Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:988

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
C/15/253119 / JU RK 16-2296
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek in het kader van geschillenregeling: gelegenheid voor het opstellen van een familiegroepsplan.

Advocaat stelt dat ouders alsnog gebruik willen maken van de gelegenheid tot het opstellen van een familiegroepsplan; in afwachting van dit plan verzetten de ouders zich tegen de verplaatsing van de minderjarige naar een perspectief biedende plek en tegen het verminderen van de omgang tussen de minderjarige en de ouders.

De kinderrechter overweegt dat het instrument van het familiegroepsplan vooral gericht is op het bieden van de gelegenheid aan de ouders en het netwerk om de problemen op te lossen in eigen kring in een prille fase waarin de opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd. Dit instrument lijkt een belangrijk middel om dreigende uithuisplaatsing af te wenden. In het voorliggende geval is hier geen sprake van en hij wijst het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/33.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

zaakgegevens : C/15/253119 / JU RK 16-2296, C/15/254184 / JU RK 17/117 en C/15/254185 / JU RK 17/118.

datum uitspraak: 8 februari 2017

beschikking vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing, toestemming wijzing verblijfplaats minderjarige en geschil in het kader van de ondertoezichtstelling,


in de zaak betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

van:

[moeder] , moeder van de minderjarige,

en

[vader] , vader van de minderjarige,

hierna te noemen de ouders, beiden wonende te [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling De Jeugd -en Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Alkmaar.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing, met bijlagen, van de ouders van 22 december 2016, ingekomen bij de griffie op 23 december 2016 en bij de rechtbank ingeboekt onder rekestnummer C/15/253119 / JU RK 16-2296;

- de in voornoemd verzoekschrift opgenomen zelfstandige verzoeken tot toestemming wijziging verblijfplaats van de minderjarige, bij de rechtbank ingeboekt onder rekestnummer C/15/254184 / JU RK 17/117 en tevens het verzoek in het kader van een geschil in de uitvoering van de ondertoezichtstelling, bij de rechtbank ingeboekt onder rekestnummer C/15/254185 / JU RK 17/118.

1.2

Op 18 januari 2017 heeft de kinderrechter de zaak, gelijktijdig met de zaak met rekestnummer C/15/252907 / JU RK 16-2260, ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de ouders, bijgestaan door mr. M.M. Haverkort,

- [naam] , namens de GI.

2 De feiten

2.1

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2

Bij beschikking van 18 februari 2016 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 februari 2017. De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een MTFC-P gezin van [naam] , voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.3

De GI heeft op 8 december 2016 de ouders een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende de vaststelling van een bezoekregeling met [minderjarige] .

3 De verzoeken

3.1

De ouders hebben verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren. Mr. Haverkort heeft namens de ouders in het verzoek aangegeven dat de beslissing ten aanzien van de omgang genomen is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, alsmede dat de jeugdbeschermer haar beslissing niet althans onvoldoende heeft gemotiveerd. Ouders achten hierbij van belang dat de jeugdbeschermer in haar beslissing een voorschot genomen heeft op een beslissing inzake de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, terwijl het verzoek daartoe nog niet eens aan de rechtbank is voorgelegd. De ouders verzoeken de rechtbank de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en een omgangsregeling te bepalen van minimaal eenmaal in de twee weken voor een periode van twee uur, in ieder geval voor de duur van de periode tot er is beslist op de verzochte verlenging.

3.2

Daarbij verzoeken de ouders de kinderrechter om in het kader van de in artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde geschillenregeling voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, te bepalen dat de ouders in de gelegenheid moeten worden gesteld om een familiegroepsplan-bespreking te organiseren en dat deze gefaciliteerd wordt door de jeugdbeschermer, maar georganiseerd en begeleid wordt door een onafhankelijke derde. Naar de mening van de ouders dienen zij, nu niet aan het criterium zoals gesteld in artikel 4.1.2, derde volzin, van de Jeugdwet is voldaan, in de gelegenheid gesteld te worden om op grond van hetzelfde artikel binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan-bespreking te organiseren.

3.3

Tevens verzoeken de ouders de kinderrechter te bepalen dat [minderjarige] niet verplaatst mag worden vanuit het huidige pleeggezin. De ouders zijn van mening dat een overplaatsing niet binnen de reikwijdte valt van de eerder afgegeven machtiging, welke slechts onderzoek ten doel had met het perspectief op thuisplaatsing.

3.4

Ter zitting heeft mr. Haverkort namens de ouders mondeling toegevoegd dat de beslissing van de GI om geen gehoor te geven aan het verzoek van de ouders tot een familiegroepsplan-bespreking, niet is gemotiveerd. Eerder in het hulpverleningstraject is door de GI wel aan de ouders aangegeven dat voornoemde bespreking zou plaatsvinden. Voor de ouders blijft onduidelijk waarom hen de gelegenheid niet wordt geboden te onderzoeken of met de inzet van het netwerk in de thuissituatie bij de ouders voldoende mogelijkheden gecreëerd kunnen worden om een thuisplaatsing van [minderjarige] mogelijk te maken. Dit maakt dat de ouders niet overtuigd zijn van de noodzaak van de uithuisplaatsing van [minderjarige] , wat een uiterste middel is. In het overleg met het netwerk zou mogelijk kunnen blijken dat andere oplossingen mogelijk zijn en het past in deze situatie niet dat deze stap door de GI, zonder gedegen gronden daarvoor, wordt overgeslagen. In afwachting van het opstellen van dit familiegroepsplan en de mogelijke wijziging van het perspectief van [minderjarige] is voor de ouders belangrijk dat [minderjarige] niet verplaatst wordt naar een perspectiefbiedende woon- en leefsituatie, maar dat hij blijft binnen het gezin waar hij nu geplaatst is. Tevens is van belang dat in afwachting van meer duidelijkheid de omgang tussen [minderjarige] en zijn ouders niet wordt gewijzigd. Onduidelijk is welk doel het verminderen van de omgang tussen de ouders en [minderjarige] dient. Duidelijk is dat [minderjarige] zijn ouders mist en van de omgang met hen geniet. Het feit dat [minderjarige] tijd nodig heeft voor zijn behandeling en therapie mag geen voorrang krijgen op het beschermen van de band tussen [minderjarige] en zijn ouders. De moeder heeft ter zitting aangevuld dat door de GI aan de ouders in een eerder stadium wel een netwerkbespreking is aangeboden. De ouders hebben hier destijds geen gehoor aan gegeven omdat hen niet duidelijk is geweest wat het belang van een dergelijke bespreking in de gang van zaken ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] is.

4 De beoordeling

4.1

In het kader van de hierna te noemen beslissingen en gelet op de verwevenheid van de zaken verwijst de kinderrechter naar hetgeen in de beschikking met rekestnummer C/15/252907 / JU RK 16-2260 ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is overwogen.

De schriftelijke aanwijzing

4.2.1

Op grond van artikel 1:263, eerste lid, van het BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Op grond van artikel 1:264, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

Op grond van artikel 1:265f van het BW kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing. Het wettelijk kader van de schriftelijke aanwijzing is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

4.2.2

De GI heeft op 8 december 2016 aan de ouders een schriftelijke aanwijzing gegeven.

Hierin is het volgende opgenomen:

- de ouders hebben een keer per vier weken bezoek met [minderjarige] , welk bezoek wordt begeleid door [naam] . Tevens is het aan [naam] om de locatie en de tijdsduur te bepalen aan de hand van de voortgang en de ontwikkelingen, te starten met bezoek op kantoor bij [naam] gedurende 1,5 uur.

4.2.3

Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet overeenkomstig de eisen uit de Awb worden voorbereid. Bij de beoordeling van de vraag of de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing de rechterlijke toets kan doorstaan, dient dan ook de vraag beantwoord te worden of dit besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.

4.2.4

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de GI zorgvuldig en uitgebreid gemotiveerd waarom een omgangsregeling is vastgesteld zoals hiervoor is aangegeven. Door de GI is vermeld dat gekeken is naar een juiste balans met betrekking tot de behoefte en de belastbaarheid van [minderjarige] . Gezien het gewijzigde perspectief van [minderjarige] en de hulpverlening gericht op traumaverwerking is de GI van mening dat het in het belang van [minderjarige] is de bezoekregeling te wijzigen.

Nu het perspectief van [minderjarige] niet langer thuisplaatsing bij de ouders is, is door de GI ten aanzien van de omgang tussen [minderjarige] en zijn ouders een omgangsregeling vastgesteld die valt binnen de bandbreedte van het algemene beleid in dergelijke situaties, maar ook met inachtneming van de voor de situatie van [minderjarige] specifiek geldende omstandigheden. Het doel van de omgang in een situatie als die van [minderjarige] is dat hij weet wie zijn ouders zijn en om de band tussen de ouders en kind te behouden. De kinderrechter is van oordeel dat hiervoor een omgangsfrequentie zoals deze door de GI is vastgesteld, passend is.

De kinderrechter neemt bij dit oordeel tevens in overweging dat van belang is dat [minderjarige] de rust en de ruimte krijgt om te kunnen profiteren van de voor hem geadviseerde behandeling en therapie en te wennen aan de rol van zijn ouders als ‘ouders op afstand’.

4.2.5

Gelet op vorenstaande zal de kinderrechter het verzoek van de ouders tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 8 december 2016 afwijzen.

Het verzoek om [minderjarige] niet te verplaatsen

4.3.1

Ten aanzien van het verzoek van de ouders te bepalen dat [minderjarige] niet verplaatst mag worden vanuit het huidige pleeggezin overweegt de kinderrechter als volgt.

4.3.2

In artikel 1: 265i van het BW wordt gesteld dat, indien een minderjarige ten minste een jaar door een ander als de ouders is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin, de GI toestemming van de kinderrechter behoeft voor wijziging in het verblijf van een minderjarige.

4.3.3

De rechtbank stelt vast dat op grond van de wet voor de GI wel, maar voor de ouders geen rechtsingang openstaat om een verzoek te doen zoals zij hebben gedaan.

4.3.4

De kinderrechter zal derhalve de ouders niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.

4.3.5

Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat de termijn voor de toestemming tot overplaatsing voor de GI nog niet aan de orde is, nu [minderjarige] nog geen jaar in het pleeggezin verblijft. Voorts is van belang dat ten aanzien van de mogelijke overplaatsing van [minderjarige] naar een gezinshuis deze toestemming is verleend in de beslissing van de kinderrechter met rekestnummer C/15/252907 / JU RK 16-2260 van 8 februari 2017 op het verzochte in het kader van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin dan wel een gezinshuis. De GI hoeft dus geen afzonderlijk verzoek om toestemming van de kinderrechter in te dienen voor het verplaatsen van [minderjarige] .

Verzoek in het kader van de geschillenregeling: gelegenheid voor het opstellen van een familiegroepsplan

4.4.1

Ten aanzien van het verzoek van de ouders om in het kader van de in artikel 1:262b van het BW neergelegde geschillenregeling in de gelegenheid te worden gesteld om een familiegroepsplan op te stellen, overweegt de kinderrechter als volgt.

4.4.2

Op grond van artikel 1:262b BW kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.

4.4.3.

Op grond van artikel 4.1.2 van de Jeugdwet biedt de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het uitvoeren van artikel 4.1.1 en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als eerste de mogelijkheid om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Het voorgaande is niet van toepassing op de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of die de voogdij uitoefent in het geval dat het gezag van de ouders is beëindigd. Slechts indien de ouders aan de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling te kennen hebben gegeven dat zij geen gebruik wensen te maken van de in de eerste zin bedoelde mogelijkheid, concrete bedreigingen in de ontwikkeling van het kind hiertoe aanleiding geven of de belangen van het kind anderszins geschaad worden, kan de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling hiervan afzien.

4.4.4

De rechtbank overweegt dat artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is ingevoegd bij amendement voor een oorspronkelijk artikel 4.1.1.a van de Jeugdwet (Kamerstukken II, 2013-2014, 33684, nr. 40). De toelichting bij dit amendement luidt als volgt:

“Dit amendement beoogt ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid te geven om (ook in de preventieve fase) voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp mee te denken en te helpen aan een oplossing. Burgers zijn in veel gevallen zeer wel in staat verantwoordelijkheid te nemen voor problemen in eigen familie- of vriendenkring. Sociale samenhang draagt daarnaast bij aan het welzijn van kinderen. Door vormen van hulp van betrokkenen en steun uit directe kring kan bovendien uithuisplaatsing worden afgewend en wordt netwerkpleegzorg bevorderd. Als voorbeeld dient de zogenaamde Eigen Kracht-conferentie waarbij het familie- en vriendennetwerk onder leiding van een onafhankelijk coördinator zelf een plan opstelt en uitvoert. Daarmee komt de regie bij de burger te liggen.

Gebleken is dat de eigenaar van het probleem, samen met eigen mensen, ook de sleutel voor de oplossing in handen heeft. Daarbij kan de kennis en bijstand van jeugdzorgprofessionals worden ingeroepen.

Indien het een machtiging of een voorwaardelijke machtiging betreft biedt de kinderrechter de kans voor het opstellen van een familiegroepsplan.

Indien er een familiegroepsplan wordt opgesteld geldt dit als hulpverleningsplan.”

4.4.5

De kinderrechter leidt uit de tekst van en de toelichting bij artikel 4.1.2 van de Jeugdwet af dat het instrument van het familiegroepsplan vooral gericht is op het bieden van gelegenheid aan de ouders en hun netwerk om de problemen op te lossen in eigen kring (met eventuele ondersteuning) in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd. Dit instrument lijkt een belangrijk middel om dreigende uithuisplaatsing af te wenden door voldoende bijstand en ondersteuning in familieverband op te tuigen.

4.4.6

In dit geval heeft de uithuisplaatsing van [minderjarige] al bijna een jaar geduurd en heeft er in een MTFC-P pleeggezin onder meer observatie plaatsgevonden. In het evaluatieverslag MTFC-P van [naam] van 19 oktober 2016 is aangegeven dat de problematiek en de kwetsbaarheden van [minderjarige] vragen om langdurige ondersteuning en begeleiding. Naar het oordeel van de kinderrechter is uit voornoemde rapportage en de informatie van de GI voldoende gebleken dat de ouders [minderjarige] deze ondersteuning en begeleiding niet kunnen bieden, omdat [minderjarige] vanwege zijn forse kindeigen problematiek en zijn kwetsbaarheden veelal is aangewezen op een professionele opvoedings- en verzorgingssituatie. Niet voor niets heeft de kinderrechter daarom in de beschikking van heden met C/15/252907 / JU RK 16-2260 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met een jaar verlengd.

4.4.7

Uit het gezinsplan blijkt dat de ouders op een eerder moment aan de GI hebben aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. Voorts is gebleken dat gedurende de aanvang van de uithuisplaatsing van [minderjarige] door de GI gewerkt is om de ouders in de gelegenheid te stellen om met het netwerk tot een gezamenlijk plan te komen. Hier is echter niets uitgekomen. Verder blijkt uit de stukken dat de GI het niet aannemelijk acht dat de voor [minderjarige] noodzakelijke ondersteuning en begeleiding in familieverband kan worden georganiseerd, mede gezien het feit dat familieleden op grote afstand van elkaar wonen en de onderlinge relatie kwetsbaar is.

4.4.8

Gelet op de voortgang van het uithuisplaatsingstraject van [minderjarige] , de bij [minderjarige] aanwezige problematiek en de inschatting van de mogelijkheden van het netwerk, is de kinderrechter van oordeel dat GI de ouders in deze fase geen gelegenheid meer hoefde te bieden voor het opstellen van een familiegroepsplan. Naar het oordeel van de kinderrechter vormen de concrete bedreigingen in de ontwikkeling [minderjarige] voor de GI een rechtvaardiging om het verzoek van de ouders tot het opstellen van een familiegroepsplan af te wijzen.

4.4.9

De kinderrechter wijst dit verzoek van de ouders dan ook af.

5 De beslissing

5.1

De kinderrechter:

- wijst het verzoek met rekestnummer C/15/253119 / JU RK 16-2296 tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing af;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toestemming wijziging verblijfplaats van de minderjarige met rekestnummer C/15/254184 / JU RK 17/117;

- wijst af het verzoek van de ouders met rekestnummer C/15/254185 / JU RK 17-118 om in de gelegenheid te worden gesteld om een familiegroepsplan op te stellen;

-verklaart deze beschikking voor zover deze ziet op de schriftelijke aanwijzing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Pieters, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking ten aanzien van de vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en de toestemming voor de wijziging in de verblijfplaats kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam