Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:925

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
15/800307-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot moord / doodslag. Beroep op psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800307-16 (P)

Uitspraakdatum: 19 januari 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 januari 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Vrouwen, Huis van Bewaring Nieuwersluis, te Nieuwersluis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 09 juli 2016 te Sint Pancras, gemeente Langedijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, door die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal met een langwerpig (houten) voorwerp op het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

zij op of omstreeks 09 juli 2016 te Sint Pancras, gemeente Langedijk, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere hoofdwonden en/of sneeen in de arm heeft toegebracht door die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, met een langwerpig (houten) voorwerp op het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] , heeft geslagen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot moord.

Verdachte heeft uit de slaapkamer een houten stok (de steel van een bijl) gepakt, het slachtoffer van achteren benaderd en vervolgens met die houten stok meermalen op het hoofd van het slachtoffer geslagen. Hierna heeft zij die stok in de schuur verstopt en haar broek – waar bloedvlekken op waren gekomen – in de wasmachine gedaan. Tenslotte heeft verdachte de woning verlaten en heeft zij het slachtoffer, terwijl hij hevig bloedend op de grond lag, gedurende anderhalf uur aan zijn lot overgelaten.

Volgens de officier van justitie volgt hieruit dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat er sprake is geweest van kalm beraad. De gelegenheid tot beraad is niet pas tijdens de uitvoering ontstaan, wel is die gelegenheid er ook tijdens de uitvoering van het besluit geweest. Verdachte heeft dus in ieder geval de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de aard van de geweldshandeling, het daarbij gebruikte voorwerp en het ontstane letsel kan worden afgeleid dat verdachte daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Het vervolgens in bewusteloze en hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer, kan niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte daarbij de intentie (“vol opzet”) had om hem van het leven te beroven, aldus de officier van justitie.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot moord bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het gaan pakken van het stuk hout in de – aan de woonkamer grenzende – slaapkamer kan de voorbedachte raad niet worden afgeleid. De afstand is zeer gering zodat van substantieel tijdsverloop geen sprake is geweest. Ook uit de overige omstandigheden, te weten het nadien omkleden en de was aanzetten, het wegleggen van het stuk hout in de schuur en het boodschappen doen, kan in deze specifieke situatie niet worden afgeleid dat er sprake was van een vooropgezet plan, een moment van kalm beraad en berekenend handelen. Verdachte heeft geen herinneringen meer aan deze handelingen, hetgeen wordt ondersteund door de gedragsdeskundigen.

De raadsvrouw heeft eveneens tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bepleit. Nu opzettelijk handelen evenmin uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid zou alleen voorwaardelijk opzet in aanmerking komen. Hiervoor moet vast staan dat de kans op overlijden aanmerkelijk was maar ook dat verdachte die kans welbewust heeft aanvaard. Dat van het welbewust aanvaarden en het op de koop toenemen van het mogelijke gevolg (de dood) sprake was kan op geen enkele manier uit het dossier worden afgeleid, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde feit, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Partiële vrijspraak

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat (ECLI:NL:HR:2012:BX6758).

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld met een vooropgezet plan en komt tot vrijspraak van de voorbedachte raad. Het enkele gegeven dat het door verdachte gehanteerde wapen, door haar als knuppel aangeduid, vanuit de slaapkamer is meegenomen naar de nabijgelegen woonkamer, is zeker niet toereikend voor de slotsom van voorbedachte raad. Niet is vast te stellen wanneer verdachte het besluit het slachtoffer te slaan heeft genomen. Indien wordt uitgegaan van een besluit op het moment dat zij in de slaapkamer de knuppel heeft gepakt en uitvoering nadat zij ermee naar de woonkamer is gelopen, is de tijdspanne tussen besluit en uitvoering te kort om te spreken van voldoende gelegenheid tot beraad.
De officier van justitie wijst daarnaast naar enkele omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de geweldshandelingen en die in de richting van kalm beraad zouden wijzen, maar, de persoonlijkheid van verdachte meegewogen, zijn die niet van dien aard dat het wettig bewijs voor die voorbedachte raad daaruit onmiskenbaar naar voren komt. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden uitgesloten dat verdachte heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. De gedragsdeskundigen Dinjens en Dalebout (psychiater respectievelijk gezondheidszorgpsycholoog) concluderen dat het ten laste gelegde te verklaren is vanuit gestuwde boosheid, als gevolg van jarenlange geestelijke mishandeling en gevoelsverdringing. Toen slachtoffer [slachtoffer] , de echtgenoot van verdachte, op de ochtend van het incident een krenkende opmerking maakte jegens verdachte heeft deze opeengestapelde boosheid zich in alle hevigheid ontladen in een ernstige emotionele doorbraak. De gedragsdeskundigen concluderen dat het handelen van verdachte rondom en na het tenlastegelegde het best kan worden verklaard vanuit het afweermechanisme van dissociatie. Verdachte raakte in haar denken, voelen en handelen als het ware ontkoppeld van zichzelf en haar omgeving, waardoor ze een voor haar wezensvreemde en niet-passende keuze heeft gemaakt. Gelet op deze bevindingen van de deskundigen, welke de rechtbank overneemt, kunnen de na het plegen van het feit door verdachte verrichte handelingen geen toereikende basis vormen voor de conclusie dat het feit met voorbedachte raad zou zijn gepleegd.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden 1

Op 9 juli 2016 krijgen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opdracht te gaan naar de [adres] te Sint Pancras, gemeente Langedijk. Om 12.25 uur komen zij ter plaatse en worden zij opgevangen door verdachte en [getuige] , een medewerkster van thuiszorgorganisatie Evian. Op de vloer in de woonkamer treffen zij de [slachtoffer] aan, liggend in een plas bloed. De verbalisanten zien dat [slachtoffer] meerdere hoofdwonden en enkele sneeën op zijn armen heeft.2

In het ziekenhuis blijkt dat [slachtoffer] een schedelbasisfractuur, een kaakfractuur, een oogkasfractuur en twee ribfracturen heeft opgelopen. Bovendien heeft hij snijwonden op het hoofd en een kleine bloeding in de hersenen. Deze verwondingen passen bij forse stompe geweldsinwerking.3 Gezien er sprake is van meerdere breuken in de schedel en een bloeding in de hersenen kan gesproken worden van in potentie zeer ernstig letsel, waar de dood op had kunnen volgen, met name door onherstelbare schade in de hersenen maar ook door bloedverlies.4 De volgende dag doet [slachtoffer] aangifte. Hij verklaart dat hij achter de laptop in de woonkamer zat en dat hij toen ineens een stuk of vier klappen kreeg.5

Op het tapijt waarop [slachtoffer] is aangetroffen vinden verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een stukje hout. Achterin de schuur, tussen de treden van een huishoudtrap, is een houten steel van een bijl aangetroffen. Op het uiteinde van de steel ontbreekt een klein stukje hout ter grootte van het in de woonkamer aangetroffen stukje hout. Ook de vorm en de kleur van het hout komen overeen. Op de steel zijn rode sporen – van meer dan waarschijnlijk bloed – aangetroffen.6

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in de slaapkamer een knuppel heeft gepakt en dat zij [slachtoffer] daarmee op het hoofd heeft geslagen.

3.3.3

Bewijsoverweging

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte gepoogd heeft [slachtoffer] van het leven beroven. De geweldshandeling en het daarmee toegebrachte letsel zijn van dien aard dat het niet anders kan dan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] had. Het slaan met het houten voorwerp op het hoofd van [slachtoffer] is met zodanige kracht gedaan dat dit onder andere een schedelbasisfractuur en een kleine bloeding in de hersenen ten gevolge heeft gehad. Uit de geneeskundige verklaring van 14 oktober 2016 blijkt dat dit letsel in potentie dodelijk was. Gelet op het letsel en de – niet getalsmatig geformuleerde – beschrijving van de kans op overlijden merkt de rechtbank deze kans aan als aanmerkelijk. Dat [slachtoffer] niet is overleden, is een omstandigheid die niet aan het handelen van verdachte is te danken.

Uit de aard van de geweldshandeling, het daarbij gebruikte voorwerp en het ontstane letsel, zou kunnen worden afgeleid dat verdachte de intentie (‘vol opzet’) heeft gehad om haar echtgenoot om het leven te brengen. Gelet op de persoon van verdachte heeft de rechtbank echter niet de overtuiging bekomen dat hiervan sprake is geweest. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Bij verdachte was derhalve minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

Primair

zij op 09 juli 2016 te Sint Pancras, gemeente Langedijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meerdere malen, met een langwerpig houten voorwerp op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

5.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw gesteld dat uit de diverse verklaringen in het dossier blijkt dat er sprake was van, steeds erger wordende, geestelijke mishandeling. Verdachte verkeerde daardoor onder zodanige ernstige druk dat haar wilsvrijheid hierdoor werd aangetast. Onder verwijzing naar de in deze zaak opgemaakte Pro Justitia rapportages heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de persoonlijkheid van verdachte maakte dat zij aan deze druk geen weerstand kon bieden. Ze heeft uitwegen gezocht maar die bleken geen hulp te bieden of botsten met haar gevoelens van loyaliteit aan haar gehandicapte echtgenoot, en tevens met haar afhankelijkheid van hem.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht dient te worden verworpen. Hij overweegt hiertoe dat, zelfs als wordt uitgegaan van de verklaringen van verdachte – dat zij door het slachtoffer geestelijk werd mishandeld en vernederd – het niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een zodanige psychische drang dat verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte zich weliswaar afhankelijk opstelde jegens het slachtoffer, maar dat zij indien nodig samen met haar sociale netwerk (huisarts/thuiszorg/buurvrouw) in staat was om aan die psychische drang weerstand te bieden. Bovendien, ook als zou moeten worden aangenomen dat wel van een dergelijke lijdensdruk sprake is geweest, volgt hieruit niet dat verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand behoefte te bieden.

De officier van justitie concludeert voorts dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht, onder verwijzing naar de in deze zaak opgemaakte Pro Justitia rapportages.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Psychische overmacht

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep van de raadsvrouw op psychische overmacht het volgende. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan deze verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden (bijvoorbeeld ECLI:NL: HR:2004:AR2067).

Verdachte zelf heeft nimmer – noch bij de politie, noch ter terechtzitting – aangegeven dat de door haar gestelde geestelijke mishandeling door [slachtoffer] een zodanige kracht, drang of dwang teweeg heeft gebracht dat zij hieraan geen weerstand heeft kunnen bieden. Zij heeft verklaard dat zij zich haast niets van het tenlastegelegde kan herinneren. Ook overigens zijn voor een dergelijke drang onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden, ook al bevat het dossier wel aanwijzingen dat verdachte aanzienlijk onder de invloed van haar echtgenoot heeft geleden. Daargelaten dat de vraag of er sprake was van psychische overmacht een juridische vraag is die als zodanig niet binnen de expertise van gedragsdeskundigen valt, bieden ook de Pro Justitie rapportages onvoldoende houvast om aan te kunnen nemen dat sprake is geweest van een verontschuldigbare extreme en acute vorm van een stresssituatie bij verdachte waaronder zij gebukt ging en waaraan zij uiteindelijk heeft toegegeven.

Indien verdachte als gevolg van een vorm van geestelijke mishandeling tot het bewezen verklaarde feit is gekomen, dan levert dat naar het oordeel van de rechtbank nog geen schulduitsluitingsgrond in de vorm van psychische overmacht op voor het zeer ernstige delict dat zij heeft begaan.

Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank de door verdachte naar voren gebrachte relationele problemen en de situatie waarin verdachte zich als gevolg hiervan bevond, wel in haar voordeel laten meewegen.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat er bij verdachte sprake was van psychische overmacht.

5.3.2.

Toerekenbaarheid

In de omtrent verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapportages komen de psychiater en de gezondheidszorgpsycholoog tot de conclusie dat bij verdachte noch sprake is van een ziekelijke stoornis, noch van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zodat het feit haar volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank stelt vast dat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft haar echtgenoot in hun eigen woning geprobeerd om het leven te brengen door hem meerdere malen met een houten voorwerp op het hoofd te slaan. Als gevolg van dit misdrijf heeft [slachtoffer] een schedelbasisfractuur, een kaakfractuur, een oogkasfractuur en twee ribfracturen heeft opgelopen. Bovendien was sprake van een kleine bloeding in de hersenen.

