Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8826

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3934 en AWB - 17 _ 3984
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiser een vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats met kiosk en/of reclamebord voor zijn schip (met nummer) in de haven van Oudeschild.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/3984 en HAA 17/3934

tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , verzoeker, tevens eiser

(gemachtigde: mr. E. van Kampen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Soest).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiser een vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats met kiosk en/of reclamebord voor zijn schip [nummer] in de haven van Oudeschild .

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden M. Nicolai en M. Oosterdijk, bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Eiser heeft op 27 juni 2016 verzocht om een vergunning voor het innemen van een ligplaats met het schip [nummer] met het plaatsen van een kiosk en een reclamebord.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de ligplaatsvergunning geweigerd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat bij het uitgeven van ligplaatsen voor een rondvaartboot is gesteld dat het betreffende schip per 1 januari 2016 al werd geëxploiteerd als rondvaartschip. Dat is bij eiser niet het geval. Voorts heeft verweerder aangegeven dat als eiser kan aantonen dat hij over visserijrechten beschikt, kan worden overwogen hem een vaste ligplaats te geven. Zolang dit niet duidelijk is, houdt eiser de status van dagondernemer en komt hij niet in aanmerking voor een ligplaats in de oude havens .

4. In bezwaar heeft de Commissie Bezwaarschriften Gemeente Texel (de Commissie) verweerder geadviseerd het bezwaar van eiser gegrond te verklaren. De commissie heeft vastgesteld dat in de Havenverordening Oudeschild 2016 (hierna: Verordening) nergens een vergunningplicht voor (specifiek) rondvaartboten/schepen is opgenomen. In de verordening wordt enkel het begrip ‘schip’ vermeld, waaronder volgens de definitiebepaling van de Verordening wordt verstaan: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water. Verder is de commissie van mening dat de aanvraag van eiser had moeten worden beoordeeld op basis van de criteria zoals genoemd in artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening. De Commissie meent dan ook dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.

5. Verweerder heeft het bezwaar bij het bestreden besluit, in afwijking van het advies van de Commissie, ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat op 1 januari 2016 de Nieuwe Havenverordening is werking is getreden, waarin een vergunningsstelsel is opgenomen, bedoeld voor rondvaartschepen in de Oude Havens . Dit stelsel en de wijze waarop daar uitvoering aan is gegeven, is in overleg met de belanghebbende in de haven tot stand gekomen. Om voor een ligplaatsvergunning in aanmerking te komen moet er sprake zijn van het bedrijfsmatig exploiteren van een vaartuig in de Oude Havens gedurende minimaal 4 dagen per week in de periode tussen Pasen en 1 november van elk jaar. Er is een richtlijn afgesproken dat rondvaartschepen die op 1 januari 2016 al een ligplaats hadden in de haven in aanmerking komen voor een vergunning. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de beschikbare ruimte voor alle activiteiten in de haven van Oudeschild beperkt is en dat om die reden zorgvuldig met alle betrokkene is gekeken naar de mogelijkheden om de beschikbare kades zo doelmatig mogelijk te gebruiken, waarbij rekening wordt gehouden met alle belanghebbenden, hetgeen heeft geleid tot een bepaalde kade-indeling. Vaste rondvaartschepen hebben een vaste ligplaats gekregen. Andere vaste gebruikers, zoals kleine vissersschepen, krijgen ook altijd een ligplaats. Eiser is volgens verweerder onduidelijk over zijn (bedrijfsmatige) activiteiten in de haven en vooralsnog is dan ook niet gebleken dat eiser zijn schip ten behoeve van rondvaarten bedrijfsmatig exploiteert in de Oude Havens gedurende minimaal 4 dagen per week in de periode tussen Pasen en 1 november van elk jaar. Uit de door eiser overgelegde stukken is ook niet gebleken dat eiser zijn nieuwe schip voor 1 januari 2016 heeft aangekocht. In ieder geval zou het verlenen van een vaste ligplaatsvergunning aan eiser leiden tot een verstoring van de gemaakte afspraken en intenties die ten grondslag liggen aan de invoering van het vergunningstelsel. Dit leidt tot een ontwrichting van de systematiek over de indeling en het gebruik van de kades. De gevraagde vergunning moet daarom volgens verweerder worden geweigerd op grond van de in artikel 3.3, vijfde lid, onder sub d en e, van de Verordening opgenomen weigeringsgronden. Een vergunning aan eiser zou immers tot gevolg hebben dat belangen van derden onevenredig worden geschaad terwijl voorts een doelmatig gebruik van de haven zich verzet tegen vergunningverlening.

6. In beroep heeft eiser betoogd dat verweerder niet heeft gemotiveerd op grond waarvan de weigeringsgronden, zoals genoemd in artikel 3.3, vijfde lid, onder d en e, van de Verordening van toepassing zijn. Niet is aangegeven waarom en welke belangen van derden door vergunningverlening zouden worden geschaad. Ook is uit het bestreden besluit niet gebleken waarom een doelmatig gebruik van de haven zich zou verzetten tegen vergunningverlening aan eiser. Eiser meent dat de weigering om hem een ligplaatsvergunning te verlenen is gebaseerd op willekeur. Eiser is al vele jaren actief in de haven van Oudeschild en is voor zijn bedrijfsvoering afhankelijk van een ligplaats.

7. In de Havenverordening Oudeschild 2016 zijn – voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen.

Artikel 1 sub h:

Schip: Elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water.

Artikel 1 sub j:

Ligplaats: Plaats in het water, aangewezen voor het meren of ankeren van een schip.

Artikel 3.1, eerste lid (Verboden):

Het is verboden zonder vergunning van het college een ligplaats in te nemen en een aan het schip functionele kiosk en/of reclamebord te plaatsen in de Oude Havens .

Artikel 3.2, eerste lid (Vergunning voor een ligplaats zoals aangegeven op de tekening vergunningsgebied):

Een vergunning geldt voor het bedrijfsmatig exploiteren van een vaartuig in de Oude havens gedurende minimaal 4 dagen per week in de periode tussen Pasen en 1 november van elk jaar (…).

Artikel 3.3, vijfde lid (Overige voorschriften):

Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd:

d. indien de belangen van derden hiermee onevenredig worden geschaad;

e. indien een doelmatig gebruik van de haven zich daartegen verzet.

8.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen allereerst in geschil is de vraag of eiser in aanmerking komt voor een vaste ligplaatsvergunning voor zijn schip [nummer] in de Oude Havens van Oudeschild.

8.2.

Uit de Verordening valt niet af te leiden dat het vergunningenstelsel specifiek en uitsluitend ziet op rondvaartschepen. De omstandigheid dat met de Verordening is bedoeld een vergunningstelsel voor rondvaartschepen in het leven te roepen, zoals in het advies van burgemeester en wethouders aan raad van november 2015 (hierna: Advies) is vermeld, maakt dit niet anders. De bepalingen van de Verordening zijn op zichzelf bezien duidelijk en doorslaggevend. Daarbij komt dat de door verweerder gehanteerde peildatum van 1 januari 2016 ook niet is opgenomen in de Verordening, noch in de totstandkomingsgeschiedenis daarvan noch in het Advies. De stelling van verweerder ter zitting dat de datum van 1 januari 2016 als vaste gedragslijn wordt gehanteerd, was, nog daargelaten de vraag of verweerder met een vaste gedragslijn de werking van de Verordening zou kunnen inperken, in ieder geval ten tijde van de aanvraag van eiser niet geconcretiseerd. In dit verband is van belang dat de beleidsregels vergunningsverlening Havenverordening Oudeschild 2016 pas op 8 augustus 2017 zijn vastgesteld en op 9 augustus 2017 in werking zijn getreden. Ook de door verweerder in het bestreden besluit genoemde richtlijn, waarbij zou zijn afgesproken dat rondvaartschepen die op 1 januari 2016 al een ligplaats hadden in de haven in aanmerking komen voor een vergunning, is niet kenbaar gemaakt.

8.3.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zorgvuldig onderzocht waarom eiser niet in aanmerking zou komen voor een ligplaatsvergunning. Indien volgens verweerder onduidelijkheid zou bestaan over de (bedrijfsmatige) activiteiten van eiser in de haven, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser in de gelegenheid te stellen hieromtrent duidelijkheid te verschaffen. Voorts heeft verweerder in het geheel niet gemotiveerd om welke reden het verlenen van een ligplaatsvergunning aan eiser zou leiden tot een verstoring van de vaste afspraken en intenties, die ten grondslag liggen aan de invoering van het vergunningstelsel en dat het verlenen van een vergunning aan eiser zou leiden tot een ontwrichting van de systematiek over de indeling en het gebruik van de kades. Verweerder heeft op de zitting een tekening van de haven getoond, met daarop aangegeven de schepen, die een ligplaatsvergunning dan wel een vaste ligplaats hebben gekregen. Deze tekening heeft echter betrekking op de situatie per 1 januari 2017. De tekening en indeling van de haven per 1 januari 2016 is niet verstrekt.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ontbeert het een deugdelijke motivering en derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Reeds gelet hierop komt de voorzieningenrechter op dit moment niet meer toe aan de vraag of eiser al dan niet als visserschip in aanmerking komt voor een vaste ligplaats in de Oude Havens van Oudeschild .

10. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

11. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzieningenrechter eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de reactie van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

12. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.

13. De voorzieningenrechter ziet in wat zij hiervoor heeft overwogen aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verweerder aan eiser tot aan de datum van de einduitspraak een vaste ligplaats verleent in de Oude Havens van Oudeschild . In het geval verweerder na deze tussenuitspraak overgaat tot het alsnog verlenen van een ligplaatsvergunning dan wel een vaste ligplaats, dan vervalt de hierboven getroffen voorziening.

14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- bepaalt dat verweerder eiser voor zijn schip [nummer] tot aan de datum van de einduitspraak een vaste ligplaats verleent in de Oude Havens van Oudeschild . Deze voorziening vervalt in het geval verweerder alsnog overgaat tot het verlenen van een ligplaatsvergunning dan wel een vaste ligplaats;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.