Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10024

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
C/15/276813 / KG ZA 18-570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding aanbesteding Sociale Wijkteams. Vordering afgewezen. Geen sprake van gewijzigde eisen ten opzichte van de stukken waarop inschrijvende partijen hun offerte dienden te baseren. Eisen slechts verduidelijkt. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat Leiser de aanbesteding heeft verloren omdat zij zich voornamelijk heeft ingeschreven op percelen waarop zij nu al actief was. Gelet op de scores die de diverse partijen hebben geboekt is het veeleer aannemelijk dat zij de aanbesteding heeft verloren omdat zij de kracht van de concurrentie heeft onderschat. Overige klachten afgewezen omdat Van een inschrijvende partij mag worden verwacht dat zij zich proactief opstelt en dat bezwaren in een zo vroeg mogelijk stadium kenbaar worden gemaakt bij de aanbestedende dienst. Door klacht eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, is aan voornoemde eisen niet voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/276813 / KG ZA 18-570

Vonnis in kort geding van 2 oktober 2018

in de zaak van

de stichting

STICHTING LEVIAAN,

gevestigd te Purmerend,

eiseres,

advocaat mr. M.H.T. Kleijn-Coumans te Tiel,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZAANSTAD,

zetelend te Zaandam,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Houtkooper te Haarlem.

en

de stichting

STICHTING MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING ZAANSTREEK/WATERLAND,

gevestigd te Zaandam,

eiseres in het incident tot tussenkomst/voeging

advocaat mr. Tj.P. Grünbauer te Ede

Partijen zullen hierna Leviaan, de gemeente en SMDZW genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord van de gemeente

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van SMDZW

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Leviaan

  • -

    de pleitnota van de gemeente

  • -

    de pleitnota van SMDZW.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Leviaan is een GGZ zorgaanbieder in de regio Zaanstad, Purmerend, Hoorn en Enkhuizen. Zij biedt deze zorg thans samen met Leger des Heils en Odion en hebben daarbij de regie over drie wijkteams binnen de gemeente Zaanstad.

2.2.

Op 23 januari 2018 heeft de gemeente een aankondiging gepubliceerd voor de Europese aanbesteding Sociale Wijkteams. De inhoud van de aankondiging is nadien nog enkele malen gewijzigd. Op 4 april 2018 is de aanbesteding gepubliceerd op Commerce-Hub.

2.3.

In de B&W besluitnota van 10 oktober 2017 is voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘(…)
Vanwege de gewenste continuïteit van de dienstverlening en van de ingezette doorontwikkelopgaven is het uitgangspunt om enkel de huidige hoofdaannemers toe te laten tot de aanbestedingsprocedure. De huidige hoofdaannemers concurreren vervolgens met elkaar om wijken toegewezen te krijgen. Het is daarmee mogelijk dat een hoofdaannemer niet actief blijft in de huidige wijk, maar dat een ander dat wijkteam gaat aanbieden. Bij de keuze voor een (nieuwe) hoofdaannemer zal ook specifiek gekeken worden naar de continuïteit van de dienstverlening zodat de inwoners van de wijk niet onnodig last hebben van een wijziging van de wacht. Bij de wettelijk verplichte vooraankondiging bestaat de kans dat ook andere leveranciers dan de huidige hoofdaannemers zich melden. Deze derden hoeven alleen toegelaten te worden tot de aanbesteding als ze kunnen laten zien dat ze een gelijkwaardig aanbod als de huidige hoofdaannemers kunnen aanbieden. Wegens de mogelijkheid om hierbij te kijken naar gewenste continuïteit van dienstverlening en de doorontwikkeling, is de kans dat zij zich met een gelijkwaardig aanbod melden minimaal.

Risico: Een mogelijk risico bij aanbesteden is dat er veranderingen plaatsvinden in welke hoofdaanbieder welke wijk bedient. Hierdoor kunnen de netwerken tussen het wijkteam en de wijk verdwijnen. Dit risico wordt verminderd door in de aanbestedingsdocumenten oa. in te zetten op continuïteit van dienstverlening, waarbij mede gekeken wordt naar het in te zetten personeel, met als uitgangspunt ‘dezelfde gezichten in de wijk’ (…)’

2.4.

In het besluit van de Gemeenteraad van 30 november 2017 is het volgende vermeld:

‘(…)
De gemeente streeft naar een zo groot mogelijke continuïteit in ondersteuning, in de doorontwikkeling en in de werkgelegenheid in de Sociale Wijkteams, en hanteert dit als belangrijk onderdeel bij de beoordeling van de uit te brengen offertes in het kader van de opdrachtverlening.

(…)

De opdrachtverlening verloopt volgens een Europese aanbestedingsprocedure, waardoor de kans bestaat dat ook andere organisaties dan de huidige zich melden. Andere partijen kunnen alleen gebaseerd op objectieve criteria uitgesloten worden van deelname. (…)Het is echter niet volledig uitgesloten dat een nieuwe aanbieder een cluster gegund krijgt.

(…)
De verbeteringen en ontwikkeling die binnen de huidige contracten worden ingezet zullen doorlopen in 2018. Het is zeker niet de bedoeling dat die dynamiek stil komt te liggen.
(…)
In de gunningscriteria zal het onderdeel continuïteit echter zwaar wegen.

(…)

De gemeente streeft naar een zo groot mogelijke continuïteit in de ondersteuning doorontwikkeling en in de werkgelegenheid in de sociale wijkteams en hanteert dit als belangrijk onderdeel bij de beoordeling van de uit te brengen offertes (…)’

2.5.

De opdracht is onderverdeeld in zes percelen: West, Noord, Midden-West, Midden-Oost, Zuid en Zuidoost. In de aankondiging staat voor zover van belang het volgende:

‘In verband met het beperken van de administratieve lastendruk willen wij niet te veel aanbieders uitnodigen. Daartoe nodigen wij de huidige aanbieders uit.

(…)
Aanbieders die naast de huidige leveranciers belangstelling hebben voor deze opdracht kunnen dit (…) kenbaar maken.’

2.6.

In de offerteleidraad van 4 april 2018 is voor zover van belang, het volgende te lezen:

‘(…)

4 Selectie

4.1

Algemeen

Selectiecriteria zijn criteria ten aanzien van de inschrijver. Deze criteria worden gebruikt om de toelating van de inschrijver te bepalen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen uitsluitingsgronden, geschiktheidseisen en eisen aan een samenwerkingsverband. Indien een inschrijver niet voldoet aan één of meerdere selectiecriteria leidt dit tot uitsluiting van verdere beoordeling van de inschrijving en leidt automatisch tot het niet gunnen van de opdracht. (…)

(…)

4.3.2.1. Referenties

Bij inschrijving voegt de inschrijver een lijst toe van de voornaamste leveringen of diensten die gedurende de afgelopen drie jaar werden verricht, (…)

Hierbij worden de volgende eisen gesteld:

Met de referenties dient de inschrijver aan te tonen voldoende ervaring te hebben met de kerncompetentie, namelijk:

o Kerncompetentie 1 – Kennis van Zaanstad en de problematiek in de wijk(en). Deze kerncompetentie ziet met name toe op het zelf hebben van kennis en ervaring van (groot)stedelijke problematiek en/of dorpsproblematiek.

o Kerncompetentie 2 – ervaring met het ‘runnen’ van een wijkteam. Deze kerncompetentie ziet met name toe op het zelf aansturing, leidinggeven en organiseren van een wijkteam vergelijkbaar met het Sociaal Wijkteam van de gemeente Zaanstad.

o (…)

De referenties behoeven niet naar aard, hoeveelheid of omvang en het doel van de uitgevraagde opdracht exact gelijk te zijn, maar wel op onderdelen van de opdracht vergelijkbaar, waardoor aangetoond wordt dat de inschrijver voldoende kennis en ervaring heeft op dit gebied.
(…)’

2.7.

In de 1e Nota van Inlichtingen staat onder meer het volgende opgenomen:

‘(…)

58 (…) Bij kerncompetentie 1 – Kennis van Zaanstad en de problematiek in de wijk(en) impliceert de eerste zin dat er reeds ervaring moet zijn met de problematiek in de wijken in Zaanstad. Wij gaan er vanuit dat de tweede zin de eerste zin ontkracht en aanduid dat er geen ervaring wordt aangetoond in Zaanstad zelf maar de problematiek die speelt in (groot)stedelijke en/of dorpsproblematiek. Klopt deze interpretatie?

Antwoord: Het is correct dat het gaat om kennis van Zaanstad en ervaring met grootstedelijke en dorpsproblematiek.’

(…)

95 4.3.2.1. (…) Mogen de referenties ook buiten de gemeentegrenzen van Zaanstad plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.

