Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:9936

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 915
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering WW, ZW en WIA. Inkomsten uit werkzaamheden. Inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/915

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Heijnen),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2016 (besluit 1) heeft verweerder aan eiseres te kennen gegeven dat haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 26 augustus 2015 wordt ingetrokken, omdat het recht niet kan worden vastgesteld. De over de periode van 26 augustus 2015 tot en met 31 mei 2016 verstrekte WIA-uitkering van in totaal € 12.118,47 wordt van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 22 juli 2016 (besluit 2) heeft verweerder aan eiseres te kennen gegeven dat zij vanaf 27 november 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij bij aanvang van haar uitkering niet verzekerd was voor de ZW. De over de periode 25 november 2013 tot en met 30 augustus 2015 verstrekte ZW-uitkering van in totaal € 52.431,29 wordt van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 25 juli 2016 (besluit 3) heeft verweerder aan eiseres te kennen gegeven dat haar uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van
31 december 2012 wordt herzien, omdat zij haar werkzaamheden voor GMA Personeelsdienstverlening (GMA) niet heeft gemeld aan verweerder. De over de periode van 31 december 2012 tot en met 1 december 2013 verstrekte WW-uitkering van in totaal

€ 26.549,45 wordt van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 4 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard, onder wijziging van de motivering van de besluiten 1 en 3 in die zin dat de WW-uitkering per 1 januari 2013 wordt ingetrokken en dat eiseres vanaf 26 augustus 2015 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij niet voor de WIA verzekerd was.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres was sinds 1 oktober 2007 werkzaam voor G&A Personeelsdienstverlening als intercedente. Met ingang van 1 januari 2013 heeft zij een WW-uitkering aangevraagd, die aan haar is toegekend.

1.2.

Op 28 augustus 2013 heeft eiseres zich ziekgemeld. Vanaf 27 november 2013 ontving zij een uitkering op grond van de ZW.

1.3.

Op 21 mei 2015 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van
30 juli 2015 is aan eiseres met ingang van 26 augustus 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend, waarbij zij 44,81% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.4.

Naar aanleiding van een melding bij de arbeidsinspectie over onderbetaling door GMA is door het Interventieteam Aanpak Malafide Uitzendbureaus, een samenwerkingsverband tussen de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Belastingdienst, UWV en de Politie, een onderzoek verricht. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat eiseres, naast haar WW en ZW-uitkering, ook werkzaam was bij GMA. Op 26 februari 2016, 27 oktober 2016 en

8 november 2016 heeft de themaonderzoeker van UWV, directie Handhaving, rapportages opgesteld.

1.5.

Op basis van deze rapportages heeft verweerder besloten zoals weergegeven onder procesverloop.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat voldoende is komen vast te staan dat eiseres vanaf 1 januari 2013 werkzaamheden heeft verricht voor GMA, die in het economische verkeer een bepaalde waarde vertegenwoordigen. Ter onderbouwing heeft verweerder verwezen naar de onder 1.4 genoemde rapportages en meer in het bijzonder naar de verklaring van de eigenaar (G) van GMA van 22 juni 2015, die heeft verklaard dat eiseres de onderneming leidt en dat hij niets te maken heeft met GMA. Verder is verwezen naar verklaringen van diverse klanten van GMA (inleners), de boekhouder van GMA en twee werknemers van GMA, waaruit is gebleken dat eiseres contactpersoon was voor GMA en diverse activiteiten heeft verricht. Eiseres heeft ook niet ontkend dat zij activiteiten heeft verricht voor GMA. Eiseres heeft deze werkzaamheden niet gemeld, zodat de inlichtingenverplichting is geschonden. Vanwege de schending van deze verplichting kan het recht op een WW-uitkering niet worden vastgesteld. Ook niet schattenderwijs. Verweerder acht de door eiseres geschatte urenomvang van 3,5 uren per week aan werkzaamheden niet aannemelijk, nu is gebleken dat eiseres de dagelijkse leiding had binnen GMA. Daarom heeft verweerder de WW-uitkering ingetrokken. Daarmee is ook de grondslag voor de ZW-uitkering komen te vervallen. Omdat eiseres geen werknemer is in de zin van de ZW, is zij ook geen werknemer in de zin van de WIA, zodat zij evenmin recht had op een WIA-uitkering. De ten onrechte verstrekte bedragen op grond van de WW, ZW en WIA zijn van eiseres teruggevorderd.
3. Eiseres heeft op hierna te bespreken gronden beroep ingesteld. Haar beroep strekt ertoe dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat wordt vastgesteld dat zij nog altijd recht heeft op WW, zodat zij ook verzekerd is voor de ZW en de WIA. Volgens eiseres kan een schatting worden gemaakt van haar activiteiten voor GMA.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de WW-uitkering

5.1.

