Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10076

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
C/15/275861 / KG ZA 18-495 en C/15/277862 / KG ZA 18-649
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Twee gevoegde procedures in kort geding. In de ene procedures hebben diverse schuldeisers van een failliete vennootschap, waarvan het faillissement inmiddels is opgeheven, jegens de (voormalig) curator in dat faillissement een vordering ingesteld op grond van artikel 843a Rv tot inzage in rapporten, verslagen en andere documenten waarin de bevindingen van de curator en derden omtrent de oorzaken van het faillissement zijn opgenomen. De bestuurder van de voormalig failliet probeert dit te verhinderen door op zijn beurt een vordering tot afgifte op grond van artikel 193 lid 3 Fw in te stellen en daarnaast een verbod te vorderen tot afgifte aan derden. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de schuldeisers toegewezen omdat zij voldoende hadden onderbouwd dat zij, in verband met mogelijk in te stellen vorderingen jegens de voormalige (indirect) bestuurder van de failliet op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, een rechtmatig belang hebben bij inzage in de (financiële) administratie van de failliet voor zover die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van de curator is beoordeeld. Zij hebben gemotiveerd uiteengezet dat en waarom zij reden hebben om te vermoeden dat en waarom de voormalig (indirect) bestuurder van de failliet jegens hen als schuldeisers van de failliet onrechtmatig heeft gehandeld. Deze bescheiden zijn voldoende bepaald en hebben ook betrekking op de rechtsbetrekkingen die tussen de schuldeisers en de voormalige (indirect) bestuurder van de failliet bestaan, voor zover deze bestaat uit het samenstel van rechtsfeiten dat gezamenlijk het gestelde onrechtmatig handelen zou kunnen vormen. Dat gewichtige redenen zich tegen afgifte van deze bescheiden verzetten is door de curator noch door de voormalige (indirect) bestuurder van de failliet gesteld en is ook overigens niet gebleken. De vordering tot afgifte van de bestuurder van de voormalig failliet wordt eveneens toegewezen, zij het in die zin dat aan hem (slechts) een kopie van de administratie die nog bij de curator in bezit is wordt afgegeven. Het gevorderde verbod tot afgifte aan derden wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2018/315 met annotatie van mr. drs. C.M. Harmsen
RI 2019/9
JONDR 2018/1298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/275861 / KG ZA 18-495 en C/15/277862 / KG ZA 18-649

Vonnis in kort geding van 17 september 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHR.J. BOLLE EN ZOON B.V.,

gevestigd te Haarlem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANBANK INSTALLATIETECHNIEK B.V.,

gevestigd te Cruquius,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERNOOY DAKWERKEN B.V.,

gevestigd te Bennebroek,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASIC STUC & AFBOUW B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FILIPPO BOUWMATERIALEN HAARLEM B.V.,

gevestigd te Haarlem,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BODU STAALBOUW B.V.,

gevestigd te Bunschoten-Spakenburg,

eiseressen in de hoofdzaak alsmede in het incident tot voeging en interventie,

advocaat mr. L.P. Kortmann en mr. V.G.M. Leferink,

tegen

1 de heerRICARDO JOHANNES HOFF,

wonende te Haarlem,

2. de heer RICARDO JOHANNES HOFF in zijn hoedanigheid van (voormalig) curator in het faillissement van H’LEM AFBOUW B.V.

gedaagden in de hoofdzaak,

in persoon verschenen.


Deze zaak wordt hierna ook aangeduid als Bolle/Hoff q.q.

en

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H'LEM BOUW B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in de hoofdzaak,

2. [eiser2/verweerder2],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak en in het incident tot voeging,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M.S.F. Loor te Zaandam,

tegen

de heer mr. RICARDO JOHANNES HOFF in zijn hoedanigheid van (voormalig) curator in het faillissement van H’LEM AFBOUW B.V.

wonende te Haarlem,

gedaagde in de hoofdzaak,

in persoon verschenen.

Deze zaak wordt hierna ook aangeduid als [eiser2/verweerder2]/Hoff q.q.

