Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:9412

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3992
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Intrekking van toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Verzoek afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/3992

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 november 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1. [verzoeker]te [woonplaats]

2. De besloten vennootschap Safety and Care Beveiliging B.V.te Zaandam,

verzoekers

(gemachtigde: mr. M. van Olden),

en

De korpschef van de politie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P. Nijssen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan verzoeker sub 2 verleende toestemming om verzoeker sub 1 beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, ingetrokken.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Verzoeker sub 1 is verschenen. Verzoeker sub 2 is vertegenwoordigd door verzoeker sub 1. Verzoekers zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Voorts is [naam 1] (Exit Beveiliging) verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op het gegeven dat verzoeker sub 1 door het bestreden besluit geen beveiligingswerkzaamheden meer mag verrichten, daardoor ook zijn personeel niet meer kan aansturen op de werkvloer, daardoor de continuïteit van de bedrijfsvoering in het geding komt en dientengevolge inkomstenderving is te verwachten, kan enig spoedeisend belang verzoekers niet worden ontzegd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aan verzoeker sub 2 verleende toestemming om verzoeker sub 1 voor dit bedrijf beveiligingswerkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), te laten verrichten ingetrokken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker sub 1 onvoldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de processen-verbaal, hetgeen door twee teamleiders is verklaard en de camerabeelden omtrent een incident op 13 december 2016, waarbij verzoeker sub 1 was betrokken in de uitoefening van zijn functie als beveiliger in supermarkt [naam supermarkt] in Purmerend. In verband met dat incident is tegen verzoeker sub 1 aangifte gedaan van mishandeling en is strafrechtelijke vervolging tegen hem ingesteld. Volgens verweerder heeft verzoeker sub 1 buitenproportioneel geweld gebruikt, door de aangever, die door verzoeker sub 1 was aangehouden wegens winkeldiefstel, met kracht naar de grond te werken waardoor de aangever ten val is gekomen.

3. Verder heeft verweerder bij zijn oordeelsvorming betrokken dat verzoeker sub 1 meerdere jaren zonder uniform winkelsurveillance heeft verricht bij [naam supermarkt] filialen zonder hiervoor de benodigde ontheffing te hebben. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat is gebleken dat verzoeker sub 1 de benodigde ontheffing wel heeft aangevraagd, maar dat verweerder niet tijdig op deze aanvraag heeft beslist, waardoor de aangevraagde ontheffing van rechtswege is verleend. Deze tegenwerping wordt door verweerder dan ook niet langer gehandhaafd. Tevens heeft verweerder bij zijn oordeelsvorming betrokken dat verzoeker sub 1 geen toestemming had om beveiligings-werkzaamheden te verrichten voor Exit Beveiliging. Ter zitting is echter gebleken dat verzoeker sub 1 de beveiligings-werkzaamheden niet voor Exit Beveiliging verrichtte maar op verzoek van en dat de beveiligingswerkzaamheden werden verricht door zijn eigen onderneming. Verweerder kan deze overwegingen in zijn heroverweging dan ook niet langer aan de besluitvorming ten grondslag leggen. De gronden die hierop zien behoeven verder geen bespreking.

4.1

Ter zitting heeft verweerder zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat ook enkel vanwege het incident op 13 december 2016 sprake is van een overtreding die als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde kan worden beschouwd en dat verzoeker sub 1 op basis van dat incident heeft aangetoond onvoldoende betrouwbaar te zijn.

4.2

Verzoekers bestrijden dat verzoeker sub 1 onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Zij voeren hiertoe aan dat verzoeker sub 1 op 13 december 2016 proportioneel heeft gehandeld bij het aanhouden van de aangever wegens winkeldiefstal. De aangever verzette zich hevig tegen een eenvoudige tassencontrole en gebruikte daarbij geweld tegen verzoeker sub 1. Met behulp van twee medewerkers van de supermarkt heeft verzoeker sub 1 de aangever met lichte dwang in de richting van het magazijn gebracht. Bij de koelvitrine hebben de medewerkers de aangever losgelaten, waarna deze uithaalde in de richting van verzoeker sub 1. Hierdoor viel de aangever op de grond waarbij hij zichzelf heeft bezeerd. Onderweg naar het magazijn, tussen het moment van aanhouden en de val bij de koelvitrine, probeerde de aangever weg te komen en dreigde daarbij te vallen. Om dat te voorkomen heeft verzoeker sub 1 de aangever bij zijn kraag vastgepakt. Ten onrechte zijn de camerabeelden waarop het agressieve gedrag van de aangever tussen de aanhouding en de val te zien zijn niet in het dossier opgenomen. Ook betwisten verzoekers de afgelegde verklaringen van de twee medewerkers van de supermarkt.

4.3

Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, voor zover relevant, wordt de toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid van dat artikel, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor te verrichten werk.

