Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10065

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
HAA - 18/2389
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser is er bij de verstrekking van de parkeervergunning door middel van een verwijzing naar de digitale parkeerfolder voldoende op gewezen dat hij niet altijd overal mocht parkeren. Dat er bij de uitgezonderde straat geen bebording was aangebracht met daarop vermeld de uitzondering, doet daar niets aan af. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-11-2018
V-N Vandaag 2018/2557
FutD 2018-3130
Belastingblad 2019/6
NTFR 2018/2804
NLF 2018/2549 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2389

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. H.P. Dom),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 november 2017 aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer [#] ) parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 65,20, bestaande uit € 4,20 parkeerbelasting en € 61,00 naheffingskosten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2018 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.M. de Bie-Stokman.

Overwegingen

Feiten

1. Op maandag 6 november 2017 om 09:19 uur heeft een parkeercontrole plaatsgevonden aan de Keizerstraat te Haarlem. De parkeercontroleur constateerde dat ten behoeve van eisers auto, een [A] met kenteken [#-#] , geen parkeerbelasting was voldaan en heeft vervolgens een naheffingsaanslag uitgeschreven.

2. Bij brief van 8 september 2017 is aan eiser kenbaar gemaakt dat aan hem een digitale parkeervergunning voor de zone Binnenstad is toegekend over het jaar 2017. In deze brief wordt voor onder meer de bijbehorende regels en voorwaarden verwezen naar de digitale parkeerfolder. Op pagina 4 van deze digitale parkeerfolder staat onder meer vermeld:

Met een parkeervergunning voor de Binnenstad (zone B) kunt u bijna overal parkeren in de binnenstad zonder te betalen. Een uitzondering vormen de parkeermeterplaatsen in de volgende straten: Barrevoetestraat, Krocht, Tempeliersstraat, Botermarkt, Spaarne, Houtplein, Wagenweg, Gedempte Oude Gracht, Smedestraat, Keizerstraat en Nieuwe Groenmarkt.

Voor deze straten geldt dat u hier met uw parkeervergunning kunt parkeren op de volgende tijden:

• Van maandag t/m zaterdag van 18.00 tot 9.00 uur, behalve op koopavonden;

• Op koopavonden van 21.00 uur tot 9.00 uur;

• Op zondag de hele dag.

Buiten deze tijden moet u een parkeerkaart kopen om te parkeren op deze locaties.

Geschil

3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.
Eiser stelt dat hij ervan uit mocht gaan dat hij met de parkeervergunning voor de zone Binnenstad overal in de binnenstad van Haarlem mocht parkeren en dat onvoldoende kenbaar is gemaakt dat dit niet het geval was. Zo heeft verweerder nagelaten de uitzondering door middel van bebording kenbaar te maken. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat dit wel van verweerder verwacht mocht worden gelet op het beperkt aantal straten waarvoor de uitzondering geldt en de grote groep van vergunninghouders op wie dat van toepassing is. Daarnaast is er strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het beginsel van ‘informed conscent’. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag.

5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

7. De naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van het niet voldoen van parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2017 van de gemeente Haarlem (de Verordening). Ingevolge dit artikel wordt een belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze Verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Op grond van artikel 5, lid 1, en artikel 7, lid 1, van de Verordening wordt de belasting geheven bij voldoening op aangifte en is deze verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

Ingevolge artikel 2, aanhef, onderdeel b, van de Verordening wordt parkeerbelasting

geheven ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van

een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

8. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997 (ECLI:NL:HR:1997:AA3336) is de parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Verordening niet verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is er geen sprake van parkeren met een vergunning en is een parkeerder de parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Verordening verschuldigd, hetgeen eiser heeft nagelaten.

9. De rechtbank overweegt dat eiser er bij het verstrekken van de parkeervergunning door de gemeente Haarlem op is gewezen dat er regels en voorwaarden aan de parkeervergunning zijn verbonden. Ook is hij erop gewezen dat deze regels en voorwaarden staan beschreven in een digitale parkeerfolder onder vermelding van het specifieke internetadres waar deze parkeerfolder is te raadplegen. Uit de informatie van de digitale parkeerfolder blijkt dat met een parkeervergunning voor de zone Binnenstad bijna overal in de binnenstad van Haarlem kan worden geparkeerd zonder betalingsverplichting maar dat daarop uitzonderingen worden gevormd door onder meer de parkeermeterplaatsen in de Keizerstraat.

10. Niet in geschil is dat eiser de brief met daarin de verwijzing naar de digitale vindplaats van de parkeerfolder met daarin de regels en voorwaarden die zijn verbonden aan de parkeervergunning, heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat hij zich daarom voldoende op de hoogte heeft kunnen stellen van de aan de verkregen parkeervergunning verbonden rechten en plichten. De rechtbank is van oordeel dat op deze wijze aan eiser voldoende kenbaar is gemaakt dat er regels en voorwaarden waren verbonden aan de parkeervergunning en op welke wijze hij die kon raadplegen. Niet in geschil is dat eiser de digitale parkeerfolder niet heeft gelezen (vóór het opleggen van de in geschil zijnde naheffingsaanslag). Dat eiser desondanks meende dat zijn vergunning onbeperkt geldig was in de binnenstad van Haarlem – en dus ook in de Keizerstraat – kan er dan ook niet toe leiden dat zijn handelen niet voor zijn rekening en risico komt. Dat verweerder de uitzondering ook nog door middel van bebording kenbaar had kunnen maken en dit heeft nagelaten terwijl dat in andere gemeenten wel is gebeurd, doet aan het voorgaande niets af. De rechtbank ziet niet in hoe eisers beroep op artikel 8 van het EVRM en het beroep op strijd met het beginsel van ‘informed conscent’ in deze zaak tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Verweerder heeft dan ook terecht een naheffingsaanslag opgelegd.

11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.