Partijen zullen hierna (gezamenlijk) Bolle en Zoon B.V. c.s. en Hoff q.q. en [eiser2/verweerder2] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in de zaak Bolle/Hoff q.q. blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 juli 2018 met producties

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 en incidentele conclusie tot interventie ex artikel 217 Rv

  • -

    de brief van mr. Willemse van 31 augustus 2018

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota m.b.t. verzoek voeging zaken en interventie van Bolle en Zoon B.V. c.s.

  • -

    de pleitnota (in de hoofdzaak) van Bolle en Zoon B.V. c.s.

  • -

    de pleitnota van [eiser2/verweerder2] c.s.

1.2.

Het verloop van de procedure in de zaak [eiser2/verweerder2]/Hoff q.q. blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 augustus 2018 met producties

  • -

    de brief van mr. Loor van 30 augustus 2018 met aanvullende producties 9 en 10 en een vermeerdering van eis

  • -

    de brief van mr. Loor van 31 augustus 2018 inhoudende een vermindering van eis

  • -

    incidentele conclusie tot voeging ex artikel 2017

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van mr. Loor.

1.3.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 3 september 2018 zijn verschenen namens Bolle en Zoon B.V. c.s. mrs. Kortmann en Leferink, voornoemd namens Hoff q.q. mr. Hoff en namens [eiser2/verweerder2] c.s. mr. Loor, voornoemd.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting beslist in de incidenten. Beide zaken zijn gevoegd en gelijktijdig behandeld en de vorderingen tot voeging en tussenkomst zijn over en weer toegewezen. De gronden voor die beslissingen zijn hierna onder 4 vermeld.

2 De feiten

2.1.

H’lem Bouw B.V. was bestuurder en enig aandeelhouder van H’lem Afbouw B.V. De heer [eiser2/verweerder2] (hierna: [eiser2/verweerder2]) was bestuurder en enig aanhouder van H’lem Bouw B.V. Op 9 september 2018 is het faillissement van Haarlem Afbouw B.V. uitgesproken met benoeming van Hoff q.q. als curator. Haarlem Afbouw B.V. was een aannemersbedrijf.

2.2.

Bolle en Zoon B.V. c.s. zijn actief in de bouwsector. Chr.J. Bolle en Zoon B.V. (hierna: Bolle) is ontwikkelaar van verschillende bouwprojecten, waaronder een project aan de Kromme Elleboogsteeg te Haarlem betreffende de realisatie van acht appartementen. De andere eisers zijn onderaannemers dan wel leveranciers. Bolle en Zoon B.V. c.s. hebben in dit kader samengewerkt met Haarlem Afbouw B.V.

2.3.

Bolle en Zoon B.V. c.s. waren allen concurrent schuldeisers in het faillissement vanHhaarlem Afbouw B.V.

2.4.

Hoff q.q. heeft de advocaat van Bolle en Zoon B.V. c.s. op 10 april 2017 het volgende bericht:

“Ik kan je mededelen dat een accountant de administratie heeft beoordeeld. Aan de hand van zijn onderzoek kan de conclusie worden getrokken dat de bestuurder na het eerste kwartaal de stekker uit de onderneming had moeten trekken. Toen was immers voor hem duidelijk dat de onderneming niet meer levensvatbaar was. In een gesprek met de bestuurder heb ik dit aangegeven maar vooralsnog wijst hij elke aansprakelijkheid af. Ik zal op korte termijn een dagvaarding voorbereiden.”

2.5.

Hoff q.q. heeft onderzoek gedaan naar de oorzaken van het faillissement. In het laatste openbare faillissementsverslag van Hoff q.q. van 15 november 2017 staat onder het kopje ‘Onbehoorlijk bestuur’ het volgende opgenomen:

“In onderzoek

1-5-2017

De curator meent dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet. Als gevolg hiervan is failliet doorgegaan met het aangaan van verplichtingen terwijl de bestuurder wist of behoorde te weten dat failliet deze verplichtingen niet meer kon nakomen. Hierdoor hebben schuldeisers schade geleden waarvoor de bestuurder aansprakelijk is, zo meent de curator. De curator is hierover in overleg getreden met de bestuurder. Deze wijst echter elke aansprakelijkheid af. De curator beraadt zich op te ondernemen stappen.

31 juli 2017

In de afgelopen verslagperiode heeft de curator overleg gevoerd met de bestuurder ter zake de stelling van de curator dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet en dat de bestuurder als gevolg hiervan aansprakelijk is. De bestuurder heeft uitgebreid tekst en uitleg gegeven en heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid. Omdat de bestuurder van dit geschil af wil zijn, is door de bestuurder € 120.000,-- aan de boedel betaald tegen finale kwijting over en weer.

15-11-2017

De bestuurder heeft in de afgelopen periode het bedrag van € 120.000 aan de boedel voldaan.”

2.6.

Op 4 december 2017 heeft Hoff q.q. [eiser2/verweerder2] verzocht om een twaalftal mappen met administratie op te halen met het verzoek deze als bestuurder te bewaren. [eiser2/verweerder2] heeft de mappen met administratie opgehaald, hetgeen Hoff q.q. bij e-mailbericht van 13 februari 2018 aan [eiser2/verweerder2] heeft bevestigd.

2.7.

Het faillissement van Haarlem Afbouw B.V. is op 21 februari 2018 opgeheven. Uit de slotuitkeringslijst volgt dat de concurrente schuldeisers, waaronder Bolle en Zoon B.V. c.s., geen uitkering uit het faillissement hebben ontvangen.

2.8.

Bij e-mail van 1 augustus 2019 is [eiser2/verweerder2] door Hoff q.q. bericht dat hij door een aantal crediteuren van Haarlem Afbouw B.V. in kort geding was gedagvaard. Hoff q.q. heeft [eiser2/verweerder2] in dat kader gevraagd of hij akkoord kon gaan met het verstrekken van de bescheiden zoals hierna genoemd in 3.3 aan de crediteuren. [eiser2/verweerder2] heeft aangegeven dat hij hiermee niet akkoord kon gaan.

2.9.

[eiser2/verweerder2] heeft Hoff q.q. bij e-mails van 8 en 9 augustus 2018 verzocht om de gehele administratie aan [eiser2/verweerder2] te verstrekken. Hoff q.q. heeft hierop op 9 augustus 2018 gereageerd door te stellen dat de administratie reeds in het bezit is van [eiser2/verweerder2] met uitzondering van één enkele map. Hoff q.q. heeft aangegeven de map onder zich te houden totdat de voorzieningenrechter in kort geding op de hierna te noemen vordering van

Bolle en Zoon B.V. c.s. heeft beslist.

2.10.

[eiser2/verweerder2] heeft Hoff q.q. daarop op 10 augustus 2018 gesommeerd ook de laatste map aan hem af te geven. Hoff q.q. heeft niet aan die sommatie voldaan.

3 Het geschil

in de zaak [eiser2/verweerder2]/Hoff q.q.

in de hoofdzaak

3.1.

[eiser2/verweerder2] vordert (na vermeerdering en vermindering van eis) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. Hoff q.q. te veroordelen binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de volgende stukken aan [eiser2/verweerder2] af te geven:

- alle boeken en bescheiden als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw, waaronder de door mr. Hoff in zijn e-mail d.d. 9 augustus 2018 genoemde map;

een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5000,--, althans een door de Voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft;

B. Hoff q.q. te verbieden tot afgifte van stukken die behoren tot de boeken en bescheiden van H’lem Afbouw als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw aan derden, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- althans een door de Voorzieningenrechter te bepalen dwangsom;

C. Hoff q.q. te veroordelen in de kosten van de procedure.

in het incident

3.2.

Bolle en Zoon B.V. c.s. vordert

( i) De zaak ingesteld door Bolle en Zoon B.V. c.s. met zaaknummer C15-275861 KG ZA 18495 te voegen met de zaak ingesteld door H’lem Afbouw en [eiser2/verweerder2] jegens de Hoff q.q. waarvan de mondelinge behandeling bij uw Rechtbank vooralsnog gepland staat op maandag 3 september om 13.30 uur;

(ii) De mondelinge behandeling van deze zaken plaats te laten vinden op maandag 3 september 2018 op hetzelfde tijdstip;

(iii) Bolle en Zoon B.V. c.s. als gevoegde partij aan de zijde van de Hoff q.q. toe te laten in de door H’lem Afbouw en [eiser2/verweerder2] ingestelde zaak jegens de Hoff q.q. waarvan de mondelinge behandeling bij uw Rechtbank vooralsnog gepland staat op maandag 3 september 2018 om 13.30 uur;

(iv) Bolle en Zoon B.V. c.s. voorwaardelijk als tussenkomende partij toe te laten in de zaak ingesteld door H’lem Afbouw [eiser2/verweerder2] jegens de Hoff q.q. waarvan de mondelinge behandeling bij uw Rechtbank vooralsnog gepland staat op maandag 3 september 2018 om 13.30 uur; en

( v) H’lem Afbouw en [eiser2/verweerder2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten, onder bepaling dat de proceskosten dienen te zijn voldaan binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en, ingeval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

in de zaak Bolle/Hoff q.q.

in de hoofdzaak:

3.3.

Bolle en Zoon B.V. c.s. vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair Hoff q.q. te bevelen tot afgifte van de volgende bescheiden:

i) de rapporten, verslagen (waaronder het accountantsverslag) en andere documenten waarin de bevindingen van Hoff q.q. en van derden omtrent de oorzaken van het faillissement van H’lem Afbouw B.V. zijn opgenomen;

ii) de conceptdagvaarding (inclusief bijbehorende producties die Hoff q.q. heeft opgesteld tegen [eiser2/verweerder2]; en

iii) de (financiële) administratie van H’lem Afbouw B.V. die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van Hoff q.q. is beoordeeld.

2. subsidiair Hoff q.q. te bevelen Bolle en Zoon B.V. c.s. inzage te verschaffen in de onder 1 bedoelde bescheiden.

in het incident:

3.4.

Bolle en Zoon B.V. c.s. vordert dat het haar wordt toegestaan zich te voegen aan de zijde van de curator, teneinde verweer te voeren tegen de op art 843a Rv gebaseerde vorderingen.

4 De beoordeling

in de incidenten

4.1.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting de incidentele vorderingen tot voeging en tussenkomst in de verschillende procedures over en weer toegewezen op de volgende gronden.

In [eiser2/verweerder2]/Hoff q.q.

Ad vordering sub (1) en (2)

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de rechter in kort geding ook op praktische gronden zaken kan voegen, bijvoorbeeld wanneer dat in het belang is van een efficiënte procesvoering en partijen niet in hun processuele positie worden geschaad.

Daarbij komt dat er in onderhavige procedures in voldoende mate sprake is van dezelfde partijen. Ook hangen de zaken met elkaar samen. Dat volgt alleen al uit het feit dat Bolle en Zoon B.V. c.s. en [eiser2/verweerder2] over en weer hebben verzocht om voeging/tussenkomst in de zaak waarin zij geen partij zijn. Daarnaast zien de zaken op hetzelfde onderwerp nu deze zien op afgifte van (deels) dezelfde stukken aan Bolle en Zoon B.V. c.s. dan wel aan [eiser2/verweerder2] of zelfs aan beide.

Ad vordering sub 3)

4.3.

Voeging is toegestaan omdat er een fait accompli zou kunnen ontstaan indien in die zaak uitspraak zou worden gedaan zonder daarbij acht te slaan op de argumenten van Bolle en Zoon B.V. c.s., als die uitspraak vooraf zou gaan aan de uitspraak in Bolle en Zoon B.V. c.s./Hoff q.q. Dat op zichzelf is reeds een rechtens te respecteren belang. De vraag of wat Bolle en Zoon B.V. c.s. in de hoofdzaak vorderen een rechtens te respecteren belang is betreft een inhoudelijke vraag.

Ad vordering sub (4)

4.4.

Een spoedeisend belang is voor de vordering tot tussenkomst niet vereist. Voldoende is de kans op benadeling van degene die om tussenkomst verzoekt in zijn of haar positie. Die kans is hier aanwezig. De kans bestaat dat de stukken in handen komen van de partij die Bolle en Zoon B.V. c.s. willen aanspreken, terwijl deze partij weigert deze stukken aan Bolle en Zoon B.V. c.s. af te staan.

in Bolle/Hoff q.q.

Ad vordering sub 3.3.

4.5.