Antwoord: Ja

96 4.3.2.1 (…) Er wordt geschreven ‘De referenties behoeven niet naar aard, hoeveelheid of omvang en het doel van de uitgevraagde opdracht exact gelijk te zijn, maar wel op onderdelen van de opdracht vergelijkbaar, waardoor aangetoond wordt dat de inschrijver voldoende kennis en ervaring heeft op dit gebied.’ Welke opdracht wordt hier bedoeld?

Antwoord: Met de uitgevraagde opdracht wordt de opdracht van de Sociale Wijkteams in Zaanstad bedoeld. Uw referentieopdracht dient vergelijkbaar te zijn met de opdracht van de Sociale Wijkteams in Zaanstad.

2.8.

In de 2e Nota van Inlichtingen staat onder meer het volgende opgenomen:

‘(…)

22 Vraag 28
Antwoord: paragraaf 4.3.2.1. offerteleidraad geeft aan dat: De referenties niet naar aard, hoeveelheid of omvang en het doel van de uitgevraagde opdracht exact gelijk te zijn, maar wel op onderdelen van de opdracht vergelijkbaar, waardoor aangetoond wordt dat de inschrijver voldoende kennis en ervaring heeft op dit gebied.

(…)

28. Vraag 58 U onderschrijft in uw antwoord enerzijds dat onze interpretatie correct is, anderzijds geeft u aan dat het gaat om kennis van Zaanstad. Door die laatste opmerking zijn we nog niet helemaal zeker of we het goed begrijpen, daarom een aanvullende vraag. Wij zijn op dit moment niet actief in Zaanstad en kunnen de gemeente Zaanstad dus ook niet opvoeren als referent. Wel kunnen we met onze referenties aantonen dat wij in vergelijkbare plaatsen actief zijn en kennis en ervaring hebben met vergelijkbare (groot) stedelijke en/of dorpsproblematiek. Kunnen we op die manier voldoen aan de referentie eis bij kerncompetentie 1?

Antwoord: Ja’

2.9.

Leviaan heeft zich met Leger des Heils en Odion ingeschreven voor de percelen Noord, Midden-West en Midden-Oost.

2.10.

Bij brief van 5 juli 2018 heeft de gemeente aan Leviaan bericht dat de opdracht ten aanzien van de percelen Noord en Midden-Oost niet aan haar worden gegund maar aan Incluzio. Het perceel Midden-West is blijkens de brief van de gemeente aan SMDZW gegund.

2.11.

Op 11 juli 2018 heeft de gemeente via Commerce-Hub aan Leviaan bericht:

‘In deze procedure zijn vragen over de zwaarte van de referenties gesteld. Deze vragen hebben geleid tot een aanpassing van de referentie-eisen waarbij we de minimale omvang van de referenties hebben teruggebracht van 50% van de totale omvang van de opdracht naar 25%. Daarnaast is kerncompetentie 1 genuanceerd. De gemeente keurt de referentie ook goed indien aanbieders buiten de gemeente Zaanstad ervaring en kennis hebben van (groot)stedelijke problematiek en/of dorpsproblematiek.’

3 Het geschil

3.1.

Leviaan vordert ‘bij wege van voorlopige voorziening, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

- de gemeente Zaanstad te gebieden het voornemen tot gunning van de opdracht ‘Sociale Wijkteams 2019’ binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis in te trekken;

- de gemeente Zaanstad te gebieden de aanbestedingsprocedure te staken en de opdracht opnieuw aan te besteden, voor zover de gemeente nog tot gunning wenst over te gaan;

Subsidiair

- de gemeente Zaanstad te gebieden het voornemen tot gunning van de opdracht ‘Sociale Wijkteams 2019’ binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis in te trekken;

- de gemeente Zaanstad te verbiedenn de opdracht ‘Sociale Wijkteams 2019’ voor de percelen Midden-Oost en Noord aan Incluzio B.V. te gunnen;

- de gemeente Zaanstad te gebieden de inschrijvingen met inachtneming van de overwegingen met het in deze procedure te wijzen vonnis opnieuw te beoordelen en daarvoor een nieuwe, onafhankelijke commissie in te stellen en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen en daarbij opnieuw een opschortende termijn van (20) twintig in acht te nemen alvorens tot definitieve gunning over te gaan;

Meer subsidiair:

- de gemeente Zaanstad te gebieden het voornemen tot gunning van de opdracht ‘Sociale Wijkteams 2019’ binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis in te trekken;

