Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:9139

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
HAA 16/931 en 16/3938
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

UvA mag universitair docent ontslaan.

De rechtbank Noord-Holland heeft beslist dat het ontslag van een universitair docent door het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA) in stand kan blijven. Verder heeft de UvA de docent in de aanloop naar het ontslag op non-actief mogen stellen.

De docent was vanaf 2004 werkzaam bij de UvA aan de faculteit der Geestesweten¬schappen, afdeling Kunst en Cultuurwetenschappen. Naar aanleiding van een negatief rapport van de visitatiecommissie en een teruglopende aantal studenten, heeft de UvA een vernieuwing van het onderwijsprogramma doorgevoerd. Die had ook gevolgen voor de vakken waarin de docent les gaf. De docent kon zich niet vinden in deze vernieuwing en weigerde daaraan mee te doen. Hij wilde zijn lessen blijven geven, zoals hij dat altijd deed. Gesprekken met de docent hebben niet tot een oplossing geleid. De docent bleef bij zijn weigeringen en beriep zich daarbij onder meer op zijn academische vrijheid. Verder stelde de docent dat hij werd ontslagen vanwege zijn deelname aan de bezetting van het Bungehuis en het Maagdenhuis in 2015.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling dat het ontslag te maken heeft met de deelname aan de bezettingen van het Bungehuis en het Maagdenhuis. De aanleiding van het arbeidsconflict is gelegen in de wijzigingen in het onderwijsprogramma van de opleiding.

Volgens de rechtbank is de docent niet beperkt geweest in zijn academische vrijheid. De UvA heeft een ruime vrijheid bij het bepalen van de inrichting van zijn organisatie. Die vrijheid geldt ook voor de inrichting en vaststelling van het onderwijsprogramma. Wel moet duidelijk zijn dat de gemaakte keuzes op zakelijke en objectieve gronden berusten. Dat is hier het geval. Verder gaat de academische vrijheid niet zo ver dat de docent zich niet hoefde te houden aan het in overleg en op zorgvuldige wijze vastgestelde onderwijs¬programma. Het stond de docent vrij om binnen het vastgestelde nieuwe onderwijs¬programma op eigen wijze en naar eigen inzicht invulling te geven aan de inhoud van zijn lessen.

De ongeschiktheid van de docent voor zijn functie ziet niet op zijn kwaliteit als docent en zijn expertise, maar op andere aspecten van zijn functie, zoals de samenwerking met collega’s, het opvolgen van werkinstructies, het accepteren van gezagsverhoudingen en het zich houden aan gemaakte afspraken. Op deze aspecten functioneerde de docent onvoldoende. Zijn houding en gedrag bemoeilijkten de samenwerking met zijn leidinggevenden ernstig. Hij heeft geen verbetering laten zien. Ook niet nadat hij daarop meermalen was aangesproken. De docent heeft steeds vastgehouden aan zijn eigen gelijk. Hij heeft telkens uitdrukkelijk gesteld dat hij zich niet wil aanpassen en voegen naar de wijzigingen binnen de opleiding. Daarom bestond er ook geen vertrouwen meer in een goede afloop bij herplaatsing naar een andere functie.

Tegen de uitspraak van de rechtbank kunnen partijen hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/931 en HAA 16/3938

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. de Waard),

en

het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. R.P.J. Ter Haseborg).

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (de Staat)

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser op grond van artikel 1.11 van de CAO Nederlandse Universiteiten (hierna: CAO NU) voor het eerste semester van het collegejaar 2015-2016 ontheven van zijn onderwijstaken en hem een dienstopdracht gegeven om gedurende dit semester weg te blijven bij de colleges en de werkgroepen van Cultuurgeschiedenis 1 en Wetenschapsfilosofie en voorts al datgene na te laten dat de geregelde gang van zaken voor het onderwijs zou kunnen verstoren. Daarbij is eiser meegedeeld dat het negeren van deze dienstopdracht zal worden aangemerkt als plichtsverzuim.

Bij besluit van 14 januari 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de ontheffing van de onderwijstaken met terugwerkende kracht tot en met ingang van 4 september 2015 is gewijzigd in een non-actiefstelling op grond van artikel 6:15, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAO NU. Voor het overige heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaksnummer 16/931.

Bij besluit van 28 januari 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser met ingang van 1 mei 2016 ontslag verleend op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU en eiser tot het einde van zijn aanstelling op non-actief gesteld. Daaraan is primair ten grondslag gelegd dat eiser onbekwaam of ongeschikt is voor zijn functie als docent en subsidiair vanwege de ontstane impasse en de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding met zijn leidinggevenden.

Bij besluit van 15 juli 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, met dien verstande dat de ontslagdatum is gewijzigd van 1 mei 2016 in een week na dagtekening van dit besluit.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaksnummer 16/3938.

Verweerder heeft in beide procedures een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken en reacties ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting op 21 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen prof. dr. [naam 1] en mr. [naam 2] , beiden werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser was sinds 1 september 2004 werkzaam als docent 2 bij de Faculteit der Geesteswetenschappen, afdeling Kunst- en Cultuurwetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. In het eerste semester van het studiejaar 2014-2015 doceerde hij de vakken Cultuurpatronen en Wetenschapsfilosofie en in het tweede semester begeleidde hij één masterscriptie en doceerde hij het vak Signalementen bij Museumstudies.

1.2

Op 12 augustus 2013 heeft de visitatiecommissie Kunst & Cultuur over een aantal bachelor- en masteropleiding in het domein Kunst- en cultuurwetenschappen van de UvA een rapport uitgebracht. In dit rapport is de bacheloropleiding Algemene Cultuurwetenschappen (opleiding ACW) als onvoldoende beoordeeld.

1.3

Op 15 oktober 2013 heeft een jaargesprek plaatsgevonden tussen eiser en zijn toenmalig leidinggevende [naam 3] . In het verslag van dit gesprek is onder meer het volgende vermeld. De wijze waarop eiser college geeft wordt door de studenten zeer gewaardeerd. Eiser heeft constructief meegewerkt aan oplossingen naar aanleiding van het negatief oordeel van de visitatiecommissie en is ook betrokken geweest bij de discussie over verdere aanpassingen. In dat kader heeft eiser toegezegd de toetsdossiers alsnog in te leveren. Eiser heeft aangegeven dat hij moeite heeft met het functioneren in een team. De ontwikkelingen in het onderwijs vereisen steeds meer teamwork, met overleg en afspraken waaraan teamleden zich vervolgens moeten houden, waardoor hij zich steeds minder thuis voelt op de universiteit. De leidinggevende heeft daarop te kennen gegeven dat als eiser aan de universiteit wil kunnen blijven functioneren, hij zich daaraan zal moeten aanpassen. Eiser heeft aangegeven dat waar hij mogelijk in het verleden afspraken heeft geschonden, hij dat ziet als een gevolg van zijn instelling, dat wat loyaliteit betreft zijn prioriteit bij de studenten ligt. De leidinggevende heeft daarop gezegd dat optreden ten koste van gezamenlijke afspraken schade aanricht bij collega’s en dat het studentenbelang niet is gediend met een verdeeld en zichzelf tegensprekend team. Eiser heeft gezegd bereid te zijn zich aan te passen en attent te zijn op zijn gedrag en met een psycholoog te overleggen. Eiser liep reeds in een traject van psychologische coaching, aangeboden door verweerder.

1.4

Naar aanleiding van het rapport van de visitatiecommissie en vanwege het teruglopend aantal studenten heeft het faculteitsbestuur het noodzakelijk geacht om de kwaliteit en de samenhang van de opleiding ACW te verbeteren. Dit heeft geleid tot het invoeren van een herstelplan. Om de kwaliteit van de toetsing te bewaken zijn op facultair niveau de zogenaamde toetsdossiers ingevoerd. En om in het studieprogramma van de bacheloropleiding meer samenhang en minder overlap te realiseren, zijn voorts aanpassingen doorgevoerd in de vakken Cultuurpatronen en Wetenschapsfilosofie. De vakken Cultuurpatronen en Canon zijn geïntegreerd in het nieuwe vak Cultuurgeschiedenis I. Bij het vak Wetenschapsfilosofie is besloten om in de werkgroepen meer nadruk te leggen op cultuurwetenschappen.

1.5

Uit de e-mails in het dossier komt naar voren dat eiser betrokken is geweest bij genoemde aanpassingen. Op 16 juli 2014 was eiser verhinderd de vergadering van de commissie cultuurgeschiedenis bij te wonen, maar in september en oktober 2014 is eiser aanwezig geweest bij overleg over de inhoud van het vak Cultuurgeschiedenis. Tijdens het overleg op 9 oktober 2014 zijn zowel het voorstel van eiser als het voorstel van andere leden van de werkgroep besproken. In de e-mail van 12 oktober 2014 heeft de leidinggevende van eiser, prof. dr. [naam 1] , eiser laten weten het voorstel van de andere leden van de werkgroep als uitgangspunt te nemen voor de nieuwe bacheloropleiding. In deze e-mail heeft [naam 1] uitleg gegeven over zijn keuze en eiser verzocht zijn Cultuurpatronenverhaal in te passen in deze nieuwe opzet. In reactie hierop heeft eiser bij e-mail van 15 oktober 2014 het volgende geschreven: “Je bericht was inderdaad wel een klap en ik had even nodig om er overheen te komen. Uiteindelijk heb ik besloten mijn best te gaan doen om mijn verhaal in de gekozen opzet te passen (als dat tenminste nog een optie is).” In de vakgroepvergadering ACW van 18 november 2014 is het Profiel 2015 Cultuurwetenschappen besproken. Uit de notulen blijkt dat eiser in die vergadering nog een aantal opmerkingen heeft gemaakt over het nieuwe profiel.

1.6

Vanaf 12 februari 2015 tot half april 2015 is eiser actief betrokken geweest bij de bezetting van het Bungehuis en het Maagdenhuis van de UvA. Hij heeft daardoor zijn reguliere taken als docent niet volledig uitgeoefend. [naam 1] heeft eiser bij e-mail van
19 maart 2015 daarop aangesproken en gewezen op het feit dat studenten en collega’s hebben geklaagd en dat zijn keuzes zeer belastend zijn voor zijn collega’s en de studenten. [naam 1] heeft eiser in deze e-mail opgedragen om al zijn reguliere taken meteen te hervatten, zo veel mogelijk te proberen de aangerichte schade bij de studenten en collega’s te herstellen en duidelijkheid te bieden over zijn beschikbaarheid en aanwezigheid. Eiser heeft hierop afwijzend gereageerd. Vervolgens heeft hij de e-mail van [naam 1] van 19 maart 2015 openbaar gemaakt via Facebook, met de mededeling “e-mail van mijn leidinggevende – geen woord van dank of begrip voor mijn inzet.” [naam 1] heeft in zijn e-mail van 21 maart 2015 eiser laten weten niet in de weg te willen staan van zijn activisme in het Maagdenhuis, maar hem er ook op gewezen dat de overige activisten-stafleden zoveel mogelijk trachten ook hun normale werk te doen. Eiser heeft daarop aangegeven bereid te zijn zijn onderwijstaken met volle inzet te verrichten.

1.7

Op 9 april 2015 heeft eiser zich ziek gemeld.

1.8

Op 18 juni 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen prof. dr. [naam 4] , afdelingsvoorzitter Kunst- en Cultuurwetenschappen, [naam 1] , [naam 5] , begeleider van eiser, en eiser. Uit het gespreksverslag blijkt dat het doel van het gesprek was te kijken hoe eiser kon worden ingezet in het onderwijs in het studiejaar 2015/2016. In dat gesprek is gesproken over aspecten die in het jaargesprek van oktober 2013 naar voren zijn gekomen en over hoe eiser de komende jaren met plezier en zonder gezondheidsproblemen les kon geven. [naam 4] heeft te kennen gegeven dat eiser bereid moet zijn om in een team te functioneren, wat noodzakelijk is voor een goede afstemming van het onderwijs. [naam 1] heeft aangegeven dat eiser niet met het team wil/kan samenwerken. Eiser heeft verklaard niet bereid te zijn om iets aan zijn manier van onderwijzen en functioneren te veranderen. Daarbij heeft hij gezegd dat hij gaat voor academische vrijheid en dat hij zich inzet voor de student. Als het team daar problemen mee heeft, is dat volgens eiser niet zijn probleem, maar het probleem van het team. Volgens eiser zijn hem alleen dictaten opgelegd over hoe hij les moet geven en daar is hij het niet mee eens. Eiser heeft benadrukt dat hij in september 2015 op zijn eigen vertrouwde manier les gaat geven en dat als dat niet kan, dat dan een gang naar de rechtbank volgt. Daarbij heeft eiser gezegd: “Take it or leave it.” Vervolgens is het gesprek beëindigd.

1.9

Bij e-mail van 12 juli 2015 heeft [naam 1] eiser verzocht om hem en de onderwijscommissie zo snel mogelijk te laten weten hoe het staat met de afronding van de beoordeling en het inleveren van de toetsdossiers voor de vakken Cultuurpatronen en Wetenschapsfilosofie, nu eiser deze niet voor de afgesproken datum van 1 juli 2015 heeft ingeleverd. [naam 1] heeft hierbij gewezen op mogelijke onregelmatigheden in de beoordeling bij het vak Cultuurpatronen en op het belang van het inleveren van de toetsdossiers gelet op de aanstaande hervisitatie van de bacheloropleiding ACW. Nadat een reactie van eiser uitbleef, heeft [naam 1] eiser bij email van 17 juli 2015 zijn verzoek in herinnering gebracht. Voorts heeft [naam 1] eiser laten weten dat, gelet op de inhoud van het gesprek van 18 juni 2015, hij twee andere docenten heeft gevraagd in september het vak Cultuurgeschiedenis 1 te gaan geven. Over het vak Wetenschapsfilosofie heeft [naam 1] eiser laten weten dat het bestaande werkcollege te veel leek op de hoorcolleges die de filosofen verzorgen. [naam 1] heeft aangegeven dat het vak meer gericht dient te zijn op literatuur die is gericht op de geestes- en in het bijzonder de cultuurwetenschappen. [naam 1] heeft eiser de gelegenheid geboden om het college Wetenschapsfilosofie in het studiejaar 2015-2016 te verzorgen, onder de volgende voorwaarden:

- beoordeling/afronding en toetsdossiers van Cultuurpatronen en Wetenschapsfilosofie 2014-2015 moeten uiterlijk maandag 20 juli 2015 zijn voltooid;

  • -

    eiser dient mondeling over het aanbod en de inhoud van de hoor- en werkcolleges Wetenschapsfilosofie met [naam 6] (wijsbegeerte) af te stemmen en daarvan voorafgaand aan de start van het college een summier verslag aan [naam 1] te verstrekken;

  • -

    eiser dient voorafgaand aan de start van het college een complete literatuurlijst ten behoeve van de besprekingen in het werkcollege aan [naam 1] voor te leggen.

[naam 1] heeft in deze e-mail benadrukt dat dit echt een laatste kans is om een en ander nog recht te zetten. Daarbij heeft hij er ook op gewezen dat mogelijke onregelmatigheden bij de boordeling van het vak Cultuurpatronen zo spoedig mogelijk dienen te worden weggenomen in verband met de hervisitatie en in het belang van het voorbestaan van de opleiding.

1.10

Eiser heeft in zijn reactie van 20 juli 2015 te kennen gegeven dat hij niet op het ultimatum kan ingaan. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij zich altijd heeft verzet tegen de invoering van toetsdossiers en dat hij dit steeds kenbaar heeft gemaakt. Hij heeft betwist dat hij de beoordeling van de vakken Cultuurpatronen en Wetenschapsfilosofie niet heeft afgerond en dat mogelijke sprake zou zijn van onregelmatigheden. Voorts heeft hij gesteld dat hij tijdens de bezetting zijn onderwijstaken zo goed mogelijk heeft vervuld en indien nodig voor vervanging heeft gezorgd. Ook heeft hij aangegeven dat in de vergaderingen over het nieuwe vak Cultuurgeschiedenis 1 sprake was van blokvorming door collega’s tegen hem, dat zij niet bereid waren met hem te overleggen en dat hem niet duidelijk is gemaakt waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt. Eiser heeft erop gewezen dat de manier waarop hij het vak Wetenschapsfilosofie heeft gegeven altijd buitengewoon goed is geëvalueerd. Ten slotte heeft eiser te kennen gegeven op grond van deze argumenten ervan uit te gaan dat hij in september 2015 zijn reguliere taken weer zal opnemen op de hem vertrouwde manier. Hij heeft aangegeven dat hij verwacht dat de docenten die zijn aangesteld om Cultuurgeschiedenis te geven hiervan op de hoogte worden gebracht en dat hij verwacht hij het vak Wetenschapsfilosofie te kunnen geven, zonder beledigende voorwaarden vooraf.

1.11

Naar aanleiding van deze e-mail is eiser door [naam 1] bij brief van 25 augustus 2015 uitgenodigd voor een nader gesprek. In deze brief heeft [naam 1] te kennen gegeven dat over de voorwaarden van het geven van onderwijs niet valt te onderhandelen. Indien eiser zich niet houdt aan de voorwaarden zal hij alsnog van zijn onderwijstaken worden ontheven. Voorts is aangegeven dat een niet coöperatieve houding van eiser niet langer wordt geaccepteerd en dat de weigering om opdrachten en onderwijstaken volgens de facultaire normen uit te voeren zal worden opgevat als plichtsverzuim.

1.12

Blijkens het verslag van het gesprek op 28 augustus 2015 zijn de vakken Cultuurgeschiedenis 1 en Wetenschapsfilosofie uitgebreid besproken. [naam 1] heeft in dat verband gezegd dat het vak Cultuurpatronen niet meer in zijn oorspronkelijke vorm bestaat en dat het vak Wetenschapsfilosofie op een andere manier gegeven moet worden. Eiser heeft aangegeven bereid te zijn het vak Wetenschapsfilosofie te geven en het vak Cultuurpatronen los te laten, mits hem de vrijheid wordt gegund accenten te formuleren. Eiser heeft onder meer als voorwaarde gesteld dat iets wordt gedaan aan de door hem ervaren blokvorming en dat wordt gekeken naar de manier waarop de beslissing over het onderwijsprogramma tot stand is gekomen, als ook dat de gesprekken hierover opnieuw moeten worden gevoerd. Drs. [naam 7] , hoofd bedrijfsvoering, heeft in reactie hierop gezegd dat het komend jaar gebruikt kan worden om nog eens naar het onderwijsprogramma te kijken en het programma in de loop van het jaar te evalueren. Daarnaast zou een mediationtraject de onderlinge verhoudingen in de groep kunnen verbeteren. Eiser heeft vervolgens verklaard zich bij de huidige veranderingen niet te kunnen neerleggen en dat het voor hem ophoudt, als hij niet op zijn eigen manier kan lesgeven. [naam 1] heeft aan het einde van de gesprek geconstateerd dat partijen zich in een impasse bevinden en dat een oplossing lijkt te ontbreken.

1.13

Tijdens voorgenoemd gesprek heeft eiser tevens aangekondigd op 30 augustus 2015 het college Cultuurgeschiedenis bij te zullen wonen, om te zien hoe het in de nieuwe opzet gegeven wordt. Eiser heeft vervolgens via Facebook anderen opgeroepen om met hem dit college bij te wonen om hem te steunen. Hij heeft daarbij vermeld dat hem niet is toegestaan dit college te geven. Verweerder heeft hierop besloten het college te verplaatsen, waardoor eiser dit college niet heeft kunnen bijwonen. Verweerder heeft aangegeven dat collega’s zich door deze actie van eiser onveilig dan wel onprettig voelden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden.

1.14

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit 1 genomen. Na dit besluit zijn partijen, in een uiterste poging om tot een goede taakinvulling te komen, medio september 2015 gestart met mediation. Dit heeft niet geleid tot een oplossing en de mediation is in oktober 2015 gestaakt.

1.15

Bij brief van 15 oktober 2015 heeft [naam 4] eiser te kennen gegeven het, gelet op de ontstane impasse, alleen nog zinvol te achten gesprekken met hem te voeren over de invulling van zijn onderwijstaak, als hij de volgende (basale) uitgangspunten voor het onderwijs wil onderschrijven:

- eiser zal alle (onderwijs)taken (cursussen, scripties, etc) die hem op gebruikelijke wijze zullen worden toebedeeld, naar beste kunnen en in samenspraak met zijn collega’s uitvoeren, met inachtneming van de afspraken die door het opleidingsteam zijn gemaakt en de kaders en aanwijzingen die door zijn leidinggevende worden gesteld, uiteraard met behoud van de gebruikelijke vrijheid in de invulling hiervan;

- eiser zal steeds op de aangegeven tijd, evenals zijn collega’s, ter beoordeling de toetsdossiers en literatuurlijst aanleveren aan zijn leidinggevende, waarbij is opgenomen welke stukken het toetsdossier ten minste omvat;

- eiser zal de onderwijs- en examenregeling van de opleiding, die op alle studenten en docenten van toepassing is, nakomen.

[naam 4] heeft daarbij benadrukt dat als eiser de uitgangspunten voor het onderwijs onderschrijft en zal nakomen, verder kan worden gepraat over de invulling van de onderwijstaak van eiser en dat zal worden gewerkt aan het herstel van het (ernstig) beschadigde vertrouwen met de leidinggevenden en de collega’s van eiser.

1.16

Bij brief van 22 oktober 2015 heeft eiser een reactie gegeven, waaruit valt op te maken dat eiser de genoemde uitgangspunten niet wil onderschrijven. Eiser heeft aangegeven zich niet te herkennen in de gestelde impasse en de gestelde uitgangspunten als kwetsend en als een vergaand dictaat te ervaren. Deze uitgangpunten laten volgens eiser geen ruimte voor zijn academische vrijheid. Bij brieven van 27 oktober 2015 en respectievelijk 29 oktober 2015 zijn [naam 4] en eiser niet van hun standpunten afgeweken.

1.17

Bij brief van 28 december 2015 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om zijn aanstelling als docent cultuurgeschiedenis te beëindigen vanwege primair onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie en subsidiair wegens een impasse in de werkrelatie en een onherstelbare vertrouwensbreuk met zijn leidinggevenden. Eiser heeft op
12 januari 2016 zijn zienswijze gegeven.

1.18

Op 18 december 2015 heeft eiser verzocht om gedurende het tweede semester twee onderwijstaken, te weten het geven van twee scriptiewerkgroepen (master en bachelor) en het vak Europese Cultuurcentra, te mogen verzorgen. Bij brief van 7 januari 2016 heeft verweerder dit verzoek afgewezen, omdat het vak Europese Cultuurcentra niet meer bestaat en het geven van twee scriptie werkgroepen in strijd is met het beleid en omdat dit verzoek bovendien het voorgenomen ontslag doorkruist.

1.19

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder de ontheffing van eiser van zijn onderwijstaken voor het eerste semester 2015-2016 gewijzigd in een non-actiefstelling. Voor het overige is het primaire besluit 1 gehandhaafd.

1.20

Op 28 januari 2016 heeft verweerder overeenkomstig het voornemen het primaire besluit 2 genomen en eiser met ingang van 1 mei 2016 ontslag verleend. Bij het bestreden besluit 2 is het ontslag gehandhaafd, met dien verstande dat de ontslagdatum is gewijzigd van 1 mei 2016 in een week na dagtekening van het besluit, te weten 22 juli 2016. Het ontslagbesluit van 22 juli 2016 kan naar het oordeel van de rechtbank gelet hierop niet als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt, nu dat besluit slechts een herhaling van het bestreden besluit 2 is.

2. Eiser heeft op hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De beroepen van eiser strekken ertoe dat de non-actiefstelling en het ontslag ongedaan worden gemaakt.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten op juiste gronden zijn genomen en gesteld dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het ontslag

4.1

De rechtbank is van oordeel dat het ontslagbesluit in stand kan blijven op grond van de volgende overwegingen.

4.2

De stelling van eiser dat het ontslag zijn oorzaak vindt in eisers deelname aan de bezettingen van het Bungehuis en het Maagdenhuis volgt de rechtbank niet. Daarvoor zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden. Uit de stukken blijkt dat de aanleiding van dit geschil is gelegen in hetgeen zich heeft voorgedaan naar aanleiding van de wijzigingen in het onderwijsprogramma van de opleiding ACW.

4.3

Ook de beroepsgrond van eiser dat verweerder met de gestelde voorwaarden eiser heeft beperkt in zijn academische vrijheid en dit recht heeft aangetast, slaagt niet. In dat verband stelt de rechtbank voorop dat verweerder op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een ruime vrijheid toekomt bij het bepalen van de inrichting van zijn organisatie (zie de uitspraak van de CRvB van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:286). Die vrijheid geldt ook voor de inrichting en vaststelling van het onderwijsprogramma van de aangeboden opleidingen, mits voldoende duidelijk is dat de door verweerder gemaakte keuzes op zakelijke en objectieve gronden berusten. In het onderhavige geval is daarbij van belang dat de vernieuwing van het onderwijsprogramma was ingegeven door een negatief oordeel van de visitatiecommissie en het teruglopende aantal studenten. De vakken Cultuurpatronen en Wetenschapsfilosofie zijn in het nieuwe onderwijsprogramma aangepast, waardoor ook andere docenten hun lessen hebben moeten wijzigen. Dat de visitatiecommissie over de door eiser gegeven vakken geen negatief oordeel heeft gegeven, maakt nog niet dat verweerder niet de vrijheid had de opleiding ACW in zijn geheel te vernieuwen en aan te passen. Bovendien is eiser, zoals weergegeven onder 1.5, in voldoende mate betrokken bij de nieuwe inrichting van het vak Cultuurgeschiedenis 1. Gelet op de e-mails van [naam 8] en [naam 9] van 30 oktober 2015 en 6 januari 2016, waarin zij verklaren dat zij in het kader van het vernieuwde onderwijsprogramma een gesprek met eiser hebben gehad over de inhoud van het vak Wetenschapsfilosofie, gaat de rechtbank er ook vanuit dat over de inhoud van het vak Wetenschapsfilosofie in het kader van het vernieuwde onderwijsprogramma overleg met eiser heeft plaatsgevonden. De rechtbank is daarbij van oordeel dat – hoewel gewenst – consensus omtrent het vernieuwde onderwijsprogramma geen vereiste is.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat de academische vrijheid van de docent niet zo ver gaat dat hij zich niet hoeft te houden aan het door verweerder in overleg en op zorgvuldige wijze vastgestelde onderwijsprogramma. Gelet op de academische vrijheid stond het eiser evenwel vrij om binnen het vastgestelde nieuwe onderwijsprogramma op eigen wijze en naar eigen inzicht invulling te geven aan de inhoud van de door hem te geven lessen. Dit uitgangspunt heeft verweerder ter zitting van de rechtbank onderschreven. De omstandigheid dat [naam 1] inzicht wilde in de door eiser bij zijn lessen te gebruiken literatuur, maakt nog niet dat daarmee de academische vrijheid wordt aangetast. Bovendien is de rechtbank, nog los van de vraag of de academische vrijheid van eiser al dan niet is aangetast, van oordeel dat het ontslag op grond van de volgende overwegingen in stand kan blijven.

4.5

Het ontslag berust op artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU, waaraan verweerder primair ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB dient de ongeschiktheid voor de functie zich te uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken (uitspraak van de CRvB van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1548).

4.6

De rechtbank is van oordeel dat het laatste geval hier aan de orde is. Niet in geschil is dat eiser altijd goed heeft gefunctioneerd als docent. Ook staat de expertise van eiser niet ter discussie. De ongeschiktheid voor de functie ziet in dit geval op andere aspecten die het vervullen van een functie binnen een organisatie met zich brengen, zoals de samenwerking met collega’s, het opvolgen van werkinstructies, het accepteren van gezagsverhoudingen en het zich houden aan gemaakte afspraken. Uit de stukken, zoals weergegeven onder 1.1. tot en met 1.16, komt duidelijk naar voren dat eiser in onvoldoende mate over de juiste competenties op deze terreinen beschikt en dat zijn houding en gedrag de samenwerking ernstig bemoeilijken, zo niet onmogelijk maken. Dat samenwerking op zichzelf beschouwd geen kerncompetentie is binnen de functie van docent 2, zoals eiser heeft gesteld, doet er niet aan af dat het moeten kunnen samenwerken in een team van docenten en leidinggevenden onmiskenbaar noodzakelijk is binnen een kennisorganisatie, zoals een vakgroep op de universiteit. Eisers aandacht is meer en meer gericht geweest op zijn weerstand tegen de in gang gezette onderwijsvernieuwing en hij heeft vanaf maart 2015 telkens volhard in zijn niet-coöperatieve opstelling jegens het vernieuwde onderwijsprogramma en jegens zijn leidinggevenden. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat eiser gelet op zijn houding en gedrag ongeschikt is voor zijn functie.

4.7

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 3 april 2014, ECLI:NL: CRVB:2016:2803) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

4.8

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende mogelijkheden en gelegenheden zijn geboden om zijn houding en gedrag te wijzigen en/of te verbeteren. Eiser heeft echter steeds, ook ter zitting van de rechtbank, vastgehouden aan zijn eigen gelijk en heeft telkens uitdrukkelijk gesteld dat hij zich niet wil aanpassen en voegen naar de wijzigingen binnen de opleiding en hetgeen daarin van hem wordt gevraagd. Uit de stukken blijkt dat [naam 1] eiser meermaals heeft verzocht zijn onderwijstaken te hervatten, zich te voegen naar het vastgestelde nieuwe onderwijsprogramma, zijn lessen af te stemmen met zijn collega’s en te voldoen aan het inleveren van de benodigde toetsdossiers en literatuurlijsten. Eiser heeft in e-mails, brieven en gesprekken echter telkens opnieuw te kennen gegeven dat hij alleen les wil geven op zijn manier en niet wil voldoen aan de voorwaarden die door verweerder worden gesteld. De door verweerder gestelde voorwaarden, zoals weergegeven onder 1.9 en 1.15, acht de rechtbank geenszins onredelijk. Evenmin kan het feit dat van eiser werd verlangd dat hij zijn lessen afstemde met collega’s of dat hij een literatuurlijst aan zijn leidinggevende zou verstrekken, als onredelijk worden bestempeld. Ondanks dat met eiser verschillende gesprekken zijn gevoerd, waarbij aan eiser ook ruimte is geboden om binnen het vastgestelde onderwijsprogramma zijn eigen accenten te leggen dan wel om het vernieuwde onderwijsprogramma na verloop van tijd te evalueren, heeft eiser volhard in zijn afwijzende houding en zijn gedrag niet kunnen of willen verbeteren.

4.9

De beroepsgrond van eiser dat verweerder in strijd met artikel 2 van het Beoordelingsreglement ten onrechte geen beoordeling heeft opgesteld alvorens over te gaan tot rechtspositionele maatregelen, maakt het voorgaande niet anders. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een officiële beoordeling in het onderhavige geval weinig toegevoegde waarde zou hebben gehad, zodat verweerder in redelijkheid kon afwijken van het Beoordelingsreglement. Verweerder heeft immers in voldoende mate op andere wijze kenbaar gemaakt wat er van eiser werd verlangd en op welke punten zijn houding en gedrag aanpassing behoeften.

4.10

De stelling van eiser dat sprake was van pestgedrag, blokvorming of andere tegenwerking, heeft hij op geen enkele wijze nader onderbouwd of concreet gemaakt. Verweerder kan in dit verband daarom niet worden verweten zich niet als een goed werkgever te hebben gemanifesteerd.

4.11

Ook de beroepsgrond dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 8.4, zesde lid, van de CAO NU niet heeft getracht eiser te herplaatsen, slaagt niet. Verweerder heeft in dat verband gesteld dat gelet op de functie en expertise van eiser er geen andere passende functies vacant waren binnen het gezagsbereik van verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen, terwijl ook eiser niet concreet heeft gemaakt welke mogelijkheden tot herplaatsing er waren. Bovendien bestond bij verweerder op goede gronden geen vertrouwen dat eiser, in een andere functie, zijn houding en gedrag zou verbeteren of aanpassen, zodat er ook geen vertrouwen bestond in een goede afloop bij herplaatsing. De uitlatingen van eiser ter zitting, waar hij uitdrukkelijk heeft gesteld inhoudelijk niet te willen buigen, bevestigen dit beeld.

4.12

Eiser meent ten slotte dat hij in verband met zijn deelname aan de bezettingen en wegens zijn activiteiten voor de sollicitatie-, pre-, en contactcommissie ontslagbescherming geniet, omdat deze activiteiten gelijk zijn te stellen met medezeggenschapsactiviteiten. Zoals overwogen onder 4.2 is niet gebleken dat het ontslag op enigerlei wijze verband houdt met eisers deelname aan de bezettingen. Dat verweerder hem wel heeft verweten dat hij niet adequaat heeft gereageerd op de e-mail van [naam 1] van 19 maart 2015, waarin hem de opdracht is gegeven zijn werk ter hervatten, vindt weliswaar zijn oorzaak in de betrokkenheid van eiser bij de bezettingen, maar ziet op zichzelf niet op zijn deelname aan de bezettingen. [naam 1] heeft juist expliciet aan eiser te kennen gegeven niet in de weg te willen staan aan zijn activisme, maar van eiser werd – niet ten onrechte – verwacht dat hij zijn onderwijstaken zou uitvoeren, zoals ook zijn mede activisten-stafleden dat deden tijdens de bezetting. Nu het ontslag van eiser geen verband houdt met zijn activiteiten in het kader van de bezetting van het Bungehuis en het Maagdenhuis, komt reeds om die reden eiser geen ontslagbescherming toe op grond van de Wet op de Medezeggenschap, wat er verder ook zij van eisers stelling dat de bezettingen gelijkgesteld kunnen worden met werk in het kader van de medezeggenschap. Evenmin is de rechtbank gebleken dat eiser is aangesproken op zijn activiteiten voor de sollicitatie-, pre- en contactcommissie, noch dat zijn aanstelling om die reden is beëindigd. Eiser kan dan ook om die reden geen ontslagbescherming toekomen op grond van de Wet op de Medezeggenschap.

4.13

Verweerder was gelet op het voorgaande bevoegd om eiser met toepassing van artikel 8.4 eerste lid, van de CAO NU te ontslaan. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Ook de overige beroepsgronden kunnen niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Nu eiser ontslag was verleend kon verweerder ook in redelijkheid besluiten dat hij tot de datum van ontslag op non-actief werd gesteld. Ook dit onderdeel van het bestreden besluit 2 houdt daarom stand.

4.14

De rechtbank stelt verder vast dat het ontslag in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 8.9, derde lid, van de CAO NU, nu dit is ingegaan een week nadat verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen. Nu het primaire ontslagbesluit niet is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, is er gelet op artikel 7:15 van de Awb geen reden om aan eiser proceskosten voor de behandeling van het bezwaar toe te kennen.

Ten aanzien van de non-actiefstelling voor het eerste semester en de dienstopdracht

5. Ook het besluit van 4 september 2015 inzake de non-actiefstelling en de dienstopdracht om niet op de werkplek te verschijnen, kan naar het oordeel van de rechtbank in stand blijven. Gelet op de principiële weigering van eiser om gevolg te geven aan de wensen van verweerder en zijn voornemen en (openbare) oproep op Facebook om colleges van collega’s bij te wonen, heeft verweerder in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om eiser te weren van de werkplek, te meer omdat dit was beperkt tot het eerste semester van het studiejaar. Verweerder heeft zich daarbij op goede gronden op het standpunt gesteld dat dit gedrag door collega’s als intimiderend zou kunnen worden ervaren en ordeverstorend zou kunnen werken.

6. De beroepen zijn ongegrond.

Ten aanzien van de redelijke termijn

7.1

Eiser heeft aanspraak gemaakt op schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

7.2

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

7.3

Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

7.4

In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan 2 jaar heeft geduurd. In dit geval is er geen aanleiding van deze termijn af te wijken. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.

7.5

De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Het bezwaarschrift in de zaak met nummer 16/931 is ontvangen op 14 september 2015. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn 2 jaar en bijna 2 maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiser heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure in eerste aanleg meer dan 2 jaar zou mogen bedragen. Daarmee is de redelijke termijn met bijna 2 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500,-. De overschrijding moet geheel worden toegerekend aan de rechtbank.

7.6

In de procedure 16/3938 is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

7.7

De rechtbank ziet aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van eiser voor verleende rechtsbijstand ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op een bedrag van in totaal € 495,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een vergoeding van schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) in de

proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, voorzitter, en mr. A. Buiskool en

mr. L.N. Nijhuis, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.