Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8467

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
15/993501-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplichting (miljoenen euro's) van familiebedrijf, witwassen, valsheid in geschrift. 54 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/993501-17

Uitspraakdatum: 21 september 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 september 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

De meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de zaak naar deze kamer van de rechtbank Haarlem verwezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. A. M. de Leeuw en M. Kattouw en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1:

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 29 augustus 2016 te Uitgeest en/of Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad en/of Akersloot en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, (telkens) alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[benadeelde 1] ) en/of [bestuurder 1 benadeelde 1] en/of [bestuurder 2 benadeelde 1] en/of [bestuurder 3 benadeelde 1] één of meermalen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van (in totaal) ongeveer:

€ 6.016.165,23 (giraal en/of contant) althans enig (groot) geldbedrag, in elk geval enig goed,

immers heeft hij, verdachte, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, zich voor gedaan als een persoon genaamd [alias] van evenementenbureau [het evenementenbureau] en/of aan bovengenoemde (rechts)perso(o)n(en) diensten aangeboden (onder de naam [het evenementenbureau] ), waarbij onder meer (telkens) werd voorgehouden en/of voorgewend en/of afgesproken dat;

- [het evenementenbureau] optredens van bekende artiesten kon regelen, en/of

- [het evenementenbureau] contacten had in de artiestenwereld, en/of

- aanbetalingen en/of gage betaald diende te worden om de artiesten te boeken, en/of

- er een fases-systeem bestond waarbij de aanbetaling en/of gage steeds hoger werd, en/of

- de aanbetalingen niet terugbetaald zouden worden wanneer de aanvullende voorschotten en/of bedragen niet betaald werden, en/of

- de fases en/of aanbetalingen gebruikelijk zijn in de artiestenwereld door e-mails te verzenden en/of door te sturen die zogenaamd afkomstig waren van [manager 1] , werkzaam bij boekingskantoor [boekingskantoor] en/of [manager 2] , werkzaam voor Marco Borsato, en/of

- overboekingen/aanbetalingen aan (management van) artiesten waren verricht, door betalingswijzen te tonen en/of te mailen, en/of

- wanneer een artiest uiteindelijk niet kwam optreden, de aanbetalingen en/of gage terug gestort zou worden;

waardoor bovengenoemde perso( o )n( en) en/of andere personen werden bewogen tot bovengenoemde afgifte(s);

feit 2:

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 december 2015 te Uitgeest en/of Akersloot en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of doen laten opmaken en/of doen laten vervalsen, een of meer geschriften te weten:

- Een factuur van 10-07-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-001, 11/15), en/of

- Een factuur van 10-07-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-001, 12/15), en/of

- Een factuur van 15-09-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60291/DOC-028), en/of

- Een factuur van 15-09-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60291/DOC-029), en/of

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-002, 7/18), en/of

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/ DOC-002, 8/18), en/of

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-002, 9/18), en/of

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-002, 11/18);

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) in strijd met de waarheid in voorgenoemde facturen, althans geschriften, doen opnemen dat [benadeelde 1] betaald heeft aan [het evenementenbureau] (voor de bemiddeling) voor optredens en/of gage en/of aanbetalingen voor de artiest(en) Dotan en/of Kensington, terwijl hij, verdachte, en/of [het evenementenbureau] nimmer een optreden heeft geboekt/geregeld met de artiest(en) Dotan en/of Kensington;

feit 3:

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 februari 2015 tot en met 8 maart 2016 te Uitgeest en/of Akersloot en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, (telkens) alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst, te weten één of meer e-mailberichten, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

- in het e-mailbericht 60291/DOC-020 (1/15 - 3/15) van 12 februari 2015, valselijk en in strijd met de waarheid e-mailberichten van [manager 1] en/of [manager 2] waren toegevoegd, terwijl deze e-mailberichten niet zijn opgemaakt en/of verstuurd door [manager 1] en/of [manager 2] ;

- in het e-mailbericht 60291/DOC-019 van 15 mei 2015, valselijk en in strijd met de waarheid e-mailberichten van [manager 1] en/of [manager 2] waren toegevoegd, terwijl deze e-mailberichten niet zijn opgemaakt en/of verstuurd door [manager 1] en/of [manager 2] ; en/of

- in het e-mailbericht 60291/DOC-008 van 10 juli 2015, valselijk en in strijd met de waarheid e-mailberichten van [manager 1] en/of [manager 2] waren toegevoegd, terwijl deze e-mailberichten niet zijn opgemaakt en/of verstuurd door [manager 1] en/of [manager 2] ; en/of

- in het e-mailbericht 60291/DOC-007 (1/8 en 2/8) van 8 maart 2016, valselijk en in strijd met de waarheid e-mailberichten van [manager 1] en/of [manager 2] waren toegevoegd, terwijl deze e-mailberichten niet zijn opgemaakt en verstuurd door [manager 1] en/of [manager 2] ;

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, het/de geschrift(en) (met het oog op het verkrijgen van gelden van [benadeelde 1] ) heeft verstuurd/verzonden aan [boekhouder benadeelde 1] (een medewerker van [benadeelde 1] ), terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren om als ware het echt en onvervalst te gebruiken;

feit 4:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 29 augustus 2016 te Uitgeest en/of Koog aan de Zaan en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

van één of meerdere voorwerpen, te weten:

- één of meer geldbedragen van 2.290.899,02 euro (60024/AMB-010, 60024/AMB-011, 57261/AMB-022), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of

- één of meer geldbedragen van 2.717.645,07 euro (60024/AMB-010, 60024/AMB-011, 57261/AMB-022), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of

- een auto (Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] (60291/DOC-026), en/of

- een auto (Opel Insignia, kenteken [kenteken] ) (60291/DOC-027), en/of

- één of meer geldbedragen van 16.184.149,- euro (57261/D-004), althans 14.500.016,- euro (57261/D-004), althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld

en/of

verborgen of verhuld heeft/hebben wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had(den),

en/of voornoemd(e) voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben

overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt,

door dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) te laten storten en/of te storten op rekeningen waar

hij, verdachte, de beschikking over had en/of rekeningen van bedrijven die gelieerd zijn aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of (vervolgens) die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gedeeltelijk, contant op te laten nemen en/of op te nemen en/of te laten doorstorten op andere persoonlijke rekeningen van hem verdachte, en/of zijn mededader(s),

terwijl hij, verdachte, (telkens) wist, dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

feit 5:

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 februari 2014 tot en met 02 mei 2014 te Koog aan de Zaan en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander( en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een of meer geschrift(en), te weten;

een vonnis van de rechtbank Amsterdam afdeling privaatrecht d.d. 14 maart 2014 en/of 01 mei 2014 (DOC-040 p. 6 en 8), met zaaknummer/rolnummer: [rolnummer] ,

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst en/of heeft/hebben laten opmaken en/of heeft/hebben laten vervalsen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid- zakelijk weergegeven - de tekst van het originele vonnis (dat oorspronkelijk was gedateerd 19 februari 2014 met zaaknummer/rolnummer [rolnummer] , (bijna) volledig vervangen door een andere tekst en/of

heeft die (nieuwe) tekst een inhoud gekregen waarin gesteld werd dat genoemde investeerders betalingen moesten verrichten aan en/of ten behoeve van [verdachte] ,

althans/immers heeft verdachte een vonnis gemaakt dat nimmer door enige rechtbank in Nederland is gewezen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat dat vonnis, althans (die) geschrift(en) bestemd was/waren om als ware het echt en onvervalst te gebruiken;

EN/OF

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 09 juli 2014, althans in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 02 mei 2014 te Koog aan de Zaan en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschift(en) te weten een vonnis van de Rechtbank Amsterdam afdeling privaatrecht d.d. 14 maart 2014 en/of 01 mei 2014 (DOC-040 p. 6 en 8), met [rolnummer] , zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

de tekst van het originele vonnis van de Rechtbank Amsterdam afdeling privaatrecht

(oorspronkelijk gedateerd de dato 19 februari 2014 met [rolnummer] (doc-041) volledig is vervangen voor de tekst/inhoud van het (zogenaamde) vonnis van 14 maart 2014 en/of 01 mei 2014 (waarin gesteld werd dat genoemde investeerders betalingen moesten verrichten aan en/of ten behoeve van [verdachte] ),

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), het vonnis, althans het/de geschrift(en) (met het oog op het verkrijgen van gelden van [benadeelde 2] ) heeft/hebben verstuurd/verzonden aan [benadeelde 2] (vergezeld van begeleidende e-mails/berichten), terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat dat vonnis, althans dat geschrift, bestemd was om als ware het echt en onvervalst te gebruiken.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

3.3.

Bewijsmiddelen

In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van de hieronder nog volgende bewijsoverwegingen, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de als feiten 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde gedragingen heeft begaan.

3.4.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de ten laste gelegde oplichting allereerst aangevoerd dat verdachte zich tegenover de medewerkers van [benadeelde 1] weliswaar ‘ [voornaam alias] heeft genoemd, maar daarbij nooit de achternaam ‘ [achternaam alias] ’ heeft gebruikt. Voorts is er geen causaal verband tussen het gebruik van de naam ‘ [alias] ’ en de door [benadeelde 1] gedane betalingen, zodat [benadeelde 1] niet door het gebruik van die naam is bewogen tot afgifte. Daarnaast is niet komen vast te staan welke betalingen zijn gedaan naar aanleiding van specifieke door verdachte gedane mededelingen over het driefasen-systeem.

Duidelijk is, aldus de raadsvrouw, dat [benadeelde 1] veel waakzamer en omzichtiger had moeten zijn bij het doen van zaken. Kort nadat verdachte zich bij [benadeelde 1] had gemeld, heeft [benadeelde 1] al een aanzienlijk geldbedrag op de rekening van [het evenementenbureau] gestort. [benadeelde 1] heeft geen enkel onderzoek naar de identiteit van verdachte verricht, of onderzoek gedaan bij de Kamer van Koophandel. Het driefasen-systeem bevat geen enkele logica en toch is steeds doorgegaan met de betalingen. [benadeelde 1] heeft de situatie zelf in het leven geroepen en zelf in stand gehouden. Onder deze omstandigheden kan volgens de raadsvrouw het bestanddeel ‘bewogen tot’ niet worden bewezen en dient vrijspraak te volgen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Voor oplichting als bedoeld in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat iemand door een in dit artikellid opgenomen oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als kan worden vastgesteld dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot een van de in dat artikel genoemde handelingen.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. De begrenzing wordt gevormd door de situatie waarin het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien (HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889).

Uit de inhoud van de voor de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de naam ‘ [voornaam alias] ’ heeft gebruikt tegenover de medewerkers van [benadeelde 1] en tegenover anderen die in de muziekindustrie werkzaam waren, zoals [manager 1] . Verdachte heeft ten aanzien hiervan verklaard dat hij (vooral in de uitgaanswereld) ‘ [voornaam alias] ’ werd genoemd, zodat in zoverre geen sprake kan zijn van een valse naam. De rechtbank acht dit onaannemelijk, nu de ‘echte’ [vriend verdachte met dezelfde naam als alias] , die jarenlang met verdachte bevriend is geweest en tegenover hem woonde, ter terechtzitting heeft verklaard dat verdachte nooit met de naam [voornaam alias] werd aangesproken, ook niet tijdens het uitgaan.

Uit de bewijsmiddelen is eveneens af te leiden dat verdachte tevens de achternaam [achternaam alias] ’ heeft gebruikt. Zowel [bestuurder 2 benadeelde 1] als [boekhouder benadeelde 1] hebben immers als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat zij verdachte tijdens een eerder gehouden terechtzitting herkenden als [alias] . Daarnaast is in het besprekingsverslag van de bespreking van 10 mei 2016 te lezen dat verdachte zich heeft voorgesteld als eigenaar van de eenmanszaak [het evenementenbureau] . In de lijst van aanwezigen staat daarbij “ [alias] ” genoteerd. Bovendien heeft verdachte anderhalf jaar lang e-mails verstuurd vanaf het adres [alias] @gmail.com met als afzender ‘ [voornaam alias] ’, waardoor de ontvangers van deze e-mails er van uit mochten gaan dat verdachte de naam ‘ [alias] ’ had. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte een valse naam en hoedanigheid heeft aangenomen om [benadeelde 1] te bewegen tot afgifte van geldbedragen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het driefasen-systeem verzonnen heeft. De rechtbank begrijpt dat hij dat gedaan heeft om [benadeelde 1] steeds meer geld te laten betalen voor de door hem te boeken artiesten. Dat gepresenteerde systeem hield in dat een geïnteresseerd podium steeds met grote geldbedragen moest meedingen naar een aantal optredens van een artiest. Als het podium in de eerste fase niet werd uitgekozen voor een optreden, kon worden meegedongen in een tweede en later in een derde fase. Steeds moest daarvoor opnieuw geld worden ingelegd. Verdachte hield daarbij voor dat uiteindelijk na het optreden of bij een afwijzing van het podium in de derde fase het teveel aan betaalde gelden zou worden teruggestort.

Causaal verband

De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde 1] mede onder invloed van de door verdachte gebruikte valse naam en hoedanigheid, alsmede door verdachte’s mededelingen over het driefasen-systeem, is overgegaan tot afgifte van grote geldbedragen. Verdachte heeft bewust een – leugenachtige – setting gecreëerd waarin de eigenaars en werknemers van [benadeelde 1] het idee hebben gekregen dat hij iemand was die in staat was grote artiesten te boeken, dat dit alleen kon worden bewerkstelligd door betalingen via een zogenoemd driefasensysteem, en dat teveel betaalde bedragen na afloop zouden worden teruggestort. Mede hierdoor heeft [benadeelde 1] grote bedragen aan hem overgemaakt, zodat naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk sprake is van het voor oplichting vereiste causaal verband. Dat niet is vast komen te staan welke specifieke opmerking of welk oplichtingsmiddel tot welke specifieke betaling heeft geleid doet daaraan niet af.

Omzichtigheid slachtoffer

Ook het verweer dat [benadeelde 1] niet is bewogen tot afgifte omdat zij eenvoudig gezegd ‘beter had moeten weten’ faalt. In november/december 2014 deed [benadeelde 1] voor het eerst zaken met verdachte. [benadeelde 1] had de bestaande discotheek toen net naar een poppodium omgebouwd. ’De bedoeling was grote artiesten te laten optreden om het poppodium op de kaart te zetten en tot een succes te maken. [benadeelde 1] had geen enkele ervaring of deskundigheid op het gebied van de muziekindustrie. Verdachte vertelde [benadeelde 1] dat hij ervaring had met het boeken van grote artiesten. Hij zou voor Mojo hebben gewerkt en kon onder meer een optreden van Anouk regelen. Vervolgens heeft [benadeelde 1] een voorschot van € 42.400 voldaan voor een optreden van Anouk. [medewerker benadeelde 1] , sales- en marketingmanager bij [benadeelde 1] , heeft reeds in de beginperiode november/december 2014 zijn zorgen uitgesproken. Hij heeft toen om een bevestiging gevraagd van de betaling door [het evenementenbureau] voor het optreden van Anouk. Vervolgens heeft verdachte een valse printscreen van een betaling van € 42.400 door [het evenementenbureau] aan [boekingskantoor Anouk] gezonden aan [benadeelde 1] . Hierdoor groeide het vertrouwen in verdachte. Verdachte heeft ook een aantal optredens geregeld die wél zijn doorgegaan en die een succes waren. Voorts betaalde verdachte af en toe iets van de door [benadeelde 1] overgemaakte geldbedragen terug. Hierdoor bleef het in hem en in het driefasen-systeem gestelde vertrouwen bestaan. Om het driefasen-systeem te onderbouwen heeft verdachte valse e-mails verstuurd die afkomstig leken van [manager 1] , de tourmanager van Anouk, en van [manager 2] , de manager van Marco Borsato. [benadeelde 1] werd vervolgens in een later stadium door verdachte onder druk gezet om te blijven betalen. Daarbij heeft verdachte gedreigd dat het bedrijf al zijn reeds ingelegde geld kwijt zou zijn als bij anderen (zoals het artiestenbureau) geïnformeerd zou worden of als de volgende betaling niet zou worden verricht. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat aan [benadeelde 1] niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij de verhalen van verdachte had moeten doorgronden.

Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat [benadeelde 1] mede onder invloed van de door voornoemde oplichtingsmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot de afgifte van grote geldbedragen, zodat feit 1 bewezen kan worden verklaard

3.5.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het bewijs voor de valsheid van de tenlastegelegde facturen ontbreekt nu de facturen feitelijk de juridische en economische realiteit van dat moment hebben weergegeven. Er is betaald naar aanleiding van een afspraak tussen [benadeelde 1] en [het evenementenbureau] om deze bedragen over te maken. Verdachte was nog bezig om optredens van Dotan en Kensington te boeken. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat er nooit een optreden is geregeld en moet vrijspraak volgen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte en de boekhouder van [benadeelde 1] , [boekhouder benadeelde 1] , hebben de in de tenlastelegging genoemde facturen opgemaakt met de bedoeling de Belastingdienst te bewegen tot teruggave van betaalde BTW. Daarmee zijn de facturen valselijk opgemaakt. Verdachte en [boekhouder benadeelde 1] hadden het oogmerk op die valsheid, omdat zij wisten dat de in de facturen genoemde artiesten (nog) niet in de [benadeelde 1] hadden opgetreden, terwijl kosten zijn opgevoerd die meer omvatten dan enkel opstart- of bemiddelingskosten. De rechtbank acht feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat (ten aanzien van de facturen die gedateerd zijn op 30 september 2015) geen sprake is van medeplegen vanwege de geringe bijdrage van verdachte, wordt dit weerlegd door de in de bijlage I bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen. Daaruit volgt dat verdachte niet alleen de factuurnummers aan [boekhouder benadeelde 1] heeft doorgegeven, maar ook de omschrijving van de facturen.

3.6.

Bewijsoverweging en partiële vrijspraak ten aanzien van feit 4

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat het onder feit 4, eerste gedachtestreepje tenlastegelegde geldbedrag van € 2.290.899,02 onjuist is en dat moet worden uitgegaan van een geldbedrag van € 1.908.899,02. Dit geldbedrag betreft het totaal van gelden die vanaf de rekeningen van [benadeelde 1] , dan wel daaraan gelieerde personen, zijn overgemaakt naar [het evenementenbureau] , dan wel de rekeningen van [alias] en vervolgens contant zijn opgenomen.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit geldbedrag aangevoerd dat verdachte pas vanaf 25 maart 2016 de beschikking had over de bankpas van de rekening eindigend op 657 (t.n.v. [alias] h/o [het evenementenbureau] ) en dat tot die tijd – gelet op de mutaties op die rekening – alleen [alias] deze rekening gebruikte. Voorts heeft verdachte nooit de beschikking gehad over de bankpassen van de rekeningen op naam van [alias] , welke eindigen op de nummers 177 en 190. Voor zover de tenlastelegging ziet op de betalingen door [benadeelde 1] , geldt dat deze gelden afkomstig zijn uit eigen misdrijf en de ten laste gelegde handelingen daarmee niet kwalificeerbaar zijn als witwassen. De facturen staan op naam van [het evenementenbureau] en de gelden worden overgeboekt op bankrekeningen van [het evenementenbureau] of de natuurlijke persoon achter [het evenementenbureau] . Daarmee is geen sprake van een verhullingshandeling. Hetzelfde heeft te gelden voor het onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde geldbedrag van € 2.717.645,07. Dit is het totaal aan geldbedragen die van de rekeningen van [het evenementenbureau] / [alias] naar de rekeningen van verdachte zijn overgemaakt. Ook ten aanzien van dit geldbedrag zijn geen verhullingshandelingen verricht, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420 bis Sr noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staan dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

In het bijzondere geval dat het overdragen, gebruik maken of omzetten van een uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin de verdachte een uit eigen misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft, is eveneens voor de strafbaarheid daarvan een gedraging vereist die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp gericht karakter heeft.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat een bedrag van in totaal € 1.908.899,02 (direct of indirect) van [benadeelde 1] is overgeboekt naar de rekening van [het evenementenbureau] en vervolgens contant is opgenomen van de rekening van [het evenementenbureau] of [alias] Privé. Een totaalbedrag van € 2.717.645,07 is eveneens afkomstig van [benadeelde 1] en is via de rekening van verdachte of derden contant gemaakt. Gelet op het onder feit 1 bewezenverklaarde is naar het oordeel van de rechtbank dit geld afkomstig uit een door verdachte zelf begaan misdrijf, te weten de door de verdachte gepleegde oplichting.