- de gemeente Zaanstad te verbieden de opdracht ‘Sociale Wijkteams 2019’ voor de percelen Midden-Oost, Midden-West en Noord aan Incluzio B.V. te gunnen;

Uiterst subsidiair:

- iedere voorziening treft die de voorzieningenrechter passend acht en die recht doet aan de belangen van Leviaan;

Primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en uiterst subsidiair:

- te bepalen dat de gemeente Zaanstad aan Leviaan een dwangsom verbeurt van € 250.000,- voor iedere overtreding van de veroordeling;

- de gemeente Zaanstad te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder nakosten, ten bedrage van € 131,- aan advocaatkosten en, indien niet vrijwillig aan de veroordeling wordt voldaan en betekening van het vonnis noodzakelijk is, € 68,- aan advocaatkosten en de daadwerkelijke kosten van betekening.’

3.2.

De gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering tot tussenkomst / voeging van SMDZW– waartegen Leviaan en de gemeente geen bezwaar hebben gemaakt – is ter zitting toegewezen in die zin dat het SMDZW is toegestaan zich in deze procedure te voegen aan de zijde van de gemeente. Die beslissing is gegrond op de overweging dat SMDZW ontegenzeggelijk belang heeft bij voeging om benadeling van haar eigen rechten en rechtspositie te voorkomen. Voorts is overwogen dat het kort geding ten gevolge van de voeging niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt. De vordering tot tussenkomst is afgewezen nu SDMZW geen zelfstandig vorderingsrecht pretendeert tegen een van de procederende partijen. In dit geval is (materieel) sprake van (een wens tot) voeging, niet van (een wens tot) tussenkomst.

Uit de processuele houding van SMDZW blijkt duidelijk dat zij hetzelfde voorstaat als de gemeente, namelijk afwijzing van de vorderingen van Leviaan. Een gevoegde partij heeft overigens het recht om zelfstandig in hoger beroep te komen van de uitspraak (HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549).

4.2.

Leviaan legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de gemeente de eisen aan partijen om toegelaten te worden tot de aanbestedingsprocedure heeft gewijzigd in die zin dat de eisen zijn verlicht. Onder verwijzing naar het ‘Max Havelaar’-arrest, HvJ 10 mei 2012-C368/10, heeft Leviaan gesteld dat de gemeente daarmee in strijd met de regels van het aanbestedingsrecht heeft gehandeld. Ter toelichting voert Leviaan het volgende aan.

4.3.

Uit de offerteleidraad, onderdeel 4.3.2.1., volgt dat potentiële inschrijvers referenties moeten kunnen overleggen waarmee aangetoond kan worden dat voldoende ervaring bestaat met de aldaar genoemde kerncompetenties. Bij Kerncompetentie 1 staat: Kennis van Zaanstad en de problematiek in de wijk(en). Deze kerncompetentie ziet met name toe op het zelf hebben van kennis en ervaring van (groot)stedelijke problematiek en/of dorpsproblematiek. Aan deze referentie-eis wordt volgens Leviaan alleen voldaan indien een aanbieder bekend is binnen Zaanstad en het huidige aanbod en de huidige zorg eenvoudig kan overnemen. Zo’n partij kent de ketenpartners en is bekend met de mensen die gebruik maken van de sociale wijkteams. In de eerste Nota van Inlichtingen is ter verduidelijking opgenomen dat het hier gaat om kennis van Zaanstad én ervaring met grootstedelijke en dorpsproblematiek. Echter, in de 2e Nota van Inlichtingen wijzigt de gemeente deze referentie-eis. Niet langer is vereist dat een partij die aan de aanbesteding wenst deel te nemen bekend is binnen Zaanstad, voldoende is dat er kennis bestaat en ervaring aanwezig is met vergelijkbare (groot)stedelijke en/of dorpsproblematiek. Waar aanvankelijk de eis werd gesteld dat een inschrijver kennis had van Zaanstad én grootstedelijke problematiek én dorpsproblematiek, is het na de 2e Nota van Inlichtingen al voldoende dat een partij kennis heeft van Zaanstad, of bekend is met grootstedelijke problematiek of met dorpsproblematiek.

Leviaan stelt dat het de gemeente niet vrij stond de referentie-eis aldus te wijzigen. Dat betekent, aldus Leviaan, dat Incluzio, die volgens Leviaan niet actief is binnen Zaanstad, ten onrechte tot de aanbesteding is toegelaten.
Voorts heeft Leviaan aangevoerd dat het in de 1e Nota van Inlichtingen gegeven antwoord ‘Uw referentieopdracht dient vergelijkbaar te zijn met opdracht van de Sociale Wijkteams in Zaanstad.’ niet duidelijk is.

4.4.

De gemeente betwist dat de referentie-eis is gewijzigd. Zij heeft erop gewezen dat al in de aankondiging van de aanbestedingsprocedure staat vermeld dat andere aanbieders dan de huidige hun belangstelling kenbaar konden maken. Daarnaast heeft de gemeente erop gewezen dat zij twee nieuwe aanbieders had geselecteerd om deel te kunnen nemen aan de aanbesteding reeds vóór de offerteleidraad werd gepubliceerd, zodat ook om die reden van een wijziging van de referentie-eis geen sprake is geweest. Wel is de referentie-eis verduidelijkt. Om aan de referentie-eis te kunnen voldoen dient een inschrijver kennis te hebben van en ervaring te hebben met (groot)stedelijke problematiek en/of dorpsproblematiek. Het gaat daarbij om de problematiek zoals deze ook in de gemeente Zaanstad de kop opsteekt. Nergens in de aanbestedingsstukken is te lezen dat deze ervaring uitsluitend binnen de grenzen van de gemeente Zaanstad moet zijn opgedaan. Daar komt bij dat voor zover er al onduidelijkheden bestonden over Kerncompetentie 1 bij de referentie-eis, deze naar aanleiding van vragen van inschrijvers bij de 2e Nota van Inlichtingen zijn geëlimineerd.

De gemeente heeft voorts, onder verwijzing naar het Grossmann-arrest, HvJ EG 12 februari 2004, zaak C-230/02, als verweer aangevoerd dat als Leviaan tegen die invulling bezwaren had en meende dat daarmee de referentie-eis werd gewijzigd, zij daar eerder over had moeten klagen.

4.5.

Ook SMDZW heeft zich op het standpunt gesteld dat de klachten van Leviaan tardief zijn. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de regel dat in de Nota van Inlichtingen geen wijzigingen in de aanbestedingsstukken mogen worden doorgevoerd er toe strekt te waarborgen dat marktpartijen die op basis van de inschrijvingsleidraad de afweging hebben gemaakt om niet aan de aanbesteding deel te nemen niet op het verkeerde been worden gezet. Leviaan heeft echter ingeschreven. Zij is aldus door de door de gemeente omschreven verduidelijking niet geschaad in een belang dat het door haar ingeroepen verbod van wijziging beoogt te beschermen.

Tenslotte heeft SMDZW erop gewezen dat de door de gemeente voorgestane continuïteit in juridische zin geen basis biedt voor Leviaan om te klagen.

4.6.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de gemeente de in de offerteleidraad geformuleerde referentie-eis en meer bepaald de eis zoals verwoord bij Kenrcompetentie 1 heeft gewijzigd. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Vertrekpunt bij de motivering van dat antwoord is de vaststelling dat de in de offerteleidraad opgenomen passage

Kennis van Zaanstad en de problematiek in de wijk(en). Deze kerncompetentie ziet met name toe op het zelf hebben van kennis en ervaring van (groot)stedelijke problematiek en/of dorpsproblematiek.’

aan duidelijkheid te wensen over liet. Dat wordt afdoende geïllustreerd door de vragen die hierover zijn gesteld, als weergegeven in de Nota’s van Inlichtingen.

Met de komst, vervolgens, van de 1e Nota van Inlichtingen is die onduidelijkheid niet geheel weggenomen. Uit het antwoord op vraag 58 in die Nota lijkt immers te volgen dat inschrijvers kennis en ervaring van Zaanstad moeten hebben en daarnaast ook kennis en ervaring met (groot)stedelijke problematiek en dorpsproblematiek.

Het antwoord op vraag 96 in dezelfde Nota van Inlichtingen:

Uw referentieopdracht dient vergelijkbaar te zijn met opdracht van de Sociale Wijkteams in Zaanstad.’

lijkt er echter op te wijzen dat kennis en ervaring met de gemeente Zaanstad niet vereist is.

