Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8521

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5183
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er bestaat het vermoeden dat sprake is van een middellijk aandeelhouder. De uitgaven (ten behoeve van de ingebrachte schepen) zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van deze middellijk aandeelhouder en ontberen een zakelijk karakter. Beroepen ongegrond.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2546
V-N 2018/13.2.3
Viditax (FutD), 25-10-2017
FutD 2017-2678 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/123 met annotatie van mr.drs. A.J. van den Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/5183 en HAA 15/5184

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2017 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigden: mr. R. Mulder en mr. A. Stevens),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 20 november 2010 voor het jaar 2008 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb; aanslagnummer: [A NUMMER] ) opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 435.052. Tevens is bij beschikking € 7.728 aan heffingsrente in rekening gebracht en is bij beschikking een verzuimboete van € 567 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 september 2015 de aanslag Vpb 2008 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbare winst van € 213.696. De bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd. De verzuimboete van
€ 567 is gehandhaafd.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 2 november 2013 voor het jaar 2009 een aanslag Vpb (aanslagnummer: [B NUMMER] ) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil. Daarbij is het verlies vastgesteld op € 117.791 (hierna: de verliesbeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 september 2015 de aanslag Vpb 2009 en de verliesbeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken met dagtekening 19 juni 2017 ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen: haar gemachtigden en dr. [A] . Eiseres is daarnaast bijgestaan door [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.C. Versteeg en F. Beijert. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen met de zaaknummers HAA 15/5186 en HAA 15/5187, inzake de aan dr. [A] opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2007 en 2008.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is opgericht op 23 oktober 2003 en vormt met ingang van 23 oktober 2003 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met [A BEDRIJF] B.V. Deze fiscale eenheid is met ingang van 9 juni 2005 uitgebreid met [B BEDRIJF] B.V., welke vennootschap is opgericht op 1 januari 2005.

2. Er is uitstel verleend voor het doen van de aangifte Vpb 2008 tot 1 mei 2010. Op 28 mei 2010 is aan eiseres een herinnering gestuurd voor het indienen van de aangifte Vpb 2008. Op
23 augustus 2010 is een aanmaning verzonden, op grond waarvan de aangifte Vpb alsnog uiterlijk 6 september 2010 moest worden ingediend. Met dagtekening 20 november 2010 is aan eiseres ambtshalve de aanslag Vpb 2008 opgelegd naar een geschatte belastbare winst ten bedrage van
€ 435.052. Eiseres heeft op 7 december 2010 een aangiftebiljet Vpb 2008 ingediend naar een verlies van € 24.469.

3. Ter beoordeling van het bezwaarschrift dat is ingediend tegen de aanslag Vpb 2008 ten name van eiseres, is bij eiseres een onderzoek naar de Vpb ingesteld. De jaren 2007 en 2009 zijn eveneens in het onderzoek betrokken. Het onderzoek is aangekondigd op 10 oktober 2012 en de eerste dag van het onderzoek was op 12 oktober 2012. Het rapport van het boekenonderzoek is gedagtekend 1 februari 2015. Het voornoemde onderzoek heeft zich beperkt tot de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de kosten en opbrengsten van de schepen die op de balans van [B BEDRIJF] B.V. stonden. In het rapport wordt ook ingegaan op de consequenties voor de omzetbelasting. De gevolgen van het onderzoek voor de heffing van de inkomstenbelasting van dr. [A] zijn vastgelegd in een afzonderlijk rapport van 1 februari 2015.

4. Uit het rapport van het boekenonderzoek voor de Vpb van 1 februari 2015 blijkt – voor zover hier van belang – ten aanzien van de betrokken vennootschappen het volgende:

“ [X] B.V. verricht houdster- en managementactiviteiten.

Dr. [A BEDRIJF] B.V. oefende tot 2007 drie [A BEDRIJF] praktijken uit, in Haarlem, Bloemendaal en Bussum. In 2007 zijn deze praktijken verkocht aan een derde partij. Deze partij bleek echter niet aan de financiële verplichtingen te kunnen voldoen en de patiënten dreigden in het gedrang te komen. Daarom is in 2010 de praktijk in Haarlem teruggekocht en in 2011 ook de praktijken in Bloemendaal en Bussum.
In 2008 en 2009 was er dus geen “eigen” praktijk, maar werd er wel opbrengst behaald met werkzaamheden in de praktijk van een derde en uit vorderingen (…).

In [B BEDRIJF] B.V. zijn vanuit privé twee schepen ingebracht.”

5. Tot de gedingstukken behoort een uittreksel van de Kamer van Koophandel van
14 november 2015 waarin staat vermeld dat eiseres is gevestigd aan de [ADRES]
. Verder blijkt dat de heer dr. [A] (hierna: de heer [A] ) bij eiseres als bestuurder (alleen/zelfstandig bevoegd) in functie is vanaf 23 oktober 2003. [C BEDRIJF] N.V., een vennootschap ingeschreven in het handelsregister van Curaçao, is enig aandeelhouder van eiseres sinds 22 juni 2005.

6. Tot de gedingstukken behoort een van internet afkomstig uittreksel uit het Handelsregister van Curaçao van 19 juni 2017 waarin staat dat [C BEDRIJF] N.V. is opgericht op 1 december 2004 en dat er één aandeel is uitgegeven met een nominale waarde van € 1. Tevens blijkt het volgende:

“Adres Unknown Address

Land Curaçao

Correspondentieadres idem

Buitenlands adres van de zaak [ADRES]

Volgens het uittreksel is de registratie van [C BEDRIJF] N.V. opgeheven per 30 juni 2011 en is de rechtspersoon ontbonden ex artikel 2:25 van het Burgerlijk Wetboek vanaf 25 april 2017.

7. Tot de gedingstukken behoort een Engelstalig van internet afkomstig uittreksel van het Handelsregister van Curaçao van 19 juni 2017 van Stichting [A STICHTING] (hierna: [A STICHTING] ) waarin het volgende staat opgenomen:

“Date of incorporation November 13, 2004
Address Unknown Address
Country Curaçao
Mailing address (same as above)
Description English (…)”

8. Tot de gedingstukken behoort een Openbaar faillissementsverslag natuurlijk persoon
(ex art. 73a Fw.) ten name van de heer [A] waaruit het volgende blijkt:

“Dr. [A] (hierna: [A] ) is [GETAL] jaar en orthodontist. Hij is op 12 januari 2016 bij verstek in staat van faillissement verklaard door de Rechtbank Noord Holland. Het faillissement is aangevraagd door de [A BANK] Haarlem in verband met een nog openstaande vordering inclusief rente en kosten van ongeveer € 530.000,--.

[A] is feitelijk enig aandeelhouder en bestuurder van [D BEDRIJF] BV. (hierna: [D BEDRIJF] ) Formeel is de naamloze vennootschap naar Curacao’s recht [C BEDRIJF] N.V. enig bestuurder en aandeelhouder, doch deze vennootschap zou al in 2011 zijn ontbonden en uitgeschreven uit het register van Curacao zonder overdracht van de aandelen. Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat [A] feitelijk bestuurder en aandeelhouder is.

[D BEDRIJF] is tevens bestuurder en aandeelhouder van [A BEDRIJF] BV., hierna: [A BEDRIJF] . Deze vennootschap is op 10 januari 2014 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [C] tot curator. Door het faillissement zijn de activiteiten van de voormalige vennootschap waarin de activiteiten werden verricht (in Bussum, Velserbroek en Haarlem) gestaakt.

[D BEDRIJF] is tevens enig aandeelhouder en bestuurder van [B BEDRIJF] B.V., hierna: [B BEDRIJF] . Deze vennootschap is op 9 juni 2005 opgericht om haar bedrijf te maken van het verhuren van zeilboten, te weten twee zeewaardige zeilschepen te weten de [A BOOT] en de [B BOOT] . De activiteiten van deze vennootschap zijn niet goed van de grond gekomen en thans gestaakt.

Vanwege het feit dat [D BEDRIJF] en [B BEDRIJF] niet in staat zijn om hun opeisbare verplichtingen te voldoen zal van beide vennootschappen aangifte van faillissement worden gedaan.

