Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8792

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
C/15/250846 / FA RK 16-6591
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kinderbijdrage: wijziging ivm inkomensteruggang, consequentie van nieuw huwelijk van vader en uitgavenpatroon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/250846 / FA RK 16-6591

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 25 oktober 2017

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.H.M. de Boer, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

en

[meerderjarige] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [meerderjarige] ,

advocaat mr. C.M. Bom, kantoorhoudende te Beverwijk.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 9 november 2016;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw en [meerderjarige] , ingekomen op 23 januari 2017;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de man van 13 september 2017;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw en Teun van 19 september 2017.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 september 2017 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3

De minderjarige [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting haar mening in raadkamer kenbaar gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

De vrouw en de man zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2010.

2.2

Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] in [plaats]

- [meerderjarige] , op [geboortedatum] in [plaats] , inmiddels meerderjarig.

2.3

Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat het convenant en het ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. Volgens het convenant zal de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 920 per maand, € 460 per kind per maand, moet voldoen. De voor [meerderjarige] geldende bijdrage is met ingang van 8 september 2014 van rechtswege omgezet in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

3 Verzoek

De man heeft verzocht de beschikking te wijzigen in die zin, dat de bijdrage voor beide kinderen worden verminderd tot € 98 per maand per kind met ingang van 1 april 2016.

Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven.

4 Verweer

De vrouw en [meerderjarige] hebben verweer gevoerd. Zij betwisten dat er een grondslag zou zijn om de bijdragen aan te passen. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen vermindering van de bijdragen met terugwerkende kracht.

5 Beoordeling

5.1

Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens eerdere beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarvan partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan.

5.2

De rechtbank constateert dat er sprake is van wijzigingen van omstandigheden in de zin van voornoemd artikel. De man is op [huwelijksdatum] gehuwd met [naam] . Voorts is hij sinds 2015 ziek en in verband daarmee gestopt met werken en aangewezen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Zowel het nieuwe huwelijk van de man als diens ziekte zijn omstandigheden die een herbeoordeling van de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de kinderen rechtvaardigen.

5.3

Dat de kinderen aan een bijdrage behoefte hebben, is niet in geschil. De discussie spitst zich toe op het in aanmerking te nemen inkomen van de man.

5.4

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat sprake is van inkomensverlies van de man dat niet verwijtbaar is. De man is eind 2015 ziek geworden. Op dat moment had hij een eenmanszaak en was hij als zelfstandig ondernemer werkzaam. In maart 2016 is niet meer te genezen kanker bij de man geconstateerd. Omdat de man niet meer in zijn onderneming werkzaam kon zijn, heeft hij een beroep moeten doen op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering bij [verzekeraar] . Uit de door de man overgelegde uitkeringsspecificaties blijkt dat de verzekeraar de man een uitkering heeft toegekend naar (volledige) arbeidsongeschiktheid van 100%.

5.5

De rechtbank constateert dat uit de door de man in het geding gebrachte specificaties van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering blijkt dat zijn bruto uitkering € 85,64 per uitkeringsdag is. In de maand februari 2017 (28 dagen) was de bruto uitkering € 2.397,92, in maart en mei 2017 (31 dagen) € 2.654,84 en in april en juni 2017 (30 dagen) € 2.568,20. Er wordt geen vakantietoeslag uitgekeerd. De vrouw heeft deze informatie over de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de man niet (inhoudelijk) betwist.

5.6

De vrouw en [meerderjarige] hebben aangevoerd dat de man meer inkomsten moet hebben dan hij heeft gemeld, omdat hij zeer regelmatig op vakantie gaat. Volgens de vrouw en [meerderjarige] geniet de man additionele inkomsten uit de verkoop van goederen op markten en fairs. De man doet dit, volgens hen, een aantal keren per maand. De keuze van de man om in het huwelijk te treden mag, volgens hen ook geen gevolgen hebben voor zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen

5.7

De rechtbank stelt voorop dat het bedrag aan draagkracht van de man volgens de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) forfaitair wordt vastgesteld. Voor de vaststelling van kinderbijdrage is het netto besteedbaar inkomen van de alimentatieplichtige het uitgangspunt. Het forfaitaire stelsel is mede bedoeld om mensen de vrijheid te geven om hun vrij besteedbare ruimte te kunnen besteden op de wijze zoals zij dat zelf willen.

Voorrang van kinderalimentatie boven andere onderhoudsverplichtingen heeft tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking wordt genomen en geen rekening wordt gehouden met de nieuwe partner. Gedachte hierachter is dat een partner in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien.

5.8

Wat het betoog van de vrouw over de aanvullende inkomsten van de man betreft is de rechtbank van oordeel dat er voldoende objectieve aanknopingspunten zijn dat de man wegens arbeidsongeschiktheid niet meer aan het arbeidsproces kan deelnemen. Zo impliceert het feit dat de man door de verzekeraar een uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 100% is toegekend dat de man niet meer geacht kan worden over een verdiencapaciteit te beschikken die hij moet benutten. De enkele omstandigheid dat de man ook actief aanwezig is op markten waar zijn echtgenote in het kader van haar onderneming een kraam huurt, betekent nog niet dat de man geacht kan worden structurele inkomsten hieruit te ontvangen. De rechtbank wijst erop dat de echtgenote van de man niet onderhoudsplichtig is voor de kinderen, omdat de kinderen niet tot het huishouden van haar en de man behoren.

5.9

De vrouw en [meerderjarige] hebben aangevoerd dat, op grond van jurisprudentie, van de man verwacht kan worden om in te teren op vermogen in zijn woning, schulden te maken of desnoods zijn auto te verkopen om te bewerkstelligen dat hij aan zijn onderhoudsverplichtingen kan blijven voldoen. De rechtbank overweegt dat dit standpunt miskent dat bij de man geen sprake is (geweest) van verwijtbaar en / of voor herstel vatbaar inkomensverlies. Nu de vrouw de grondslag van haar betoog terzake niet heeft geconcretiseerd en / of met uitspraken in de door haar aangegeven zin heeft onderbouwd, zal de rechtbank dit verwerpen.

5.10

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voor de bepaling van de draagkracht van de man (slechts) moet worden uitgegaan van inkomen uit de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De advocaat van de man heeft op grond van dit inkomen een draagkrachtberekening gemaakt met als uitkomst dat de draagkracht van de man € 237 per maand is. De (uitkomst van de) berekening is niet inhoudelijk betwist. De vrouw en [meerderjarige] hebben hun verweer immers toegespitst op de verplichting van de man om uit andere bronnen aan zijn onderhoudsplicht te blijven voldoen. De rechtbank zal de berekening van de man volgen en de draagkracht bepalen op € 237 per maand. Omdat [meerderjarige] op 8 september 2017 21 jaar is geworden en de man thans niet meer onderhoudsplichtig voor hem is, zal de gehele draagkracht van de man vanaf die datum voor [minderjarige] beschikbaar zijn.

5.11

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de eerder vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

ingangsdatum

5.12

De vrouw en [meerderjarige] hebben verweer gevoerd tegen de door de man verzochte ingangsdatum 1 april 2016. Ter zitting heeft de advocaat van de man gesteld dat de man, gezien de hoogte van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, lang een te hoog bedrag heeft betaald. Het is echter niet de bedoeling van de man dat de vrouw en [meerderjarige] het teveel betaalde terugbetalen. De man heeft voorgesteld dat wordt bepaald dat hij met ingang van

1 september 2017 aan de vrouw een bijdrage van € 237 voor [minderjarige] gaat betalen. De vrouw en [meerderjarige] hebben hiertegen geen verweer (meer) gevoerd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 1 september 2017 en om te bepalen dat de man tot deze datum geacht wordt aan zijn verplichtingen te hebben voldaan door hetgeen door hem is betaald of op hem is verhaald.

5.13

Wijst er – ten overvloede - op dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 20 oktober 2010 en het erin opgenomen ouderschapsplan de door de man aan [meerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op nihil met ingang van 1 september 2017, waarbij de man geacht wordt tot die datum aan zijn verplichtingen te hebben voldaan door hetgeen hij heeft betaald dan wel wat op hem is verhaald en [meerderjarige] hetgeen hij eventueel teveel aan bijdrage zou hebben ontvangen niet behoeft terug te betalen aan de man.

6.2

Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 20 oktober 2010 en het erin opgenomen ouderschapsplan dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

dient te voldoen € 237 per maand, met ingang van 1 september 2017 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. waarbij de man geacht wordt tot die datum aan zijn verplichtingen te hebben voldaan door hetgeen hij heeft betaald dan wel wat op hem is verhaald en de vrouw hetgeen zij eventueel teveel aan bijdrage zou hebben ontvangen niet behoeft terug te betalen aan de man.

6.3

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.