Het is na het voorgaande redelijk en efficiënt om [eiser2/verweerder2] toe te staan zelf verweer te voeren tegen de vorderingen van Bolle. Daarvoor is ook een toereikende grond, nu Koelmans positie als bestuurder van de vennootschap waarvan de stukken die zich onder de curator bevinden door de beslissingen op de vorderingen in deze procedure kan worden benadeeld.

In de hoofdzaken

[eiser2/verweerder2]/Hoff q.q.

De vordering tot afgifte

4.6.

[eiser2/verweerder2] c.s. heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de curator op grond van artikel 193 lid 3 Fw bij het einde van het faillissement gehouden is alle boeken en papieren aan de schuldenaar af te geven. Nadat Hoff q.q. [eiser2/verweerder2] in dat kader in reeds in december 2017 in de gelegenheid heeft gesteld de administratie op te halen, hetgeen [eiser2/verweerder2] heeft gedaan, is gebleken dat Hoff q.q. nog stukken heeft achtergehouden die hij niet voornemens is aan [eiser2/verweerder2] c.s. af te geven. Vast staat dat Hoff q.q. de stukken daarmee zonder recht of titel in zijn bezit heeft. [eiser2/verweerder2] c.s. heeft groot belang de stukken te bezitten zodat hij zelf kan bepalen in hoeverre stukken worden afgegeven aan derden en in hoeverre niet. Het is in ieder geval niet aan Hoff q.q. om die beslissing te nemen.

Er bestaat geen enkel recht en/of belang de stukken niet aan [eiser2/verweerder2] c.s. af te geven. Voor zover de vordering tot afgifte van de stukken niet op korte termijn wordt toegewezen heeft [eiser2/verweerder2] c.s. zijn eis aangevuld met het verbod tot afgifte van de stukken aan derden.

4.7.

Hoff q.q. heeft erkend dat hij nog enkele stukken uit de administratie van H’lem Afbouw B.V. in zijn bezit heeft. Hoff q.q. heeft aangegeven dat hij de betreffende stukken niet aan [eiser2/verweerder2] c.s. heeft afgegeven in verband met het verzoek van Bolle en Zoon B.V. c.s. tot inzage in de betreffende stukken. Hoff q.q. stelt dat hij in dit kader overleg heeft gehad met [eiser2/verweerder2] die weigerde akkoord te gaan met afgifte onder inzage. Hoff q.q. stelt dat hij als curator rekening heeft gehouden met de belangen van eenieder in dezen en refereert zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Na beëindiging van het faillissement bewaart de curator in zijn kantoorarchief de faillissementsdossiers, dat wil zeggen de dossiers die hij heeft aangelegd in verband met de afwikkeling van het faillissement. Met betrekking tot de boeken en bescheiden van de gefailleerde die de curator tijdens de afwikkeling van het faillissement onder zich heeft gekregen wordt in de wet onderscheid gemaakt tussen de stukken van een gefailleerde privépersoon en een gefailleerde rechtspersoon. Bij een gefailleerde privépersoon dienen de boeken en bescheiden op grond van artikel 193 lid 3 Fw aan de privépersoon te worden teruggegeven. Bij een gefailleerde rechtspersoon is artikel 2:24 lid 1 Bw van toepassing:

na het faillissement moeten de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden rechtspersoon zeven jaar worden bewaard. Hierbij is het van belang dat de curator ook kan besluiten de boeken en bescheiden zelf te bewaren. Er bestaat dan ook in zoverre geen plicht voor de curator om de boeken aan [eiser2/verweerder2] c.s. terug te geven.

Daarbij is het niet van belang of de curator zich jegens [eiser2/verweerder2] heeft verplicht de stukken vertrouwelijk te houden. De vordering is op die grond daarom niet toewijsbaar.

4.9.

Hoewel het niet ongebruikelijk is dat de curator bij het einde van het faillissement de voormalige administratie van een gefailleerde rechtspersoon aan de bestuurder van die rechtspersoon teruggeeft brengt de aard van de aan de curator gegeven opdracht mee dat hij daartoe niet moet overgaan indien hij redenen heeft om aan te nemen dat die administratie bij die bestuurder als bewaarder niet in goede handen is. De omstandigheid dat zich belanghebbenden bij de curator hebben gemeld met een verzoek om inzage met het oog op het maken van een afweging omtrent de kans van slagen van een procedure uit onrechtmatige daad tegen die bestuurder moet voor de curator een reden zijn om daarmee voorzichtigheid te betrachten. Dat brengt mee dat de curator niet tot afgifte is gehouden. Wel dient hij het belang van die bestuurder in zoverre te dienen dat hij een kopie van de administratie aan de bestuurder afgeeft, teneinde deze in staat te stellen tot verweer, indien het tot een procedure mocht komen. De voorzieningenrechter neemt aan dat die modaliteit van afgifte in de door [eiser2/verweerder2] c.s. gevorderde afgifte ligt besloten. In zoverre is die vordering toewijsbaar.

De vordering verbod tot afgifte aan derden

4.10.

Het staat de curator verder vrij om zijn eigen feitelijk bestaande positie als bewaarder te continueren of om de kantonrechter te verzoeken een bewaarder aan te stellen. Het gevorderde verbod om de betreffende stukken aan derden af te geven dient reeds hierom te worden geweigerd.

Voor zover de vordering ziet op afgifte aan Bolle en Zoon B.V. c.s. zal op die kwestie in de zaak Bolle/Hoff q.q. worden ingegaan.

4.11.

[eiser2/verweerder2] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Hoff q.q. worden veroordeeld. De kosten van Hoff q.q. (zullen nu Hoff q.q. in persoon is verschenen) worden begroot op € 626,00 (het griffierecht).

in de zaak Bolle/Hoff q.q.

De vordering op grond van artikel 843a Rv

4.12.

Bolle en Zoon B.V. c.s. leggen aan hun vordering tot afgifte dan wel afgifte van de in 3.3 bedoelde bescheiden artikel 843a Rv ten grondslag. In dat kader stellen zij het volgende.

  • -

    Bolle is met H’lem Afbouw B.V. een overeenkomst aangegaan voor de realisatie van het bouwproject aan de Kromme Elleboogsteeg. Tijdens de bouw liep het project vertraging op en uiteindelijk is de bouw na de bouwvak van 2016 helemaal niet meer van de grond gekomen. Bolle en Zoon B.V. c.s. heeft hierdoor schade geleden bestaande uit onbetaalde facturen voor niet verrichte werkzaamheden ter hoogte van (voorlopig begroot) ruim € 210.000,00.

  • -

    Filipo Bouwmaterialen B.V. had een vordering in rekening courant op H’lem Afbouw over de periode 15 juni 2016 t/m 7 september 2016 ter hoogte van € 32.122,04.

  • -

    De onbetaald gebleven facturen van de andere eiseressen op H’lem Afbouw van in totaal € 70.447,26 dateren uit de periode 22 april 2016 t/m 1 september 2016.

In het accountantsonderzoek is geconcludeerd dat de bestuurder na het eerste kwartaal van 2016 (dus in ieder geval 1 april 2016 (hierna: de voorlopige peildatum) de onderneming had moeten staken omdat toen voor hem duidelijk was dat de onderneming niet meer levensvatbaar was. Gezien de factuurdata is het zeer aannemelijk dat alle, althans het merendeel van de vorderingen van Bolle en Zoon B.V. c.s. op H’lem afbouw is ontstaan na de voorlopige peildatum. De rechtsbetrekkingen tussen Bolle en Zoon B.V. c.s. en [eiser2/verweerder2] vloeien voort uit het feit dat [eiser2/verweerder2] jegens Bolle en Zoon B.V. c.s. aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad / bestuurdersaansprakelijkheid voor de onbetaald gebleven facturen en de daaruit voorvloeiende schade. Bolle en Zoon B.V. c.s. zijn voornemens de aansprakelijkheid van [eiser2/verweerder2] in rechte vast te stellen door het starten van een gerechtelijke procedure. Het belang bij afgifte dan wel inzage van de stukken bestaat erin dat Bolle en Zoon B.V. c.s. op dit moment over onvoldoende informatie beschikken om vast te stellen vanaf welk moment het faillissement van H’lem Afbouw had behoren te voorzien (de peildatum). De peildatum is bepalend voor de aansprakelijkheid van [eiser2/verweerder2] jegens Bolle en Zoon B.V. c.s. en de omvang daarvan. Een behoorlijke rechtspleging is zonder de verschaffing van de gevraagde bescheiden niet gewaarborgd. Daarnaast hebben Bolle en Zoon B.V. c.s. belang bij de gevorderde informatie om hun vordering jegens [eiser2/verweerder2] in een gerechtelijke procedure te kunnen onderbouwen met bewijs. Bolle en Zoon B.V. c.s. hebben belang bij een spoedig mogelijke vaststelling van hun vordering op [eiser2/verweerder2].

4.13.

Hoff q.q. stelt zich op het standpunt dat de vordering van Bolle en Zoon B.V. c.s. voor wat betreft de gevraagde stukken die ten grondslag liggen aan het accountantsonderzoek (r.o. 3.1 onder 1 en onder iii.) toewijsbaar is. Bolle en Zoon B.V. c.s. hebben echter geen recht op inzage in de conceptdagvaarding (r.o. 3.1 onder 1 en onder ii.) nu dit een subjectief document is dat Hoff q.q. in zijn hoedanigheid van curator heeft geschreven. Voor de gevraagde rapporten, verslagen en andere documenten waarin de bevindingen van Hoff q.q. en van derden omtrent de oorzaken van het faillissement van H’lem Afbouw zijn opgenomen (r.o. 3.1 onder 1 en onder i.) geldt dat dit geen stukken zijn die betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij Bolle en Zoon B.V. c.s. partij zijn. In zoverre is de vordering van Bolle en Zoon B.V. c.s. dan ook niet toewijsbaar, aldus de curator.

4.14.

[eiser2/verweerder2] voert verweer. Op de stellingen van [eiser2/verweerder2] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.15.

Als meest verstrekkende verweer heeft [eiser2/verweerder2] het spoedeisend belang bij de vordering van Bolle en Zoon B.V. c.s. betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt het spoedeisend belang van Bolle en Zoon B.V. c.s. uit hun stelling dat zij inzage in de administratie nodig hebben teneinde een (eventuele) aansprakelijkstelling van [eiser2/verweerder2] als (indirect) bestuurder van H’lem Afbouw B.V. te beoordelen en nader te kunnen onderbouwen.

In zijn arrest van 8 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:612) heeft de Hoge Raad overwogen dat indien een schuldeiser van de failliet informatie uit diens boekhouding wenst te verkrijgen met het oog op een mogelijkerwijs door hem in te stellen vordering tegen een derde, hij daartoe de weg kan bewandelen van een op de voet van art. 843a Rv aanhangig te maken vordering tegen de curator. Dat belang is voldoende spoedeisend om met een op 843a Rv. gebaseerde vordering in kort geding ontvankelijk te zijn. Alom klinkt het geluid dat het tempo waarin civiele procedure plegen te lopen niet meer aansluit bij de snelheid van het maatschappelijk verkeer. Het is dan ook niet meer dan logisch dat het rechterlijk beleid erop is gericht om dat tempo te verhogen. Daarmee strookt het partijen de mogelijkheid te bieden om in gevallen waarin er serieus te nemen aanwijzingen bestaan dat er door hun wederpartij onrechtmatig jegens hen is gehandeld via het ontvangen van een in kort geding ingestelde vordering tot verschaffing van gegevens in staat te stellen zich de mogelijkheid verschaffen om op korte termijn te kunnen afwegen of een procedure voldoende kansrijk is en om die procedure vervolgens ook meteen op goede gronden, en niet als slag in de lucht, te voeren.

Gelet op de sub 2.5 geciteerde opvatting van de curator, neergelegd in een openbaar faillissementsverslag, is van een zodanig geval hier sprake.

4.16.

Of de vorderingen van Bolle en Zoon B.V. c.s. toewijsbaar zijn moet worden getoetst aan het bepaalde in artikel 843a Rv. In het eerste lid van voormeld artikel worden drie voorwaarden genoemd waaraan moet worden voldaan:

a. de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, moet rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel daarvan,
b. de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en
c. de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarin de wederpartij van degene die ze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, partij is.

