Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8522

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5186
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

HAA 15/5186: Verweerder is gedurende de beroepsprocedure tegemoetgekomen, eiser heeft ter zitting het beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling. HAA 15/5187: De navorderingsaanslag IB/PVV 2008 is tijdig vastgesteld. Gelet op de uitspraken in de vennootschapsbelasting (HAA 15/5183 en HAA 15/5184), is eiser aan te merken als middellijk aandeelhouder. Er is sprake van een uitdeling in de inkomstenbelasting voor een bedrag ter grootte van de uitgaven (ten behoeve van de betreffende schepen), vermeerderd met omzetbelasting. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de vergrijpboete kan komen te vervallen. Beroep gegrond.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2549
V-N 2018/11.20.5
Viditax (FutD), 25-10-2017
FutD 2017-2678 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/5186 en HAA 15/5187

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2017 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigden: mr. R. Mulder en mr. A. Stevens),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 april 2014 voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag (aanslagnummer: [A NUMMER] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.047 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van
€ 85.947.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 september 2015 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 13 december 2014 voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag (aanslagnummer: [B NUMMER] ) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.780 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 267.042, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 33.380.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 september 2015 de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Verweerder heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 met dagtekening 28 december 2015 ambtshalve verminderd tot nihil en vernietigd.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken met dagtekening 19 juni 2017 ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017 te Haarlem. Eiser is verschenen, alsmede zijn gemachtigden. Eiser is daarnaast bijgestaan door [A ] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.C. Versteeg en F. Beijert. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen met de zaaknummers HAA 15/5183 en HAA 15/5184, inzake de aan
[A BEDRIJF] B.V. opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting 2008 en 2009.

Eiser heeft het beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 (zaaknummer
HAA 15/5186) ter zitting ingetrokken en hierbij verzocht om een proceskostenveroordeling.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is bestuurder van [A BEDRIJF] B.V., welke vennootschap is opgericht op 23 oktober 2003. De voornoemde B.V. vormt met ingang van 23 oktober 2003 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting samen met [B BEDRIJF] B.V.

2. [A BEDRIJF] B.V. houdt 100% van de aandelen in [C BEDRIJF] B.V., welke vennootschap is opgericht op 1 januari 2005. Met ingang van 9 juni 2005 is [C BEDRIJF] B.V. als dochtermaatschappij opgenomen in voornoemde fiscale eenheid.

3. In 2005 heeft eiser vanuit privé in [C BEDRIJF] B.V. twee schepen ingebracht, genaamd de [C] en de [D] .

4. Ten laste van het resultaat van [C BEDRIJF] B.V. is in 2008 een bedrag van € 238.165 aan kosten gebracht. Dit betreft kosten van genoemde schepen.

5. Ter beoordeling van het bezwaarschrift dat is ingediend tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2008 ten name van [A BEDRIJF] B.V., is een onderzoek ingesteld. De jaren 2007 en 2009 zijn eveneens in het onderzoek betrokken. Het onderzoek heeft zich beperkt tot de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de kosten en opbrengsten van de schepen welke op de balans van [C BEDRIJF] B.V. staan. De bevindingen zijn vastgelegd in het rapport van 1 februari 2015. Voor zover de bevindingen van dit onderzoek gevolgen hebben voor de heffing van de omzetbelasting, is dit ook in het rapport vermeld. De gevolgen van het onderzoek voor de heffing van de inkomstenbelasting van eiser zijn vastgelegd in een afzonderlijk rapport van 1 februari 2015.

6. In het rapport van het boekenonderzoek voor de inkomstenbelasting van 1 februari 2015 is – voor zover hier van belang – het volgende over het jaar 2008 opgenomen:

Correctie: Hoger inkomen uit aanmerkelijk belang box 2 € 238.165 + € 28.877 (omzetbelasting) = € 267.042

En

“3.2.2008

Vastgesteld box 2 inkomen uit aanmerkelijk belang nihil

Bij: correctie uitdeling van winst (2.1.5) € 267.042

Nader vastgesteld box 2 inkomen uit aanmerkelijk belang € 267.042”

Geschil

7. In geschil is of de termijnverlenging ter zake van het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 onder dwang of dwaling tot stand is gekomen. Vervolgens is in geschil of sprake is van een uitdeling van winst door [C BEDRIJF] B.V. aan eiser. Ten slotte is de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding in geschil.

8. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 en de daarbij genomen beschikking ter zake van de vergrijpboete. Het verzoek om verweerder te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten heeft eiser ter zitting ingetrokken.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 (zaaknummer HAA 15/5187) dient te vervallen en dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 dient te worden gehandhaafd. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep met zaaknummer HAA 15/5187 en tot vergoeding van de forfaitaire proceskosten in beide zaken (HAA 15/5186 en HAA 15/5187).

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

HAA 15/5186

11. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

12. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a van de Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

13. De rechtbank stelt vast dat het beroep van HAA 15/5186 ter zitting is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat eiser tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toewijzen.

HAA 15/5187

Navorderingsaanslag: termijn

14. Artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende:

“1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;

b. zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2.17, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. (…)”

15. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de navorderingstermijn ten onrechte is verlengd en dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 niet is opgelegd binnen de wettelijke termijn, zoals neergelegd in artikel 16, derde lid, van de AWR. Eiser stelt hiertoe dat de termijnverlenging voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2008 onder dwang of dwaling tot stand is gekomen. Zonder termijnverlenging zou het gehele bedrag van de navorderingsaanslag direct invorderbaar worden met alle gevolgen van dien, zo stelt eiser in dit verband. Verweerder weerspreekt dat sprake zou zijn van dwang of dwaling en stelt dat eiser op verzoek van zijn toenmalige gemachtigde, [D BEDRIJF] Belastingadviseurs, dertien maanden uitstel heeft genoten in het kader van de zogeheten becon-regeling voor het indienen van zijn aangifte IB/PVV 2008. De aangifte diende uiterlijk 1 mei 2010 te zijn ingeleverd en de aangifte is pas op 30 mei 2011 via modem ontvangen.

16. De rechtbank acht aannemelijk dat de aangifte IB/PVV 2008 van eiser is ingediend met toepassing van de genoemde becon-regeling en dat uitstel is verleend tot 1 mei 2010. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van verweerder heeft eiser geen begin van bewijs geleverd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de hiermee gemoeide termijnverlenging voor het indienen van de aangifte onder dwang of dwaling tot stand is gekomen. Invorderbaarheid van de navorderingsaanslag vloeit voort uit de wet en kan geen afbreuk doen aan de rechtsgeldigheid van de verlenging van de aangiftetermijn. Aangezien uitstel is verleend tot
1 mei 2010, diende de navorderingsaanslag gelet op het bepaalde in artikel 16, derde lid, van de AWR, te worden vastgesteld voor 31 januari 2015. De navorderingsaanslag IB/PVV 2008 is gedagtekend op 13 december 2014, zodat deze tijdig is vastgesteld.

Uitdeling

17. Voor zover eiser stelt dat hij niet kan worden aangemerkt als aandeelhouder van
[A BEDRIJF] B.V., kan de rechtbank hem niet volgen. In de zaken HAA 15/5183 en HAA 15/5184 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat eiser dient te worden aangemerkt als middellijk aandeelhouder van [A BEDRIJF] B.V. Dit oordeel heeft eveneens te gelden voor de inkomstenbelasting.

18. Een verkapte dividenduitkering is aanwezig indien sprake is van een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder als zodanig, leidend tot een verarming van de vennootschap, waarbij de onttrekking uit het vermogen plaatsvindt uit winst of winstreserves, dan wel uit binnen afzienbare tijd te behalen winst. Hierbij dient zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust te zijn van de bevoordeling van de aandeelhouder als zodanig.

19. Zoals de rechtbank in de zaken HAA 15/5183 en HAA 15/5184 heeft geoordeeld zijn de uitgaven voor de schepen uitsluitend gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van eiser als (middellijk) aandeelhouder van [A BEDRIJF] B.V. en [C BEDRIJF] B.V., zodat deze uitgaven een zakelijk karakter ontberen en daarmee niet ten laste van het resultaat van de fiscale eenheid van [A BEDRIJF] B.V. (waartoe [C BEDRIJF] B.V. behoort) kunnen worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat de vennootschap als gevolg hiervan is verarmd, dat ter zake van die kosten sprake is van een vermogensverschuiving naar eiser en eiser hiermee is bevoordeeld in zijn hoedanigheid van (middellijk) aandeelhouder.

20. Naar het oordeel van de rechtbank dient ervan te worden uitgegaan dat eiser, als directeur-grootaandeelhouder van genoemde vennootschappen zich bewust moet zijn geweest van deze bevoordelingen, zodat is voldaan aan de (dubbele) bewustheidseis. Hetgeen partijen voor het overige naar voren hebben gebracht, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit leidt ertoe dat de kosten terecht door verweerder als een uitdeling zijn aangemerkt.

21. Het bedrag van de op de kosten drukkende omzetbelasting is eveneens terecht als uitdeling aangemerkt. Eiser heeft zich immers in privé kosten bespaard inclusief omzetbelasting doordat zijn vennootschap kosten voor hem heeft voldaan, zodat het bedrag van de bevoordeling inclusief omzetbelasting moet worden vastgesteld. Zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat eiser in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek zou hebben kunnen brengen of zou hebben kunnen terugvorderen, zo hij de schepen niet zou hebben ingebracht in [C BEDRIJF] B.V. en hij de schepen in privé zou hebben gehouden. De omstandigheid dat [C BEDRIJF] B.V. op de kosten drukkende omzetbelasting in aftrek heeft gebracht en/of heeft teruggevorderd en in zoverre niet is verarmd, brengt de rechtbank evenmin ertoe de in rekening gebrachte omzetbelasting buiten aanmerking te laten bij het bepalen van de hoogte van de bevoordeling.

Boete

22. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de vergrijpboete voor het jaar 2008 kan komen te vervallen. De rechtbank volgt verweerder hierin zodat het beroep in de zaak
HAA 15/5187 gegrond zal worden verklaard.

Slotsom

23. Gelet op het voorgaande zal het beroep met zaaknummer HAA 15/5187 gegrond worden verklaard en zal een proceskostenvergoeding worden toegekend in de zaak met nummer HAA 15/5186. In onderhavige zaken is (abusievelijk) geen griffierecht geheven. Een vergoeding van griffierecht is niet op zijn plaats.

Proceskosten

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.236 (1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Er bestaat geen recht op een vergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift, aangezien eiser het bezwaarschrift zelf heeft ingediend en niet is gebleken dat hierbij sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gelet op de samenhang van de zaken
HAA 15/5186 en HAA 15/5187 dienen deze op de voet van artikel 3 van het Besluit te worden beschouwd als één zaak.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer HAA 15/5187 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    handhaaft de navorderingsaanslag IB/PVV 2008, vernietigt de vergrijpboete en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar, en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in de beroepen met zaaknummers HAA 15/5186 en HAA 15/5187 tot een bedrag van € 1.236.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en
mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.