Een ander opzettelijk van het leven beroven, is een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Als het delict voltooid wordt, zijn de gevolgen ervan onomkeerbaar, maar ook als het blijft bij een poging zijn de gevolgen voor het slachtoffer veelal groot. Daarnaast leiden dergelijke delicten tot grote beroering in de maatschappij.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 september 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 20 december 2016 van F. Oliveiro als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland;

- het psychiatrische Pro Justitia rapport, gedateerd 2 december 2016, opgesteld door J.L.M. Dinjens, psychiater; en

- het psychologische Pro Justitia rapport, gedateerd 24 november 2016, opgesteld door P.C. Dalebout, gezondheidszorgpsycholoog;

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een langdurige vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Deze zal echter van veel kortere duur zijn dan door de officier van justitie is gevorderd, allereerst omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het handelen van verdachte niet kwalificeert als een poging tot moord, maar als een poging tot doodslag.
Bovendien weegt de rechtbank veel sterker dan kennelijk de officier van justitie heeft gedaan de benarde thuissituatie waarin verdachte verklaart te hebben gezeten en waarvoor in het dossier ook in ruime mate aanknopingspunten te vinden zijn. Uit het dossier komt onder meer naar voren dat het slachtoffer altijd al een moeilijke man was, maar dat zijn claimende gedrag als gevolg van een CVA en wegrakingen steeds extremer werd. Hij was ziekelijk jaloers en verdachte werd jarenlang geestelijk mishandeld, gekleineerd en vernederd. Verdachte werd volledig geclaimd in haar rol als mantelzorger en mocht nauwelijks meer contact hebben met de buitenwereld, waaronder haar eigen kinderen en kleinkinderen. Dit rechtvaardigt weliswaar niet het strafbare handelen van verdachte, maar wordt wel in het voordeel van verdachte meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De periode die zij reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal hiervan worden afgetrokken.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Mr. E.F. Klungers, advocaat te Alkmaar, heeft als gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 33.535,13 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De vordering betreffende de materiële schade bedraagt in totaal € 3.535,13 en de gevorderde immateriële schade bedraagt € 30.000,00. De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende kostenposten:

- € 2.645,13 € 2.645,13 wegens huishoudelijke hulp/verzorging, te weten

 ziekenhuis daggeldvergoeding 6 dgn à € 28 = € 168,00

 ziekenhuis daggeldvergoeding 62 dgn à € 14 = € 868,00

 hulp familie/vrienden 4 uur p/w à € 9 gedurende 12 wkn = € 432,00

 kosten verblijf Magnushof à € 273,86

 kosten thuiszorg à € 301,09 p/m x 3 mnd = € 903,27

- € 890,00 € 890,00 wegens kosten vloerbedekking

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de thans beschikbare gegevens de immateriële schade op minst genomen op € 3.000,00 kan worden begroot. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat medische stukken, behoudens bovengenoemde letselbeschrijvingen, geheel ontbreken en dat zich medisch gezien kennelijk nog geen eindtoestand heeft voorgedaan. Het restant van de gevorderde immateriële schade is reeds op grond van het voorgaande maar ook gelet op een nog vast te stellen mate van “eigen schuld” van de benadeelde partij niet eenvoudig vast te stellen. Bij de nu gehanteerde voorlopige schadebegroting gaat de rechtbank uit van een percentage van 50% eigen schuld aan de zijde van de benadeelde.
Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade bestaande uit kosten vloerbedekking van € 890,00 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering zal in zoverre worden toegewezen. De kosten voor huishoudelijke hulp/verzorging vormen naar het oordeel van de rechtbank, bij gebreke van nadere onderbouwing, een onevenredige belasting van het strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Opgeteld acht de rechtbank een bedrag van € 3.890,00 toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.890,00 (drieduizend achthonderdennegentig euro), bestaande uit € 890,00 (achthonderdennegentig euro) voor de materiële en € 3000,00 (drieduizend euro) voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.890,00 (drieduizend achthonderdennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 48 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. M. Malsch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. Naeije, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 januari 2017.

Mr. Malsch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 9 juli 2016, p. 13.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2016, p. 59; en een geschrift zijnde een geneeskundige verklaring van 12 september 2016, p. 61.

4 Een geschrift zijnde een geneeskundige verklaring van 14 oktober 2016, ongenummerd.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 10 juli 2016, p. 47.

6 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] van 12 juli 2016, p. 35.