Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10051

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
HAA - 16/5616
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:78, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van besluiten die zien op de definitieve toekenning van een toeslag is het specifieke dwangsomregime van artikel 12 Awir van toepassing. Of het herziening betreft van een definitieve toekenning van een toeslag is niet relevant. Verwijzingen naar wetsgeschiedenis.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-11-2018
V-N Vandaag 2018/2556
FutD 2018-3119
V-N 2019/13.19.3
NLF 2018/2654 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Kruseman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 22 december 2016 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 15 juni 2016 betreffende de definitieve berekening van de zorgtoeslag en de huurtoeslag over 2013.

Op 12 januari 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 14 december 2017 gereageerd.

De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft bij uitspraak buiten zitting van 5 april 2018 het beroep (met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) gegrond verklaard, het verzoek om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen afgewezen en verweerder veroordeeld in de proceskosten ter hoogte van € 250,50.

Bij brief van 17 mei 2018 heeft eiser verzet ingesteld tegen de uitspraak van 5 april 2018.

De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 19 juli 2018 het verzet gegrond verklaard en verweerder veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 501.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2018 te Haarlem.

De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde I.M. Genee.

Overwegingen

Feiten

1. Bij besluit van 10 juni 2016 heeft verweerder de definitieve zorgtoeslag van eiser aangepast over 2013 en vastgesteld op € 0.

2. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt bij brief van 15 juni 2016.

3. Op 10 november 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

4. Op 22 december 2016 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

5. Op 10 januari 2017 heeft verweerder eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat te laat bezwaar is gemaakt.

6. Op 12 januari 2017 heeft verweerder aangekondigd de beslissing op bezwaar ten aanzien van de zorgtoeslag te zullen herzien. In dit besluit heeft verweerder het verzoek om de hoogte van de verbeurde dwangsom te bepalen, afgewezen.

Geschil

7. In geschil is of er een dwangsom is verschuldigd.

8. Eiser stelt zich - kort gezegd op het standpunt - dat er een dwangsom is verbeurd gelet op de niet-tijdige beslissing op bezwaar nadat verweerder in gebreke is gesteld. In een vergelijkbare zaak heeft verweerder ook een dwangsom toegekend.

9. Verweerder stelt dat het bezwaar ziet op de herziening van de definitieve zorgtoeslag. Bij een herziening van een definitieve toeslag wordt er geen dwangsom verbeurd. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat als in een vergelijkbare zaak een dwangsom is toegekend, dit onjuist is. Ter onderbouwing van het standpunt heeft verweerder ter zitting een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2018 (zaaknummer 18/1923) overgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

11. De relevante bepalingen uit de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) luiden als volgt:

Artikel 12

(…)

2. Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen, met dien verstande dat:

a. een door de Belastingdienst/Toeslagen verbeurde dwangsom € 10 bedraagt voor elke week dat hij in gebreke is, doch ten hoogste € 100, tenzij de toekenning van de tegemoetkoming leidt tot een na te betalen of terug te vorderen bedrag kleiner dan € 100 in welk geval de verbeurde dwangsom ten hoogste € 30 bedraagt;

b. de Belastingdienst/Toeslagen geen dwangsom verbeurt indien de toekenning van de tegemoetkoming leidt tot een na te betalen of terug te vorderen bedrag kleiner dan € 30.

Artikel 14

1. Een tegemoetkoming wordt op aanvraag toegekend door de Belastingdienst/Toeslagen.

12. De rechtbank overweegt dat de oorspronkelijke tekst van artikel 12, tweede lid, Awir zoals opgenomen in het wetsvoorstel ‘Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen’ (Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 2, p. 1) als volgt luidde:

Op de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, is paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

De reden om de dwangsomregeling niet van toepassing te verklaren, was om het structurele dwangsomrisico op het niet tijdig beslissen af te dekken. Dit structurele dwangsomrisico werd - met inachtneming van de maximale dwangsom van € 1.260 - geschat op € 450 miljoen. (Memorie van toelichting, Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 3, p. 4). Na advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 4) en kritiek van Tweede Kamer is de tekst van artikel 12, tweede lid, in de Nota van wijziging (Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 7, p.1) gewijzigd in de versie zoals hiervoor is weergegeven en thans geldt.

13. In de Nota van wijziging is de wijziging als volgt toegelicht (Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 7, p.2).

Ingevolge deze nota van wijziging wordt de definitieve toekenning van de toeslag onder het toepassingsbereik van de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht gebracht (…) Tevens wordt voorgesteld om beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen die betrekking hebben op de voorschotfase van de definitief toe te kennen toeslag, buiten toepassing van de dwangsomregeling te laten. (…)

"De (…) opgenomen wijziging regelt dat wat betreft beschikkingen op aanvraag van de Belastingdienst/Toeslagen de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend van toepassing is op beschikkingen die betrekking hebben op de definitieve toekenning van de toeslag, alsmede op beslissingen op bezwaarschriften tegen de laatstgenoemde beschikkingen. De dwangsomregeling blijft derhalve buiten toepassing als het gaat om beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen die zien op het verlenen of automatisch verlenen van een voorschot, de wijziging van een verleend voorschot alsmede de afhandeling van bezwaarschriften tegen deze beschikkingen.

14. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat het in eerste instantie de wens was om de beslissing over de toekenning van definitieve toeslag uit te sluiten van de dwangsomregeling. Later is besloten om een dwangsomregeling - met een verlaagd maximum van € 100 - wel van toepassing te verklaren op de definitieve toekenning van een toeslag (en het daartegen gerichte bezwaar). Het verlenen van een voorschot op een toeslag werd uitgesloten van de dwangsomregeling. Of de definitieve toekenning een wijziging, herziening of een vervanging is van een eerdere definitieve toekenning maakt het voorgaande niet anders. Ook de omstandigheid dat de rechtbank Rotterdam mogelijk anders heeft geoordeeld, maakt het voorgaande niet anders. Het standpunt van verweerder faalt.

Bepaling dwangsom

15. Niet ter discussie staat dat eiser op 15 juni 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de zorgtoeslag op € 0, hij verweerder op 28 november 2016 in gebreke heeft gesteld, dat verweerder eerst op 10 januari 2017 een beslissing op bezwaar heeft genomen en uiteindelijk de zorgtoeslag definitief heeft berekend op € 1.031.

16. De periode dat verweerder in gebreke is geweest, is niet in geschil. Dat is namelijk van 28 november 2016 tot 10 januari 2017 en afgerond zeven weken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verbeurde dwangsom dient te worden vastgesteld op € 70 (7 x €10).

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5 (licht) ).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 januari 2017 voor zover het ziet op de dwangsom;

- stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 70;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 250,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.