De [A BANK] heeft in de periode 2004 tot 2006 diverse privé geldleningen tot een bedrag van ongeveer € 1.8 mio aan [A] verstrekt. Deze geldleningen zijn samen met de zakelijke financieringen van de Bank aan [A BEDRIJF] en [B BEDRIJF] al op 7 februari 2011 opgezegd. Het is [A] niet gelukt om tot een schuldenregeling met de bank te komen.


De woning/voormalige praktijkruimte aan de [ADRES] van de partner van [A] , mevrouw [D] , is in 2015 verkocht waarbij de opbrengst is aangewend om de bank te voldoen. De bank had een eerste recht van hypotheek op dit registergoed voor de privé en zakelijke schulden. De thans nog openstaande vordering is de restantvordering van de bank.

Mr. [E] heeft [A] aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement van [A BEDRIJF] . Bij verstekvonnis d.d. 8 april 2015 heeft de Rechtbank Noord Holland [A] Beheer en [A] bij verstek veroordeeld tot betaling in het tekort van [A BEDRIJF] en veroordeeld om bij wege van voorschot een bedrag van € 500.000,-- te voldoen. Tegen dit vonnis is verzet ingesteld. Vanwege het faillissement is de procedure thans geschorst.

[A] verhuurt zichzelf thans als orthodontist bij andere praktijken.”

9. In de aangiften Vpb tot en met 2006 wordt de heer [A] als 100% aandeelhouder van eiseres vermeld. In de aangifte Vpb 2007 wordt [A STICHTING] en in de aangiften Vpb 2008 en 2009 wordt [C BEDRIJF] N.V. als aandeelhouder van eiseres vermeld. In de aangiften Vpb 2012 en 2013 wordt de heer [A] wederom als 100% aandeelhouder van eiseres vermeld.

10. Uit het rapport van het boekenonderzoek voor de Vpb van 1 februari 2015 blijkt – voor zover hier van belang – ten aanzien van de schepen het volgende:

“Per schriftelijke overeenkomst van 11 april 2004 koopt de heer [A] van de heer [F] te België het zeiljacht ‘ [G] ” Type [H] , bouwjaar 1967.

Afmetingen: lengte 13.81 meter breedte 3.68 meter diepgang 2.14 meter.

Motortype: [A TYPE] 40 pk diesel.

Voor de prijs van €62.500

In de overeenkomst is opgenomen: “De koper is bekend met het feit dat renovatie van het jacht noodzakelijk is met o.a. een defecte dieselmotor.”

Na de aankoop is het schip omgedoopt in “ [B BOOT] ”.

Per schriftelijke overeenkomst van 17 februari 2005 koopt de heer [A] van de heer [I] te Bermuda het Jacht “ [J] . De transactie loopt via een makelaar, [E BEDRIJF] Inc.

De verkoopprijs bedraagt U.S. $ 380.000.

In de koopovereenkomst is onder meer opgenomen:

“The buyer may have the yacht surveyed at his expense, to verify the condition of the yacht and the accuracy of the attached inventory.

No Warranties: The buyer expressly agrees that no warranties or representations, expressed or implied, have been or will be made directly or indirectly by the seller or brokers concerning the condition or use of the yacht. The buyer further expressly agrees that he has not relied upon any oral representation by the seller or the broker as to the condition or capability of the yacht or its inventory. The buyer also recognizes and acknowledges that yachts and their inventory may have both apparent and/or hidden defects and the buyer accepts responsibility for determining the condition of the yacht, its inventory and the existence of any defects.[“]

Na de aankoop heeft het schip haar originele naam teruggekregen, [B BEDRIJF]

Op 14 juli 2005 is het schip door [F BEDRIJF] getaxeerd op € 320.000.

Na aankoop in privé zijn beide schepen in 2005 ingebracht in [B BEDRIJF] B.V. De adviseur licht hierover in een brief van 15 februari 2011 aan de heer [K] van de Belastingdienst, het volgende toe:

“Het Schip [B BEDRIJF] is begin 2005 aangeschaft voor een bedrag van € 325.000 en het schip [B BOOT] voor een bedrag van € 62.500 in 2004. Bij de inbreng van de schepen in [B BEDRIJF] B.V. werd [B BOOT] geactiveerd voor een waarde van € 165.000, wegens het reeds gepleegde onderhoud de [B BEDRIJF] werd ingebracht voor een waarde van € 325.000.

Bij de aanschaf van [B BEDRIJF] was onderzocht en bekend dat er naast de aanschafprijs ook onderhoud gepleegd diende te worden. Dit onderhoud is doordat dit te maken heeft gehad met de aanschaf van het schip in de afgelopen jaren steeds geactiveerd. Inmiddels alweer, het vierde jaar na de aanschaf, werd inmiddels regulier onderhoud gepleegd. Gemeend is, nu er sprake is van kosten voor het reguliere onderhoud, voor het jaar 2008 deze kosten in mindering te brengen op het resultaat.”

De aankoop van de [B BOOT] is voor € 65.000 gefinancierd in privé, met een [A BANK] Hypotheek. Hoewel de tenaamstelling van de [B BOOT] is gewijzigd, staat de hypotheek nog altijd op naam van de heer [A] in privé. De adviseur heeft hierover toegelicht (bespreking van 12 juli 2013) dat bij een wijziging van de tenaamstelling de [A BANK] hoogstwaarschijnlijk de voorwaarden zou willen herzien.

Voor het overige vindt de financiering binnen het concern plaats (uit de opbrengsten van Dr. [A BEDRIJF] B.V.).

Van de inbreng van de schepen uit privé in [B BEDRIJF] B.V. zijn geen schriftelijke overeenkomsten opgemaakt. Op 12 juli 2013 heeft de adviseur tijdens een bespreking hierover verklaard dat de overdracht zich “in het hoofd van de heer [A] heeft afgespeeld”. Dit gold volgens hem ook voor de onderbouwing (berekeningen met grondslagen, taxaties) van de gehanteerde overdrachtsprijzen. Op 11 juli 2005 zijn wel “valuation reports” opgemaakt van beide schepen door [F BEDRIJF] , in opdracht van [B BEDRIJF] B.V. De waarde van de [B BOOT] wordt hierin vastgesteld op € 115.000, de waarde van de [B BEDRIJF] op € 320.000. De heer [A] is het echter om allerlei redenen niet eens met de uitkomsten van deze rapporten en met de gehanteerde werkwijze. Volgens de heer [A] zijn de waarderingen niet serieus uitgevoerd en bestaan deze vooral uit knip- en plakwerk van internet. Zo zouden er zaken worden genoemd die ten tijde van de waardering al verwijderd of veranderd waren.”

11. Het rapport van het boekenonderzoek voor de Vpb van 1 februari 2015 vermeldt voorts dat voor het jaar 2008 en 2009 kosten dienen te worden gecorrigeerd naar een bedrag van
€ 238.165 respectievelijk € 202.233. Voor het jaar 2009 dient de investeringsaftrek voor een bedrag van € 8.467 te worden gecorrigeerd. Volgens voornoemde rapport dient het belastbaar bedrag voor het jaar 2008 te worden vastgesteld op € 213.696 en het belastbaar bedrag voor het jaar 2009 te worden vastgesteld op € 116.190 negatief. In het rapport staat over het jaar 2009 nog het volgende:

“De aanslag vennootschapsbelasting is met dagtekening 2 november 2013 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 117.791-/-. Deze aanslag is, vooruitlopend op de uitkomsten van dit onderzoek vastgesteld. Dit om te voorkomen dat de termijn waarbinnen de aanslag zou kunnen worden vastgesteld zou verstrijken. Uit doelmatigheidsoverwegingen wordt het belastbaar bedrag niet nader vastgesteld.”

Geschil

12. In geschil is of sprake is van een uitdeling van winst door eiseres (via haar dochtermaatschappij, [B BEDRIJF] B.V.) aan de (middellijke) aandeelhouder, de heer [A] , ten bedrage van de ten laste van het resultaat gebrachte kosten en lasten die zien op de schepen de [B BOOT] en de [B BEDRIJF] . De hoogte van de correcties is als zodanig niet in geschil. Ter zitting heeft eiseres verklaard haar beroep tegen de verzuimboete voor het jaar 2008 in te trekken.

13. Eiseres stelt dat geen sprake is van aandeelhouderschap van de heer [A] en dat evenmin sprake is van een winstuitdeling. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen.

14. Verweerder stelt dat sprake is van een verkapte winstuitdeling. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

16. Voor de beantwoording van de vraag of de kosten ten aanzien van de schepen ten laste van de winst van eiseres mogen worden gebracht, sluit de rechtbank aan bij het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2008, nr. 07/10035, ECLI:NL:HR:2008:BC9548, BNB 2008/139. Hierin oordeelt de Hoge Raad dat door een vennootschap gedane uitgaven slechts dan een zakelijk karakter ontberen – en derhalve niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht – indien en voor zover zij zijn gedaan ten behoeve van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). Indien in geschil is of de ondernemer een bepaalde uitgave heeft gedaan met het oogmerk daarmee de zakelijke belangen van de onderneming te dienen dan wel (tevens) met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s), overschrijdt de rechter de grenzen van zijn taak niet door de werkelijke aard van de uitgaven te beoordelen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2002, nr. 36.453, ECLI:NL:HR:2002:AB2865,
BNB 2002/290). Voor de beoordeling of de kosten van de schepen ten laste van de winst van eiseres kunnen worden gebracht, dient te worden beoordeeld of de heer [A] als (middellijk) aandeelhouder van eiseres kan worden aangemerkt en of de kosten naar hun aard al dan niet een zakelijk karakter hebben. Verweerder heeft de bewijslast dienaangaande in het kader van de normale bewijslastverdeling.

17. Eiseres stelt zich onder meer op het standpunt dat de heer [A] niet als haar (middellijk) aandeelhouder heeft te gelden. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Uit de overgelegde stukken, waaronder het uittreksel uit het Handelsregister Curaçao blijkt dat het adres van [C BEDRIJF] N.V. gelijk is aan het adres van eiseres. Op voornoemd uittreksel staat geen adres in Curaçao vermeld. Voorts is geen adres bekend van [A STICHTING] . Daarnaast blijkt uit het Openbaar faillissementsverslag natuurlijk persoon dat de heer [A] als feitelijk bestuurder en aandeelhouder van eiseres en [B BEDRIJF] B.V. is aangemerkt. Voorts is onweersproken dat in de aangifte Vpb 2006 en in de aangifte Vpb 2012 en 2013 de heer [A] als aandeelhouder van eiseres is vermeld. Desgevraagd heeft de heer [A] ter zitting ook niet kunnen aangeven of, en zo ja op welke wijze, hij zijn belang bij de vennootschappen en de schepen aan een derde heeft overgedragen en teruggekregen. Aan het vorenstaande ontleent de rechtbank het vermoeden dat de heer [A] ook in de voorliggende belastingjaren het belang bij de betrokken vennootschappen volledig heeft behouden en als (middellijk) aandeelhouder van eiseres heeft te gelden. Dit vermoeden is ter zitting ook uitgesproken door de rechtbank. Eiseres heeft dit vermoeden niet kunnen ontzenuwen, dat wil zeggen voor redelijke twijfel vatbaar maken. Gelet op dit een en ander stelt de rechtbank vast dat de heer [A] in de onderhavige jaren (middellijk) aandeelhouder was van eiseres en [B BEDRIJF] B.V.

18. Ter zitting is voorts vast komen te staan dat niet in geschil is dat de schepen de [B BOOT] en de [B BEDRIJF] in 2005 in [B BEDRIJF] B.V. zijn ingebracht. De hoogte van de tegenprestatie van [B BEDRIJF] B.V. voor deze inbreng is niet in geschil. Anders dan eiseres kennelijk meent schuilt de door verweerder gestelde bevoordeling van de aandeelhouder van eiseres niet in deze inbreng als zodanig, maar in de door eiseres in de onderhavige jaren gemaakte kosten ter zake van de schepen. Voor zover eiseres betoogt dat de correcties in het jaar van inbreng van de schepen, namelijk in 2005, hadden moeten plaatsvinden verwerpt de rechtbank het betoog van eiseres.