Op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr kan de toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid van dat artikel, worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

4.4

Paragraaf 2.3, Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (de beleidsregels) luidt als volgt:

De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien:

a. a) de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke geldboete is opgelegd, dan wel een strafbeschikking of een transactie wegens het plegen van een misdrijf van het Openbaar Ministerie heeft aanvaard, of

b) de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke vrijheidsstraf of taakstraf is opgelegd, of

c) op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

Volgens deze paragraaf gaat het er bij de toetsing aan punt c om dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn, indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen, waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat.

4.5

De voorzieningenrechter stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3462, voorop dat verweerder beoordelingsvrijheid toekomt bij de beoordeling of betrokkene voldoende betrouwbaar is. De invulling die in paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Beleidsregels aan de term “betrouwbaarheid” is gegeven, is niet kennelijk onredelijk of rechtens onjuist. Voorts mogen aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat verweerder als maatstaf mag toepassen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn.

4.6

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd op het proces-verbaal van aangifte van 14 december 2016, het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] (winkelmedewerker) van 14 februari 2017, het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 3] (winkelmedewerker) van 16 februari 2017 en de camerabeelden van het incident op 13 december 2016. Ter zitting zijn de betreffende camerabeelden in het bijzijn van partijen door de voorzieningenrechter bekeken.

4.7

In het proces-verbaal van aangifte van 14 december 2016 is - kort samengevat - opgenomen dat verzoeker sub 1 de aangever opzettelijk en met kracht heeft geschopt en hem met geweld naar de grond heeft gewerkt. De aangever had zijn boodschappen afgerekend en opeens stond verzoeker sub 1 voor hem, schreeuwend. De aangever dacht dat hij riep dat hij van de beveiliging was en liet een smoezelig pasje zien. Hij kwam erg agressief over door zijn manier van kijken en doordat hij schreeuwde. De aangever wilde zijn tas niet laten zien omdat verzoeker sub 1 er niet uitzag als een beveiliger en zich ook niet zo gedroeg. Vervolgens pakte verzoeker sub 1 de aangever bij zijn jas en rukte daaraan, deed een arm om zijn nek en klemde zijn nek vast en schopte de benen onder de aangever vandaan waardoor hij op de grond viel. Toen de aangever opstond pakte verzoeker sub 1 hem weer vast, aan zijn jas, armen en middel en sleurde hem de winkel door. Aan het eind van een schap kwam er een andere man bij die hem ook beet pakte en vervolgens werkte beide mannen de aangever naar de grond. Dit werd op zo’n grove manier gedaan dat hij met en klap op de grond viel waardoor zijn schouder uit de kom was.

4.8

In het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] van 14 februari 2017 is - kort samengevat - opgenomen dat hij naar de kassa werd geroepen en dat hij zag dat verzoeker sub 1 en de aangever aan het worstelen waren. De aangever probeerde weg te gaan, hij probeerde zich los te trekken. Verzoeker sub 1 probeerde de aangever in een houtgreep te houden zodat hij de aangever mee kon trekken in de richting van het magazijn. Hij zag dat verzoeker sub 1 de aangever in een houtgreep meenam en dat de beveiliger zijn arm om de nek van de aangever vast had. [naam 2] liep mee en hield de arm van de aangever vast. In het dierenvoerpad trapte verzoeker sub 1 zijn voet in de knieholte van de aangever en zag hij dat de aangever hard op de grond viel. Hij heeft niet gezien of verzoeker sub 1 werd tegengewerkt door de aangever. De aangever werd vervolgens overeind getild en zij liepen weer verder richting het magazijn. Bij de koeltafels smeet verzoeker sub 1 de aangever hard tegen één van de koeltafels. Hij weet niet hoe of waarom. Hij zag dat verzoeker sub 1 de aangever daarna echt heel hard op de grond gooide. Hij zag dat verzoeker sub 1 op de aangever ging zitten om hem op de grond te houden en met zijn eigen mobiele telefoon de politie belde.

4.9

In het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 3] van 16 februari 2017 is - kort samengevat - opgenomen dat hij naar de kassa werd geroepen, waar hij zag dat verzoeker sub 1 de aangever een duw gaf. Hij vond dat verzoeker sub 1 hardhandig te werk ging. Hij zag dat verzoeker sub 1 de aangever probeerde te tackelen, dat hij met zijn voet de aangever onderuit probeerde te halen. Vervolgens zag hij dat de aangever net voor het magazijn door verzoeker sub 1 onderuit werd gehaald en dat hij tijdens zijn val tegen een koeltafel viel. Hij zag dat de aangever heel hard op de grond viel. Hij zag dat verzoeker sub 1 de aangever, terwijl hij op de grond lag, in de houtgreep nam en dat hij de aangever aan zijn arm vast hield. Hij dacht, maar weet het niet meer precies, dat verzoeker sub 1 met zijn knie op de rug van de aangever zat.