Verder moet zich geen van de in artikel 843a lid 3 en 4 Rv opgenomen uitzonderingen voordoen:

d. hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn,

e. degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn en

f. degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.17.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben Bolle en Zoon B.V. c.s. voldoende onderbouwd dat zij, in verband met mogelijk in te stellen vorderingen jegens [eiser2/verweerder2] als de voormalige (indirect) bestuurder van H’lem Afbouw B.V. op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, een rechtmatig belang hebben bij inzage in de (financiële) administratie van H’lem Afbouw B.V. voor zover die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van de curator is beoordeeld. Zij hebben gemotiveerd uiteengezet dat en waarom zij reden hebben om te vermoeden dat en waarom [eiser2/verweerder2] jegens hen als crediteuren van H’lem Afbouw B.V. onrechtmatig heeft gehandeld.

Gelet op de uitlatingen van de curator zijn deze bescheiden door de accountant die de stukken heeft beoordeeld omschreven en als bijlage bij diens rapport gevoegd. Deze bescheiden zijn aldus voldoende zijn bepaald.

Zij hebben ook betrekking op de rechtsbetrekkingen die tussen Bolle en Zoon B.V. c.s. en [eiser2/verweerder2] als de voormalige (indirect) bestuurder van H’lem Afbouw B.V. bestaan, voor zover deze bestaat uit het samenstel van rechtsfeiten dat gezamenlijk het gestelde onrechtmatig handelen zou kunnen vormen. De vordering van Bolle en Zoon B.V. c.s. is dan ook toewijsbaar voor zover deze ziet op afgifte van deze bescheiden.

De omstandigheid dat de curator zich in een vaststellingsovereenkomst zou hebben verbonden om deze gegevens vertrouwelijk te behandelen staat daaraan niet in de weg. Die omstandigheid zou immers ook niet in de weg staan aan de verplichting van [eiser2/verweerder2] om inzage in de gegevens te verschaffen indien deze zich in zijn macht zouden bevinden. Dat gewichtige redenen zich tegen afgifte van deze bescheiden verzetten is door Hoff q.q. noch door [eiser2/verweerder2] gesteld en is ook overigens niet gebleken.

4.18.

De verplichting tot afgifte zal tot deze stukken worden beperkt, nu zeker in dit stadium moet worden geoordeeld dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van het meerdere is gewaarborgd. De gestelde aansprakelijkheid zal in de hoofdzaak immers kunnen worden onderbouwd op grond van de selectie van stukken die de accountant heeft gemaakt, ook zonder dat men van de bevindingen van de accountant of de opvatting van de curator dienaangaande kennis draagt.

4.19.

Nu de curator ter zitting heeft verklaard dat hij aan een eventuele veroordeling tot afgifte zal voldoen, zal de gevorderde dwangsom, als onnodig, worden afgewezen.

4.20.

Gegeven de onomkeerbaarheid van sommige van die in 5.3. van dit vonnis opgenomen beslissing zal mjet de daarin opgenomen termijnstelling enige ruimte worden gecreëerd voor aanwending van een rechtsmiddel.

4.21.

Aangezien elk van partijen op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de hoofzaak [eiser2/verweerder2]/Hoff q.q.

5.1.

gelast de curator conform hetgeen hiervoor in r.o. 4.9 is overwogen ten behoeve van [eiser2/verweerder2] een kopie te maken van de boeken en bescheiden voor zover die nog in zijn bezit zijn en deze, tegen betaling van de redelijke kosten die daarmee gemoeid zijn, op eerste verzoek aan [eiser2/verweerder2] af te geven,

5.2.

veroordeelt [eiser2/verweerder2] in de kosten van de Hoff q.q. tot op heden begroot op € 626,00,

in de hoofzaak Bolle/Hoff q.q.

5.3.

gebiedt Hoff q.q. op eerste verzoek van Bolle en Zoon B.V. c.s., doch niet eerder dan 30 dagen na betekening van dit vonnis, aan Bolle en Zoon B.V. c.s., tegen betaling van de redelijke kosten die daarmee gemoeid zijn, kopieën van de de (financiële) administratie van H’lem Afbouw voor zover die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van de curator is beoordeeld af te geven,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.A.H. Stam op 17 september 2018.1

1 Conc.: 1289