artikel 10 wet op de loonbelasting 1964 (voor zover relevant):

1. Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.

2 Tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

(…)

In artikel 20, eerste lid, onder c van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen geniet dat, na vermenigvuldiging met de factor C / D, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen a en b, meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt.

Artikel 47, eerste lid van de WW bepaalt dat de uitkering per kalendermaand als volgt wordt berekend:

(…)

b. 0,7 x (A – B x C/D) – E vanaf de derde maand waarin recht op een uitkering bestaat.

Hierbij staat:

A voor het maandloon;

B voor het inkomen in een kalendermaand;

C voor het dagloon;

D voor het dagloon waarnaar de uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag; en

E voor het inkomen in verband met arbeid.

Wat onder inkomen als bedoeld in de WW wordt verstaan is nader uitgewerkt in het Algemeen Inkomensbesluit sociale verzekeringswetten (Inkomensbesluit).

Artikel 3:2, eerste lid, onder a, van het Inkomensbesluit (zoals dat geldt per 1 juli 2015) bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet.

(…)

Artikel 4:1 van het Inkomensbesluit (geldend per 1 juni 2015) luidt:

1. Het inkomen voor de toepassing van:

a. (…) de Werkloosheidswet (…) wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand;

(…)

3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.

(…)

7. Het UWV kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop het loon betrekking heeft.

(…)

9. In afwijking van het derde lid, wordt voor de vaststelling van het inkomen voor de Werkloosheidswet het inkomen over een aangiftetijdvak van vier weken geacht te zijn genoten in de kalendermaand waarin het aangiftetijdvak van vier weken eindigt.

(…)

11. Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt (…) het UWV het inkomen op een andere wijze.

Artikel 7: 641 Burgerlijk Wetboek:

1. Een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, heeft recht op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak (…).

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

Met de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 kent de WW een systeem van inkomstenverrekening. De WW vult de inkomsten aan en de aanvullende WW-uitkering eindigt wanneer de WW-gerechtigde tenminste 87,5% van zijn laatstgenoten maandloon verdient. De WW-uitkering is ingegaan per november 2015 zodat het vanaf 1 juli 2015 geldende recht op hem van toepassing is.

5.2

De vraag die eerst moet worden beantwoord is of de nabetalingen die eiser in de maand februari 2017 heeft ontvangen van Consolid voor de niet opgenomen vakantiedagen moeten worden aangemerkt als inkomen als bedoeld in de artikelen 20 en 47 van de WW.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Gelet op het bepaalde in artikel 16 Wfsv in samenhang bezien met artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 en mede gelet op artikel 7:641, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, behoort de uitbetaling van niet opgenomen verlofdagen te worden gerekend tot het loon. De uitzonderingsbepaling van het tweede lid van artikel 16 Wfsv geldt hier niet, omdat een dergelijke nabetaling niet wordt gezien als ‘loon uit vroegere dienstbetrekking’. Dat volgt uit de invulling die in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad wordt gegeven aan dit begrip. De nabetaling die eiser heeft ontvangen voor de niet opgenomen vakantiedagen valt dus onder het begrip ‘inkomen’ in de artikelen 20 en 47 van de WW.

5.3

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verweerder dat inkomen terecht heeft toegerekend aan de maand februari 2017.

5.4

Voor de beantwoording van die vraag is van belang het bepaalde in artikel 4:1 van het Inkomensbesluit. Op grond van dit artikel wordt het inkomen voor de toepassing van de WW herleid tot een bedrag per kalendermaand (eerste lid) en wordt bij de toepassing hiervan het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan (derde lid).

5.5

Uit de polisadministratie (Suwinet) blijkt dat Consolid de nabetaling heeft opgegeven in februari 2017 (een aangiftetijdvak met een recht op WW). Eiser wordt dus geacht dat loon in die maand te hebben genoten. Daar moet verweerder van uitgaan. Dat die uitbetaling betrekking heeft op een eerdere periode en bij een andere werkgever, is niet relevant. Voor de toerekening is uitsluitend relevant wanneer de inkomsten zijn opgegeven.