4.10

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen in deze processen-verbaal is opgenomen. De enkele betwisting van verzoekers is daarvoor niet voldoende. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter sluiten de camerabeelden hetgeen wordt verklaard in de processen-verbaal niet uit. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder zich onder verwijzing naar het incident op 13 december 2016 in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat sprake is van een overtreding die is te beschouwen als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde en dat verzoeker sub 1 hiermee heeft aangetoond onvoldoende betrouwbaar te zijn. Het betoog van verzoekers slaagt niet.

5.1

Verzoekers betogen dat de besluitvorming in strijd is met de onschuldpresumptie zoals opgenomen in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.2

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:331, heeft overwogen is de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM niet beperkt tot strafrechtelijke procedures, maar kan deze zich in een voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit en samenhangen met de strafrechtelijke procedure. Deze situatie kan zich voordoen tijdens een strafrechtelijke procedure alsook na het staken van de strafrechtelijke procedure of na een vrijspraak. Het hangt af van de in de bestuursrechtelijke procedure

gebruikte bewoordingen of een zodanige band bestaat tussen die procedure en de straf-

rechtelijke procedure dat artikel 6, tweede lid, ook in de bestuursrechtelijke procedure van toepassing is, zo volgt, zo overweegt de Afdeling, onder meer uit het arrest van het EHRM van 12 april 2011 in de zaak Çelik (Bozkurt) tegen Turkije, nr. 34388/05 (www.echr.co.int). De Afdeling overweegt blijkens dezelfde uitspraak voorts dat, indien in een bestuurs-

rechtelijke procedure wordt teruggevallen op het feit dat een strafrechtelijke procedure

aanhangig is of op een nog niet onherroepelijke veroordeling, dit een zodanige band tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke procedure meebrengt, dat artikel 6, tweede lid, in eerstgenoemde procedure van toepassing is.

5.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker sub 1 voor het incident op 13

december 2016 strafrechtelijk wordt vervolgd. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling volgt, is dat op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM van toepassing is. Volgens het beleid van verweerder wordt toestemming wegens het

ontbreken van voldoende betrouwbaarheid niet alleen ingetrokken ingeval van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens het plegen van een misdrijf, maar ook indien andere omtrent de betrokkene bekende en relevante feiten daartoe nopen. Er moet sprake zijn van een serieuze verdenking dat betrokkene rechtsregels naast zich neerlegt, waarvan de overtreding beschouwd kan worden als tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Verweerder heeft zijn oordeel hieromtrent gebaseerd op de op camerabeelden vastgelegde en de in de processen-verbaal beschreven gedragingen van verzoeker sub 1.

Verweerder is in de bestuursrechtelijke procedure dan ook niet teruggevallen op het feit dat een strafrechtelijke procedure tegen verzoeker sub 1 aanhangig is of op een nog niet

onherroepelijke veroordeling. Daarom is geen sprake van een zodanige band tussen de

bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM van toepassing is. Van strijd met de in die bepaling neergelegde onschuldpresumptie kan reeds daarom geen sprake zijn. Het betoog slaagt niet.

6.1

Verzoekers betogen dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zij voeren hiertoe aan dat het belang dat met het besluit is gediend niet in verhouding staat tot de (onomkeerbare) gevolgen ervan. Verzoeker sub 1 kan door het besluit niet langer beveiligingswerkzaamheden verrichten voor zijn eigen bedrijf. Daarmee valt per direct een aanzienlijk deel van het inkomen van verzoekers weg, maar op de langere termijn zal het besluit ook een rampzalige uitwerking hebben op de gehele onderneming met al haar medewerkers. Zodra klanten er lucht van krijgen dat verzoeker sub 1 niet langer als beveiliger mag werken, dan wordt de goede reputatie van verzoeker sub 2 zodanig aangetast dat het vertrek van de clientèle slechts een kwestie van tijd is. Een faillissement is dan ook een reëel toekomstbeeld.

6.2

De voorzieningenrechter overweegt, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:865, dat het vijfde lid van artikel 7 van de Wpbr, gezien de bewoordingen ervan, geen imperatief karakter heeft. Het vijfde lid verplicht verweerder derhalve niet om, indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, de toestemming voor tewerkstelling bij een beveiligingsorganisatie in te trekken. Aldus is bij de in het kader van het vijfde lid te maken beoordeling ruimte voor een belangenafweging.

6.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de in het kader van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr door hem gemaakte belangenafweging, waarbij verweerder de door verzoekers gestelde belangen heeft meegewogen, in het nadeel van verzoekers heeft kunnen laten uitvallen. Dat verzoeker sub 1 door bestreden besluit geen beveiligingswerkzaamheden meer kan verrichten is inherent aan de bevoegdheid van verweerder tot intrekking van de door hem verleende toestemming. Het betoogt slaagt niet.

7. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.