19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitgaven voor de schepen zijn gedaan met het oog op de persoonlijke belangen van de heer [A] . Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat het persoonlijk motief van de heer [A] overheerste met betrekking tot de schepen, aangezien de heer [A] een enthousiast zeezeiler is. Verweerder verwijst naar het rapport van 1 februari 2015 waarin onder meer is aangegeven dat de heer [A] een grote interesse heeft in het beoefenen van zeezeilen en dat hij zich hier hobbymatig mee bezighield, lang voordat hij de schepen aanschafte en besloot in te brengen in [B BEDRIJF] B.V. Verweerder stelt voorts dat op het tijdstip van aankoop sprake was van kapotte schepen, dat de liggelden van de schepen door de heer [A] in privé zijn betaald, dat het schip de [B BOOT] in de jaren 2005 tot en met 2008 privé is gebruikt door de heer [A] en dat voor de jaren 2005 en 2006 wel een vergoeding hiervoor ten laste van eiseres is gebracht, maar dat deze te laag is geweest en dat voor de jaren 2007 en 2008 geen vergoeding in rekening is gebracht. Verweerder heeft in dit verband verder naar voren gebracht dat voor wat betreft het schip de [B BEDRIJF] geen enkel uitzicht was op een vaarklaar en gecertificeerd schip en dat het schip nog steeds niet kan worden gebruikt. Verweerder stelt voorts dat financiële haalbaarheidsonderzoeken ontbreken ter zake van het gestelde charterbedrijf.

20. Eiseres weerspreekt dat de uitgaven ter zake van de schepen een zakelijk karakter ontberen. Eiseres stelt dat de schepen de [B BOOT] en de [B BEDRIJF] zijn ingebracht met het doel om deze schepen te verhuren aan derden. Ook zou het schip de [B BEDRIJF] kunnen worden gebruikt voor representatieve doeleinden. Eiseres meent dat sprake is van een charteronderneming. Dat persoonlijke motieven ten grondslag hebben gelegen aan het starten van de onderneming staat volgens eiseres niet in de weg aan het zakelijke karakter van de uitgaven voor de schepen. Voorts wijst eiseres erop dat begrotingen en bedrijfsplannen zijn gemaakt en dat deskundigen zijn ingeschakeld voor de marketing van schepen en voor de inrichting van het schip de [B BEDRIJF] ten behoeve van de verhuur. De [A BANK] was voorts bereid te investeren, hetgeen volgens eiseres erop wijst dat objectief beoordeeld sprake is van een onderneming. Eiseres erkent dat de schepen nimmer zijn verhuurd door het ontbreken van de vereiste vergunningen/certificaten van Register Holland. Echter, door het niet nakomen van financiële verplichtingen van de koper van de orthodontiepraktijken van de heer [A] , zijn er problemen ontstaan voor de financiering van de nodige voorzieningen en aanpassingen van de schepen. Door deze financieringsproblemen zijn alle werkzaamheden aan de schepen in 2009 noodgedwongen gestopt. Er is volgens eiseres geen sprake van enige overgang van vermogen en evenmin van een bevoordeling van de heer [A] als aandeelhouder. Eiseres heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat de heer [A] niet zou kunnen optreden als schipper nu hij daartoe niet is gekwalificeerd. De heer [L] heeft hierover ter zitting verklaard dat een opleiding tot schipper van schepen als hier aan de orde ongeveer een half jaar duurt, maar dat de bemanning geen opleiding hoeft te hebben afgerond.

21. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de uitgaven voor de schepen door eiseres uitsluitend zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de heer [A] als haar (middellijk) aandeelhouder, zodat deze uitgaven een zakelijk karakter ontberen en daarmee niet ten laste van het resultaat van eiseres kunnen worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat de aanschaf en het maken van kosten ter zake van de zeilschepen is ingegeven door persoonlijke motieven van de heer [A] . Deze persoonlijke motieven zijn naar het oordeel van de rechtbank van doorslaggevend belang geweest voor de gemaakte kosten. Motieven om een charteronderneming te starten zijn hierbij van ondergeschikt belang geweest.

22. Bij voormeld oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat financiële haalbaarheidsonderzoeken en een bedrijfsplan ontbreken. Het door eiseres overgelegde organogram van [B BEDRIJF] B.V. kan niet als een bedrijfsplan worden aangemerkt en is te algemeen van aard. De door eiseres overgelegde kostenraming van 12 december 2006 betreffende de navigatie-uitrusting en veiligheidsuitrusting van de [B BEDRIJF] en de overgelegde verslagen van (werk)besprekingen inzake de [B BEDRIJF] zijn te beperkt en geven geen inzicht in de financiële haalbaarheid van de door eiseres gestelde exploitatie van de zeilschepen. Genoemde kostenraming dateert bovendien van 12 december 2006, dus van na de inbreng van de schepen in [B BEDRIJF] B.V. in 2005, terwijl dergelijke stukken vooraf plegen te worden opgemaakt. Het ontbreken van dergelijke stukken klemt te meer gelet op de hoogte van de (aanschaf)kosten ter zake van de schepen en de staat waarin de schepen zich bevonden bij aanschaf. Voorzienbaar moet zijn geweest dat het houden van de schepen verliesgevend zou zijn.

23. De overige door eiseres overgelegde stukken, namelijk een folder van de [B BEDRIJF] , een verslag betreffende de stand van zaken van de [B BEDRIJF] van 2 augustus 2007, stukken betreffende de inspectie van de [B BEDRIJF] met het oog op het verkrijgen van de voor exploitatie benodigde certificaten en e-mails over de mogelijke verhuur van de schepen en een eventuele samenwerking met derden (Zeker Zeilen, een gekwalificeerde schipper en over mogelijke sponsoring), brengen de rechtbank niet tot het oordeel dat andere dan persoonlijke motieven op de voorgrond hebben gestaan bij het doen van de uitgaven voor de zeilschepen. De folder van de [B BEDRIJF] betreft bovendien een conceptfolder, aangezien wordt verwezen naar een telefoonnummer 000-0000000. Van actieve werving van potentiële klanten blijkt evenmin uit de overgelegde stukken. Het model van samenwerking met Zeker Zeilen dateert uit augustus 2007, circa twee jaar na aankoop van de [B BEDRIJF] . Dit stuk betreft bovendien enkel het schip de [B BEDRIJF] , niet het schip de [B BOOT] . In genoemde notitie betreffende stand van zaken van
2 augustus 2007 worden opmerkingen gemaakt over het rendabel maken van het schip de [B BEDRIJF] en de intenties van de heer [A] , waarin onder meer staat “het schip kostenneutraal in de vaart te houden”. Hieruit volgt dat geen oogmerk bestond om winst te maken met dat schip. Ook stukken over mogelijke sponsoring dateren van twee à drie jaar na inbreng van de schepen in [B BEDRIJF] B.V. Bij aankoop van het schip was hier kennelijk niet aan gedacht. In objectieve zin is geen sprake van een onderneming. Uit de stukken kan ook niet worden afgeleid dat de [A BANK] bereid is geweest de kosten van de schepen te financieren.

24. Bij voormeld oordeel heeft de rechtbank voorts in aanmerking genomen dat de schepen nimmer zijn geëxploiteerd in door eiseres genoemde zin en dat ook niet de daartoe vereiste vergunningen en certificaten zijn verkregen. Het schip de [B BEDRIJF] is nimmer vaarklaar geweest. Zoals de heer [A] ter zitting heeft opgemerkt werd het schip De [B BOOT] uitgeleend aan kennissen; daarmee is het niet geëxploiteerd in het kader van een onderneming. De rechtbank stelt voorts vast dat de heer [A] het schip de [B BOOT] voor persoonlijke doeleinden heeft gebruikt en dat daarvoor geen zakelijke vergoedingen zijn bedongen door eiseres. Ook hieruit volgt dat de uitgaven zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de heer [A] als aandeelhouder en een zakelijk karakter ontberen. De omstandigheid dat de heer [A] niet dan na het volgen van een opleiding zou kunnen optreden als schipper, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel over de persoonlijke behoeftebevrediging van de heer [A] .

25. Met betrekking tot de aanslag Vpb 2008 verdient opmerking dat de bewijslast dient te worden omgekeerd. Eiseres heeft immers voor dat jaar niet de vereiste aangifte gedaan. Het ligt derhalve op haar weg om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Gelet op het voorgaande is zij daar geenszins in geslaagd nu reeds op grond van de normale bewijsregels het gelijk aan verweerder is.

26. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder terecht de kosten heeft gecorrigeerd. De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en
mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.