Dat de eis in deze laatste zin moet worden opgevat blijk vervolgens uit het de 2e Nota van Inlichtingen, waarin de gemeente de vraag:

Wij zijn op dit moment niet actief in Zaanstad en kunnen de gemeente Zaanstad dus ook niet opvoeren als referent. Wel kunnen we met onze referenties aantonen dat wij in vergelijkbare plaatsen actief zijn en kennis en ervaring hebben met vergelijkbare (groot) stedelijke en/of dorpsproblematiek. Kunnen we op die manier voldoen aan de referentie eis bij kerncompetentie 1?

bevestigend beantwoordt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon na de 2e Nota van Inlichtingen niet langer onduidelijkheid bestaan over de inhoud en betekenis van de gewraakte referentie-eis. Daarmee heeft de gemeente, anders dan Leviaan meent, de referentie-eis niet gewijzigd, maar verduidelijkt.

4.7.

Leviaan heeft er ook op grond van de aanvankelijk gebruikte formulering niet op kunnen vertrouwen dat de kans dat van anderen dan zittende inschrijvers reële concurrentie was te duchten, te verwaarlozen was. De gemeente heeft er terecht op gewezen dat reeds in de vooraankondiging van de aanbesteding is aangegeven dat andere partijen dan de huidige aanbieders hun interesse duidelijk konden maken. Weliswaar was het een politiek gegeven dat in kringen van de Gemeenteraad een zo groot mogelijke continuïteit van het aanbod wenselijk werd geacht, maar daarbij werd, ook voor Leviaan kenbaar, onderkend dat wenselijkheid en werkelijkheid uiteen konden lopen. Zo staat in het besluit van de gemeenteraad expliciet verwoord: ‘Het is echter niet volledig uitgesloten dat een nieuwe aanbieder een cluster gegund krijgt.’

Leviaan had als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver dan ook moeten begrijpen dat andere partijen dan de huidige aanbieders, ook partijen die op ervaring gebaseerde kennis van problematiek opgedaan binnen Zaanstad ontbeerden, konden inschrijven.

In dit verband verdient nog opmerking dat Leviaan weliswaar bij herhaling stelt dat Incluzio niet over de vereiste kennis van de problematiek in de gemeente Zaanstad beschikt en dat de gemeente dit heeft bevestigd, maar Leviaan dit op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Sterker nog, de gemeente heeft ter zitting gesteld dat Incluzio heeft ingeschreven met een partij die juist wel actief is binnen Zaanstad.

4.8.

Voor zover Leviaan erover klaagt dat zij zich, met de kennis van nu, op meer dan één ander perceel zou hebben ingeschreven dan de percelen waarop zij nu al actief was en in haar offerte minder bekend had verondersteld, kan dat ook niet tot interventie door de voorzieningenrechter leiden. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat Leviaan de aanbesteding heeft verloren omdat zij zich voornamelijk heeft ingeschreven op percelen waarop zij nu al actief was. Gelet op de scores die de diverse partijen hebben geboekt is het veeleer aannemelijk dat zij de aanbesteding heeft verloren omdat zij de kracht van de concurrentie heeft onderschat. Dat zou kunnen komen doordat zij op grond van de sub 2.3 en 2.4 geciteerde uitlatingen -en dus te lichtvaardig- heeft aangenomen dat voor kwantitatieve of kwalitatieve concurrentiekracht van nieuwkomers niet behoefde te worden gevreesd, maar kan moeilijk worden toegeschreven aan de wijze waarop de gemeente met de onderhavige inschrijvingseis is omgegaan.

4.9.

Leviaan heeft zich ter zitting nog opgemerkt dat de gemeente met gebruik van de omschrijving “vergelijkbare plaatsen” in de hiervoor aangehaalde passage in de tweede nota van inlichtingen een onduidelijke eis heeft gesteld. Volgens Leviaan is absoluut niet duidelijk is wat hieronder moet worden verstaan.

Die klacht faalt ook. Van een inschrijvende partij mag worden verwacht dat zij zich proactief opstelt en dat bezwaren in een zo vroeg mogelijk stadium kenbaar worden gemaakt bij de aanbestedende dienst. Aangezien Leviaan deze klacht eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, is aan voornoemde eisen niet voldaan.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Leviaan voor afwijzing gereed liggen. Leviaan zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente en SMDZW worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.442,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Leviaan in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.442,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Leviaan in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de gemeente, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

veroordeelt Leviaan in de proceskosten, aan de zijde van SMDZW tot op heden begroot op € 1.442,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt Leviaan in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van SMDZW, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk op 2 oktober 2018.1

1 Conc.: