Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8800

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
16/541
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aannemelijk dat vennootschap in het onderhavige jaar het besluit heeft genomen om uit aandeelhoudersoverwegingen af te zien van invorderingsmaatregelen jegens haar aanmerkelijkbelanghouder. Daarmee heeft zich de voor een winstuitdeling vereiste vermogensverschuiving ten laste van de winst(reserves) van de vennootschap voltrokken, waarvan zowel de vennootschap als de aanmerkelijkbelanghouder zich bewust moeten zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2564
V-N 2018/11.2.3
Viditax (FutD), 27-10-2017
FutD 2017-2694
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/541

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2017 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: mr. F.A. Piek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

15/5752

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 13.000.000. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar, heeft verweerder de navorderingsaanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 12.204.543.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2017.

Namens eiseres is ter zitting verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. van Gorsel, mr. drs. B.J.E. Lodder en mr. P. Warnaar.

Overwegingen

Feiten

1. In 2002 heeft eiseres, die alle aandelen houdt in [A BEDRIJF] N.V. (hierna: [A BEDRIJF] ), een in Frankrijk gelegen woning (hierna: de woning) gekocht voor € 1.816.555. Ter voldoening van de koopsom heeft zij van [A BEDRIJF] een lening aangetrokken die zij in rekening-courant schuldig is gebleven. Daarnaast heeft zij voor de verbouwing van de woning gelden geleend van [A BEDRIJF] die eveneens in rekening-courant schuldig zijn gebleven. Eind 2003 beliep de rekening-courantschuld van eiseres aan [A BEDRIJF] € 12.762.359. Een deel van die schuld is gebruikt voor consumptieve uitgaven.

2. In 2004 heeft eiseres de woning geherfinancierd. Daartoe heeft zij een hypothecaire lening van € 2.347.525 aangetrokken van [A BANK] N.V. (hierna: [A BANK] ). Met die gelden heeft zij een deel van haar rekening-courantschuld afgelost. Eind 2004 beliep de schuld aan [A BANK] € 2.400.317.

3. In maart 2007 is de woning getaxeerd op een bedrag van € 9.050.000. De schuld aan [A BANK] beliep toen nog steeds € 2.400.317.

4. Op 11 april 2007 deed [B BEDRIJF] B.V. een betaling van € 800.000 aan [C BEDRIJF] B.V. De enig aandeelhouder in [C BEDRIJF] B.V. is [A] , zijnde de echtgenoot van eiseres (hierna: [A] ). Indirect aandeelhouder van [B BEDRIJF] B.V. is [B] (hierna: [B] ).

5. In 2007 hebben partijen een compromis gesloten teneinde een winstuitdeling in het jaar 2002 te voorkomen. In dat kader sloten eiseres en [A BEDRIJF] op 8 november 2007 een overeenkomst van geldlening. Die overeenkomst luidt – voor zover van belang – als volgt:

“OVERWEGENDE DAT:

(…)

B. De Geldgever de Lening wil verrekenen met de tussen Geldgever en Geldnemer bestaande rekening-courantverhouding.

C. De Geldnemer in het bezit is van een landgoed (…) (hierna aangeduid als het “[LANDGOED]”), welke een waarde van circa EUR 10.000.000 (…) vertegenwoordigen.

(…)

Artikel 2 De faciliteit

2.1

Onder de bepalingen van deze Overeenkomst, verstrekt de Geldgever de Lening, zijnde een lening met de hoofdsom van maximaal EUR 13.000.000 (…), aan de Geldnemer.

(…)

Artikel 4 Looptijd

4.1.

De lening heeft een looptijd van 5 jaar, te rekenen vanaf de datum van ondertekening van deze Overeenkomst, derhalve eindigend op 31 december 2011 (…).

(…)

Artikel 7 Garanties

7.1

De Geldnemer verbindt zich gedurende de Looptijd niet over te gaan tot het hypothecair belasten van het [LANDGOED] , met uitzondering van lid 2 van dit artikel. (…)

7.2

Zo de Geldgever dat wil, zal de Geldnemer het [LANDGOED] hypothecair belasten ten behoeve van de Geldgever. Indien en voor zover nodig verstrekt de Geldnemer hierbij aan Geldgever de onherroepelijke volmacht daarbij Geldnemer te vertegenwoordigen.

7.3

De Geldnemer verplicht zich bij verkoop van het [LANDGOED] de daaruit verkregen gelden aan te wenden voor terugbetaling van de Lening.”

6. In de balans van [A BEDRIJF] per 31 december 2007 is opgenomen een vordering op eiseres van € 12.935.340.

7. In 2008 heeft [B] dan wel [D BEDRIJF] B.V. betalingen gedaan aan eiseres ten belope van in totaal € 4.430.066.

8. Op 17 oktober 2008 is tussen eiseres en [B] de eerste verkoopovereenkomst gesloten waarbij de woning werd verkocht voor ongeveer € 7.400.000, exclusief bijkomende kosten. Blijkens een andere – ongedateerde – overeenkomst tussen eiseres en [B] werd ook de inboedel van de woning verkocht voor € 2.000.000.

9. Uit een bijlage bij de door [A BEDRIJF] voor het jaar 2008 gedane aangifte vennootschapsbelasting blijkt een vordering op eiseres per 31 december 2008 van € 11.000.000.

10. Op 8 oktober 2009 werd tussen eiseres en [B] de tweede verkoopovereenkomst gesloten. Daarbij werd de woning verkocht voor ongeveer € 4.750.000, exclusief bijkomende kosten.

11. Uit de fiscale balans van [A BEDRIJF] blijkt dat zij op 31 december 2009 een vordering had op eiseres van € 11.000.000. Tevens is in die balans opgenomen een schuld in rekening-courant aan eiseres van € 417.510. In feite had [A BEDRIJF] echter een vordering in rekening-courant op eiseres van € 383.000 omdat in 2008 het hiervoor onder 4 vermelde bedrag van € 800.000 ten onrechte als ontvangst uit verkoop van de woning in Frankrijk werd geboekt.

12. Op of omstreeks 5 januari 2010 deed [B BEDRIJF] B.V. een betaling van € 1.400.000 aan [C BEDRIJF] B.V. Dit bedrag en meergenoemd bedrag van € 800.000 zijn op 8 januari 2010 aangewend om te voldoen aan de stortingsverplichting met betrekking tot 6.000 aandelen die door [C BEDRIJF] B.V. waren uitgegeven.

13. Op 15 mei 2010 heeft eiseres de eigendom van de woning overgedragen.

14. Op 26 mei 2010 ontving eiseres op haar bankrekening een bedrag van € 4.414.351,50. Van die rekening werd op 31 mei 2010 een bedrag van € 4.400.000 overgeboekt naar de rekening van [A BEDRIJF] . Eveneens op 31 mei 2010 maakte [A BEDRIJF] € 4.750.000 over naar de rekening van eiseres en boekte laatstgenoemde vervolgens eenzelfde bedrag over naar de rekening van [E BEDRIJF] N.V. (hierna: [E BEDRIJF] ) met als omschrijving ‘lening’. In haar aangiften voor de jaren 2010 tot en met 2013 heeft eiseres echter geen vordering op [E BEDRIJF] als bezitting verantwoord. Evenmin heeft [A] in zijn aangiften voor het jaar 2010 een vordering op [E BEDRIJF] als bezitting verantwoord.

15. Uit de fiscale balans van [A BEDRIJF] blijkt per 31 december 2010 een vordering op eiseres van € 11.000.000. Daarnaast vermeldt die balans een vordering van eiseres op [A BEDRIJF] in rekening-courant van € 523.457. In feite echter had eiseres evenwel een rekening-courantschuld van € 1.204.543 omdat (i) meergenoemd bedrag van € 800.000 en (ii) in 2010 een bedrag van € 1.345.000 ten onrechte als verkoopopbrengst van de Franse waren woning geboekt. Beide onjuistheden zijn in 2011 gecorrigeerd.

16. Op grond van de geldleningsovereenkomst diende de lening van eiseres uiterlijk op 31 december 2011 te zijn terugbetaald. Op die datum bedroeg de schuld van eiseres aan [A BEDRIJF] nochtans € 13.512.671. Aan die schuld is in de eindbalans van 2011 een nominale waarde van nihil toegekend.

Geschil

17. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of eiseres in het onderhavige jaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten ten bedrage van € 12.204.543.

Verweerder beantwoordt deze vraag in bevestigende zin en stelt zich op het standpunt dat voor dat bedrag sprake is van een winstuitdeling van [A BEDRIJF] aan eiseres die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoort. Eiseres stelt zich daarentegen op het standpunt dat zij in het onderhavige jaar geen inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten. In dat verband doet zij mede een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daarnaast heeft eiseres verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het geschil

18. Van een winstuitdeling die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoort, is sprake indien zich in het onderhavige jaar een vermogensverschuiving van [A BEDRIJF] naar eiseres heeft voorgedaan die wordt gedekt door in [A BEDRIJF] aanwezige winst(reserves) (vgl. HR 18 februari 1959, nr. 13.763, ECLI:NL:HR:1959:AY0777, BNB 1959/124).

19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige jaar sprake is van een winstuitdeling ten belope van de totale schuld van eiseres aan [A BEDRIJF] per 31 december 2010, zijnde € 11.000.000 vermeerderd met € 1.204.543 (zie onderdeel 15 hiervoor), derhalve € 12.204.543.

20. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst verweerder erop dat eiseres in het onderhavige jaar de Franse woning heeft verkocht en dat de opbrengt van die verkoop van ruim € 4.400.000 niet is aangewend voor de aflossing van de schulden van eiseres aan [A BEDRIJF] . Weliswaar heeft eiseres op 31 mei 2010 een bedrag van € 4.400.000 overgemaakt naar de rekening van [A BEDRIJF] , maar laatstgenoemde heeft op haar beurt, aldus verweerder, op dezelfde dag een bedrag van € 4.750.000 overgemaakt naar de rekening van eiseres. Dit bedrag is vervolgens door eiseres ter beschikking gesteld aan [E BEDRIJF] . Van een vordering op [E BEDRIJF] is, aldus nog steeds verweerder, in de aangiften van eiseres over het onderhavige jaar en de jaren 2011 en 2012 geen melding gemaakt. Ook in de door [A] over het onderhavige jaar gedane aangifte wordt van een dergelijke vordering niet gewaagd.

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het hetgeen hij ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat vanaf enig moment in 2010 redelijkerwijs niet meer te verwachten was dat eiseres aan haar verplichtingen jegens [A BEDRIJF] zou voldoen. In 2010 heeft eiseres immers een betaling in verband met de verkoop van de woning ontvangen van ruim € 4.400.000 ontvangen. Mede gelet op het bepaalde in onderdeel 7.3 van de hiervoor aangehaalde overeenkomst van geldlening, komt het de rechtbank voor dat bij de afwezigheid van enige aandeelhoudersrelatie tussen [A BEDRIJF] en eiseres die gelden zouden zijn aangewend voor de aflossing van de schulden van eiseres aan [A BEDRIJF] . Eiseres heeft in ieder geval onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom dit anders zou zijn, terwijl dit in dat geval wel op haar weg zou hebben gelegen. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [A BEDRIJF] in het onderhavige jaar het besluit heeft genomen om uit aandeelhoudersoverwegingen af te zien van invorderingsmaatregelen jegens eiseres. Daarmee heeft zich de voor een winstuitdeling vereiste vermogensverschuiving ten laste van de winst(reserves) van [A BEDRIJF] voltrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank hadden [A BEDRIJF] en eiseres zich gelet op de omschreven gang van zaken van die vermogensverschuiving bewust moeten zijn (vgl. HR 24 oktober 2003, nr. 37856, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, BNB 2004/112).

22. Aan het voorgaande voegt de rechtbank toe dat niet is gebleken dat het zo-even vermelde besluit al in een eerder jaar dan het onderhavige is genomen. In het bijzonder acht de rechtbank niet aannemelijk dat dit besluit reeds voor 2008 was genomen, reeds omdat [A BEDRIJF] en eiseres in 2007 nog een overeenkomst hebben gesloten waaruit een gezamenlijk voornemen blijkt om de schulden van eiseres binnen vijf jaren af te lossen. Ook vermag de rechtbank niet in te zien op grond van welke feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat meervermeld besluit al in 2008 of 2009 is genomen.

23. Het hiervoor overwogene heeft mede te gelden voor zover de schulden van eiseres aan [A BEDRIJF] de hiervoor vermelde verkoopopbrengst te boven gaan. Gelet op de handelwijze van eiseres en [A BEDRIJF] met betrekking tot die verkoopopbrengst, gaat de rechtbank ervan uit dat ook in zoverre geen aflossing van de schulden van eiseres te verwachten viel bij gebreke van een op die aflossing gerichte wil van [A BEDRIJF] en eiseres. Eiseres heeft immers niets aangevoerd waaruit blijkt dat die wil er in het onderhavige jaar nog wel was. Aldus is sprake van een winstuitdeling door [A BEDRIJF] aan eiseres voor het gehele bedrag van de schulden van eiseres (derhalve € 12.204.543).

24. Eiseres doet voorts een beroep op het vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van dit beroep voert zij aan dat de verweerder welbewust het standpunt heeft ingenomen dat de hiervoor onder 5 bedoelde overeenkomst van geldlening zakelijk is. Deze stelling kan eiseres niet baten reeds omdat verweerder, zo heeft hij ter zitting desgevraagd bevestigd, aan zijn standpunt niet ten grondslag heeft gelegd dat die overeenkomst onzakelijk is en de rechtbank hiervoor ook van de zakelijkheid van die overeenkomst is uitgegaan.

Immateriële schadevergoeding

25. Eiseres heeft in haar ter zitting overgelegde pleitnota verzocht om vergoeding van immateriële schade die is ontstaan door overschrijding van de redelijke termijn.

26. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

27. Zoals de Hoge Raad in onder meer zijn arrest van 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117 heeft overwogen, dient in een geval waarin meerdere zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift.

28. De beroepen inzake de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 hebben beide betrekking op de vraag of eiseres inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten en, zo ja, of dit inkomen in het jaar 2009 dan wel in het jaar 2010 is genoten. In dat geval is sprake van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden dient te worden uitgegaan van het eerst ingediende bezwaarschrift, te weten het bezwaarschrift ingediend op 2 oktober 2014. Daarvan uitgaande is tot op heden een periode van 3 jaar verstreken zodat in beginsel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar.

29. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat in de bezwaarfase door partijen is beoogd om tot een compromis te komen en dat in dat verband besprekingen zijn gevoerd. Hij heeft onder meer verwezen naar het verslag van de hoorzitting op 8 oktober 2015, waarin wordt verwezen naar de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen alsmede de te verwachten bereidheid van de echtgenoot van eiseres om te komen tot gezamenlijke afspraken waarbij ook de Ontvanger betrokken zal zijn. Aan het slot van het verslag is het volgende opgenomen:

“Afspraak

De behandeling van de zaak heeft lang geduurd. [De gemachtigde] stelt voor dat uitspraak wordt gedaan op de bezwaarschriften betreffende de navorderingsaanslag 2009 en 2010. Vervolgens zal er pro forma beroep worden ingesteld. Dit zal partijen meer tijd geven om tot een gezamenlijk compromis te komen (..). [Verweerder gaat] hiermee akkoord.”

30. Op grond van dit verslag acht de rechtbank aannemelijk dat, zoals verweerder ook onvoldoende weersproken heeft gesteld, de behandeling van het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen heeft plaatsgevonden in het kader van een door partijen beoogd compromis. In een dergelijke situatie kan, wanneer een compromis uiteindelijk niet is bereikt, in de regel niet achteraf worden gesteld dat de duur van de overlegperiode zodanig lang was dat dientengevolge voor de inspecteur een verplichting is ontstaan tot vergoeding van immateriële schade. Aldus resteert de vraag of de rechtbank de in acht te nemen termijn heeft overschreden.

31. De uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2010 is gedaan op 17 december 2015. Het tegen die uitspraak ingestelde beroep is ingekomen op 22 januari 2016. Gelet op de periode tot op heden zijn meer dan 18 maanden doch minder dan 24 maanden verstreken. Dat brengt mee dat aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade dient te worden toegekend van € 500. De rechtbank zal deze vergoeding toekennen in de onderhavige zaak.

Proceskosten en griffierecht

32. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198, volgt uit de toekenning van een vergoeding van immateriële schade dat aan eiseres een kostenvergoeding wordt toegekend. De beroepen inzake de navorderingsaanslagen voor de jaren 2009 en 2010 zijn ook in dezen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal deze vergoeding toekennen in het beroep met zaaknummer 16/1167.

33. Nu beide beroepen voorts betrekking hebben op samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht, is in overeenstemming met dit artikel eenmaal griffierecht geheven, te weten in de onderhavige zaak. Verweerder zal mitsdien worden veroordeeld tot vergoeding van het in dat beroep betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van € 500, en

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van Scharrenburg, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J. Gooijer, leden, in aanwezigheid van mr. E.G. van der Laan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.