Eiseres heeft in beroep allereerst aangevoerd dat verweerder met primair besluit 3 haar WW-uitkering heeft herzien en op nihil heeft gesteld, maar dat haar WW-recht wel is blijven bestaan. Omdat verweerder met het bestreden besluit, besluit 3 niet heeft ingetrokken, is volgens eiseres nog altijd sprake van een herziening van de WW naar een lager bedrag en is geen sprake van een intrekking van het WW-recht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft met het bestreden besluit onmiskenbaar besloten dat de WW-uitkering van eiseres wordt ingetrokken per 1 januari 2013, omdat niet kan worden vastgesteld of er recht op een WW-uitkering bestond. Dit staat ook met zoveel woorden in het bestreden besluit. Dat niet tevens is vermeld dat primair besluit 3, waarin wordt gesproken over herziening, wordt ingetrokken, maakt dit niet anders.

5.2.

Eiseres heeft zich in beroep verder op het standpunt gesteld dat zij slechts vanuit een vriendschappelijke relatie, op vrijwillige basis advies en praktische ondersteuning heeft gegeven aan de eigenaar van GMA, zodat verweerder ten onrechte aanneemt dat zij de dagelijkse leiding had bij GMA. Eiseres wordt in dit standpunt niet gevolgd. Verweerder heeft met de onder 1.4 genoemde rapportages voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres vanaf 1 januari 2013 werkzaamheden heeft verricht voor GMA, die verder gaan dan op vriendschappelijke basis advies geven. Uit de verklaring van G op 22 juni 2015 tegenover de arbeidsinspecteur blijkt dat hij heeft verklaard dat hij niets wist van de onderneming GMA en dat deze wordt gerund door eiseres. Dat G later schriftelijk is teruggekomen van deze verklaring, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Te meer, omdat ook uit de overige onderzoeksresultaten naar voren komt dat eiseres een grote rol had bij GMA. Zo kenden de inleners, de boekhouder en de werknemers alleen eiseres als contactpersoon van GMA. Verder was eiseres gemachtigd voor de zakelijke bankrekening van GMA en had zij een eigen bankpas. Uit de bankafschriften van de privérekening van eiseres blijkt dat er transacties zijn verricht die verband hielden met GMA. Ook werd regelmatig gepind van de zakelijke rekening van GMA met de bankpas van eiseres, waarna kort daarna een contante storting plaatsvond op de privérekening van eiseres. Verder werd er wekelijks benzine getankt, waarbij werd betaald van de zakelijke rekening van GMA met de bankpas van eiseres. Ten slotte heeft eiseres ook niet ontkend dat zij werkzaamheden voor GMA heeft verricht.

5.3.

Nu deze activiteiten onmiskenbaar van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering en eiseres hiervan geen melding heeft gedaan aan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Het is dan, op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van
9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2797), aan eiseres om met concrete en verifieerbare gegevens te onderbouwen welke werkzaamheden zij heeft verricht, als ook de omvang van deze werkzaamheden en de inkomsten die zij daarvoor heeft ontvangen. Eiseres heeft zelf geen administratie bijgehouden van de werkzaamheden, waaruit haar tijdsbeslag en haar verdiensten blijken. De door haar niet onderbouwde schatting van het tijdsbeslag van 3,5 uur per week kan niet als een dergelijke controleerbare en verifieerbare administratie worden beschouwd. Nu eiseres zelf heeft nagelaten een administratie bij te houden, moeten de gevolgen hiervan voor haar rekening en risico blijven. Haar standpunt dat het aan verweerder was om de administratie van GMA op te vragen om haar schatting te controleren, wordt niet gevolgd. Het is onder de gegeven omstandigheden aan eiseres om haar schatting verifieerbaar te onderbouwen. Niet is gebleken overigens dat eiseres zelf heeft geprobeerd de administratie van GMA op te vragen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht, het recht op WW niet kan worden vastgesteld. Op grond van de artikelen 25 en 22a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 36 van de WW was verweerder dan ook gehouden de WW-uitkering van eiseres in te trekken en terug te vorderen.

Ten aanzien van de ZW-uitkering

6.1.

Als gevolg van het intrekken van de WW-uitkering wordt eiseres op grond van
artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW niet als werknemer beschouwd in de zin van deze wet en was zij op grond van de ZW niet verzekerd. Verweerder heeft dan ook op juiste gronden de ZW-uitkering van eiseres ingetrokken. Haar standpunt dat de ZW-uitkering alleen is herzien naar een lagere uitkering (nihil), maar dat het recht op zichzelf is blijven bestaan, wordt niet gevolgd. Uit het bestreden besluit blijkt onmiskenbaar dat eiseres niet verzekerd was voor de ZW, omdat haar WW-uitkering is ingetrokken, zodat zij ook geen recht had op een ZW-uitkering en deze per 27 november 2013 is ingetrokken. Dat in besluit 2 wordt gesproken over herziening, maakt dit niet anders.

6.2.

Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW was verweerder verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.

Ten aanzien van de WIA-uitkering

7.1.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WIA in verbinding met artikel 7 van de ZW kan eiseres evenmin als werknemer worden beschouwd in de zin van de WIA met als gevolg dat zij ook niet voor de WIA was verzekerd. Verweerder heeft dan ook terecht het recht op een uitkering op grond van de WIA ingetrokken.

7.2.

Op grond van artikel 77, eerste lid, van de WIA was verweerder verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.

8. Het vorenstaande betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, voorzitter, mr. E.G. van Roest en

mr. A.T.B. de Vries, leden, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.