5.6

De rechtbank merkt hierbij op te hebben begrepen dat verweerder bij de inkomstenverrekening in de WW, anders dan bij de WIA, geen beleid heeft ontwikkeld over de toepassing van het zevende lid van artikel 4:1 van het Inkomensbesluit.

5.7

Eiser heeft zich ook nog beroepen op het bepaalde in artikel 4:1, achtste en tiende lid van het Inkomensbesluit. Hij leidt daaruit af dat die nabetaling niet hoeft te worden verrekend met de WW-uitkering. Dat beroep slaagt niet en de rechtbank zal hier nader uitleggen waarom niet en hoe die bepalingen dan wel moeten worden begrepen. De rechtbank stelt vast dat in het achtste lid van artikel 4:1 van het Inkomensbesluit (= de hoofdregel) staat dat voor de vaststelling van het inkomen wordt uitgegaan van het feitelijk ontvangen loon per kalendermaand, inclusief de opgebouwde vakantiebijslag over die maand. In het tiende lid van artikel 4:1 van het Inkomensbesluit (= uitzondering op de hoofdregel) wordt bepaald dat (als sprake is van een dienstverband bij een werkgever die de vakantiebijslag reserveert en in een keer, meestal in de maand mei, uitbetaalt) voor de toepassing van de inkomensverrekening in de WW niet wordt uitgegaan van het feitelijk ontvangen loon per kalendermaand, inclusief de opgebouwde vakantiebijslag over die maand, maar van fictief bedrag aan vakantiebijslag, namelijk 8%. Dit betekent dan dat de feitelijk uitbetaalde vakantiebijslag dus niet als loon wordt beschouwd, maar er wordt een fictief bedrag aan vakantiebijslag berekend door het loon waarop de vakantiebijslag in mindering is gebracht in een kalendermaand met 8% te verhogen. In de brief van 29 januari 2018 corrigeert verweerder de berekeningen ook conform deze bepalingen.

5.8

De rechtbank begrijpt dat de toepassing van de wettelijke bepalingen voor eiser onredelijk en onbillijk voelt. De wetgever heeft echter voor deze systematiek gekozen. Het is een systematiek die in sommige gevallen positief en in andere gevallen negatief kan uitpakken voor een uitkeringsgerechtigde. Die systematiek van de regelgeving pakt in dit geval voor eiser nadelig uit. Dat is echter een gevolg van de keuze van de wetgever geweest en het is niet aan de rechter, maar aan de wetgever om eventuele onredelijke gevolgen te niet te doen. In het elfde lid van artikel 4:1 van het Inkomensbesluit is in dit kader nog een bepaling opgenomen (als uitzondering op de hoofdregel) dat het UWV het inkomen op een andere wijze bepaalt, indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Aan die bepaling wordt echter alleen dan uitvoering gegeven als toepassing van de hoofdregel leidt tot een voor de uitkeringsgerechtigde zozeer financieel onacceptabele situatie dat dit indruist tegen de fundamentele rechtsbeginselen van de toepasselijke wettelijke regels. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Dus die (uitzonderings)bepaling vindt hier geen toepassing.

5.9

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder met toepassing van de bovengenoemde bepalingen terecht heeft vastgesteld dat het totale inkomen van eiser in februari 2017 hoger is dan 87,5% van zijn maandloon en op grond van artikel 20, eerste lid en onder c van de WW het recht op WW eindigt. Verweerder is gehouden een onverschuldigd betaalde uitkering (bruto) terug te vorderen.

6. Zoals hiervoor onder 3. overwogen kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek en daarmee heeft verweerder artikel 7:12, eerste lid, van de Awb geschonden. De rechtbank ziet echter aanleiding om deze schending met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn besluit in redelijkheid op de achteraf gegeven wettelijke grondslag en motivering kan baseren en dat eiser in de gelegenheid is geweest om in beroep zijn bezwaren naar voren te brengen. Gelet hierop kan het bestreden besluit in stand blijven. Het beroep is ongegrond.

7. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 46,- vergoedt. Eiser heeft immers beroep moeten instellen om duidelijkheid te verkrijgen. Van overige proceskosten die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.