Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:9722

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
15.035499.17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 6 WVW 1994. Veroordeling op grond van artikel 5 WVW 1994. Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen bij het rechtsaf slaan de op het naastgelegen fietspad rijdende fietsster geen voorrang verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.035499.17 (P)

Uitspraakdatum: 31 oktober 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.S. Heij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.P. van Kollenburg, advocaat te Etten-Leur, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 juli 2016 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een bedrijfsauto, [vrachtwagen]), daarmede rijdende over de weg, (de kruising of splitsing van) de Hagelingerweg en/of het Burgemeester Weertsplantsoen, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, naar rechts af te slaan en/of (daarbij) een inrit in te rijden, zonder een naderende fietser op een naast diezelfde weg gelegen fietspad voor te laten gaan, immers is hij, verdachte, in de hoedanigheid van beroepschauffeur en/of terwijl hij ter plaatse goed bekend is en/of de spiegel(s) van zijn motorrijtuig niet goed/juist/optimaal stond(en) afgesteld,
- vanaf/vanuit de Hagelingerweg naar rechts afgeslagen, teneinde de inrit van het Burgemeester Weertsplantsoen in te rijden, zonder zich er voor het inzetten van deze manoeuvre in voldoende mate van te hebben vergewist of er op het naast/langs de Hagelingerweg gelegen (brom)fietspad geen verkeer naderde, en/of (vervolgens)
- (zonder te stoppen) voornoemde inrit ingereden en/of (deels) over voornoemd (brom)fietspad gereden, en/of (vervolgens)
- niet in staat geweest een op dat fietspad naderende fietser te ontwijken, waarna een botsing gevolgd is tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die fietser,
waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 juli 2016 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen als bestuurder van een voertuig (te weten een bedrijfsauto, [vrachtwagen]), daarmee rijdende op de weg, (de kruising of splitsing van) de Hagelingerweg en/of het Burgemeester Weertsplantsoen, naar rechts is afgeslagen en/of (daarbij) een inrit is ingereden, zonder een naderende fietser op een naast diezelfde weg gelegen fietspad voor te laten gaan, immers is hij, verdachte, in de hoedanigheid van beroepschauffeur en/of terwijl hij ter plaatse goed bekend is en/of de spiegel(s) van zijn voertuig niet goed/juist/optimaal stond(en) afgesteld,
- vanaf/vanuit de Hagelingerweg naar rechts afgeslagen, teneinde de inrit van het Burgemeester Weertsplantsoen in te rijden, zonder zich er voor het inzetten van deze manoeuvre in voldoende mate van te hebben vergewist of er op het naast/langs de Hagelingerweg gelegen (brom)fietspad geen verkeer naderde, en/of (vervolgens)
- (zonder te stoppen) voornoemde inrit ingereden en/of (deels) over voornoemd (brom)fietspad gereden, en/of (vervolgens)
- niet in staat geweest een op dat fietspad naderende fietser (te weten [slachtoffer]) te ontwijken, waarna een botsing gevolgd is tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en die fietser, en/of die fietser is overleden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Om tot een bewezenverklaring van een in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) verboden gedraging te komen, dient de rechtbank vast te kunnen stellen dat verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling.

Dit houdt in dat verdachte zich tenminste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend moet hebben gedragen. Handelen dat als ‘onvoorzichtig’ kan worden gekenmerkt, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 te kunnen komen. Of sprake is van schuld, dus van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid, hangt - volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

De rechtbank stelt aan de hand van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Verdachte reed op 29 juli 2016 als bestuurder van een vrachtwagen over de Hagelingerweg te Santpoort-Noord in de richting van de Broekbergenlaan. Op dezelfde weg en in dezelfde richting reed het slachtoffer op haar fiets over het westelijk gelegen verplichte fietspad. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment het slachtoffer niet heeft waargenomen. Verdachte heeft de snelheid van zijn voertuig teruggebracht van 33 kilometer per uur naar 10 kilometer per uur. Ter hoogte van de kruising Hagelingerweg/Burgemeester Weertsplantsoen sloeg verdachte rechtsaf naar het Burgemeester Weertsplantsoen. Het is aannemelijk dat verdachte op dat moment 10 tot 8 kilometer per uur reed. Verdachte heeft verklaard dat hij toen nogmaals in zijn spiegels en door het zijraam heeft gekeken of het fietspad vrij was. Vervolgens heeft hij zijn aandacht gericht op de voetgangers die voor hem de weg over staken. Bij het rechtsaf slaan heeft verdachte het slachtoffer, dat kennelijk voornemens was haar weg rechtdoor te vervolgen, geen voorrang verleend. Hierdoor is het slachtoffer met haar fiets tegen de vrachtwagen gebotst, waarna zij ten val is gekomen en met haar fiets onder de vrachtwagen terecht is gekomen. Het slachtoffer is aan de gevolgen van het ongeval overleden. Verdachte heeft niet kunnen aangeven waarom hij het slachtoffer niet heeft gezien.

De rechtbank is van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte het slachtoffer aan wie hij voorrang had dienen te verlenen niet heeft gezien, hoewel zij voor hem op enig moment wel waarneembaar moet zijn geweest, niet kan volgen dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Verdachte heeft er blijk van gegeven, door meermalen in zijn spiegels en zijraam te kijken en zijn snelheid te minderen, zich te hebben ingespannen om aan de plicht om voorrang te verlenen te voldoen. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn de rechtbank niet gebleken. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de spiegels van de vrachtwagen niet goed stonden afgesteld. De verbalisanten die het onderzoek naar de toedracht van het ongeval hebben verricht, hebben immers in hun onderzoek niet de lengte van verdachte betrokken. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij ’s ochtends, zoals gebruikelijk, de bestuurdersstoel en de spiegels heeft afgesteld. Ook de omstandigheid dat verdachte zijn voertuig niet volledig tot stilstand heeft gebracht alvorens hij rechtsaf sloeg, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verdachte reed immers met een minimale snelheid. Daarbij kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat het volledig tot stilstand brengen van het voertuig tot gevolg zou hebben gehad dat verdachte het slachtoffer wel zou hebben waargenomen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken uit het dossier niet kan worden vastgesteld dat het slachtoffer op meerdere momenten voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest. Er is geen onderzoek gedaan naar de door het slachtoffer afgelegde route en evenmin naar de snelheid waarmee zij (waarschijnlijk) heeft gereden, terwijl uit het proces-verbaal Verkeersongevals-Analyse van 10 november 2016 wel blijkt dat het zicht op een deel van het fietspad kort voordat verdachte het fietspad bereikt/oprijdt, wegvalt achter de abri op de Hagelingerweg.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij in aanmerkelijke mate onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte reed op 29 juli 2016 als bestuurder van een bedrijfsauto, [vrachtwagen], over de Hagelingerweg te Santpoort-Noord in de richting van de Broekbergenlaan. Op dezelfde weg en in dezelfde richting reed het slachtoffer op haar fiets over het westelijk gelegen verplichte fietspad. Ter hoogte van de kruising Hagelingerweg/Burgemeester Weertsplantsoen sloeg verdachte rechtsaf naar het Burgemeester Weertsplantsoen. De toegang naar het Burgemeester Weertsplantsoen is voorzien van een in-uitrit constructie. Bij het rechtsaf slaan heeft verdachte het slachtoffer, die kennelijk voornemens was haar weg rechtdoor te vervolgen, geen voorrang verleend. Hierdoor is het slachtoffer met haar fiets tegen de vrachtwagen gebotst.2 Het slachtoffer is aan de gevolgen van het ongeval overleden.3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een ervaren beroepschauffeur is. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij ter plaatse goed bekend is.4

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 29 juli 2016 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen, als bestuurder van een voertuig (te weten een bedrijfsauto, [vrachtwagen]), daarmee rijdende op de weg, de kruising van de Hagelingerweg en het Burgemeester Weertsplantsoen, naar rechts is afgeslagen en daarbij een inrit is ingereden, zonder een naderende fietser op een naast diezelfde weg gelegen fietspad voor te laten gaan, immers is hij, verdachte, in de hoedanigheid van beroepschauffeur en terwijl hij ter plaatse goed bekend is,
- vanaf de Hagelingerweg naar rechts afgeslagen, teneinde de inrit van het Burgemeester Weertsplantsoen in te rijden, zonder zich er voor het inzetten van deze manoeuvre in voldoende mate van te hebben vergewist of er op het naast/langs de Hagelingerweg gelegen fietspad geen verkeer naderde, en vervolgens
- zonder te stoppen voornoemde inrit ingereden en (deels) over voornoemd fietspad gereden, en vervolgens
- niet in staat geweest een op dat fietspad naderende fietser (te weten [slachtoffer]) te ontwijken, waarna een botsing gevolgd is tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en die fietser, en die fietser is overleden,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis bij het niet of niet naar behoren verrichten van die werkstraf alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een (1) jaar.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat - in het geval de rechtbank tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde komt - een geldboete of een aanzienlijk lagere werkstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is. Voorts heeft de raadsman de rechtbank verzocht verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen bij het rechtsaf slaan de op het naastgelegen fietspad rijdende fietsster geen voorrang verleend. De gevolgen van dit handelen zijn ingrijpend. Het slachtoffer is als gevolg van dit ongeval komen te overlijden. Haar is daarmee haar grootste bezit, het leven, ontnomen. Voorts is de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook is gebleken uit de door de dochters en zoon van het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen verklaringen. Geen enkele strafoplegging zal recht doen aan dit verlies.

De rechtbank stelt voorop dat de strafmaat in dit soort zaken wordt bepaald door de ernst van het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de verkeersfout een misdrijf oplevert en moet er in de strafmaat rekening mee worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van niet meer dan een verkeersovertreding is gemaakt. Voorts houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij al sinds zijn achttiende jaar beroepschauffeur is en nooit eerder met justitie in aanraking is geweest. Tot slot is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat het ongeval ook impact heeft gehad op verdachte. Verdachte heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven zich de impact van het ongeval op de nabestaanden te realiseren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een geldboete moet worden opgelegd. Tevens acht de rechtbank een voorwaardelijke rijontzegging van enige duur passend en geboden.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

23, 24c van het Wetboek van Strafrecht;

5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes (6) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. E.M. van Poecke, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. V.J.M. Goldschmeding,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2017.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal Verkeersongeval-Analyse d.d. 10 november 2016 (dossierpagina 14, 29, 32).

3 Een schriftelijk bescheid, te weten het schouwverslag d.d. 30 juli 2016, opgemaakt door [arts], als forensisch arts FMG werkzaam bij GGD Kennemerland (dossierpagina 64, 65).

4 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 oktober 2017.