Gebleken is dat verdachte de bankrekening(en) van [het evenementenbureau] beheerde en dat hij in het bezit was van de bijbehorende bankpas. Er zijn tevens grote bedragen contant opgenomen van de rekeningen van [alias] , maar deze heeft verklaard dat hij alleen bedragen van de rekeningen opnam voor verdachte en als hij daarvoor opdracht of toestemming van hem had gekregen. De opgenomen geldbedragen zijn niet aangetroffen. Verdachte heeft niet verklaard waar dat geld zich thans zou bevinden, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat hij het geld ofwel heeft gebruikt (bijvoorbeeld voor de luxe levensstijl waarover hij verklaard heeft), ofwel heeft verborgen.

De rechtbank is van oordeel dat door deze contante opnames en de (kennelijke) besteding van de desbetreffende geldbedragen de werkelijke aard, de criminele herkomst en de rechthebbende van dat geld is verborgen en verhuld. Dat contante geld is immers, anders dan het geld op de rekeningen, niet meer te traceren en niet meer te herleiden tot de oplichting of tot een bepaald persoon. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte de herkomst van het geld heeft verborgen en verhuld en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van (€ 1.908.899,02 + € 2.717.645,07 =) € 4.626.544,09. Voorts heeft verdachte erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van twee auto’s (Mercedes Benz en Opel Insignia). Gelet op het grootschalige, langdurige en structurele karakter van het witwassen is voorts bewezen dat verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

Het onder het vijfde gedachtestreepje tenlastegelegde bedrag (€ 16.184.149, althans

€ 14.500.016) ziet op het witwassen door middel van lottoformulieren. Niet kan worden uitgesloten dat het geld dat verdachte aan de lotto heeft besteed, hetzelfde geld is dat verdachte onder het eerste en tweede gedachtestreepje van de tenlastelegging (de contante opnames) heeft witgewassen. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte op enig moment over meer geld heeft beschikt dan de daar genoemde bedragen. Uit het enkele feit dat er een spelersgroep was die voor zoveel geld heeft ingelegd, en waartoe verdachte mogelijk behoorde, kan dat niet worden opgemaakt. Reeds hierom dient verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

3.7.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de als feiten 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde gedragingen heeft begaan, in dier voege dat

feit 1:

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2014 tot en met 29 augustus 2016 te Uitgeest en/of Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad en/of Akersloot en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, meermalen,

telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten (in totaal) een groot geldbedrag,

immers heeft hij, verdachte, met voornoemd oogmerk – zakelijk weergeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, zich voorgedaan als een persoon genaamd [alias] van evenementenbureau [het evenementenbureau] en aan bovengenoemde rechtspersoon diensten aangeboden (onder de naam [het evenementenbureau] ), waarbij onder meer telkens werd voorgehouden en/of voorgewend en/of afgesproken dat:

- [het evenementenbureau] contacten had in de artiestenwereld, en/of

- aanbetalingen en/of gage betaald diende te worden om de artiesten te boeken, en/of

- er een fases-systeem bestond waarbij de aanbetaling en/of gage steeds hoger werd, en/of

- de aanbetalingen niet terugbetaald zouden worden wanneer de aanvullende voorschotten en/of bedragen niet betaald werden, en/of

- de fases en/of aanbetalingen gebruikelijk zijn in de artiestenwereld door e-mails te verzenden en/of door te sturen die zogenaamd afkomstig waren van [manager 1] , werkzaam bij boekingskantoor [boekingskantoor] en [manager 2] , werkzaam voor Marco Borsato, en/of

- overboekingen/aanbetalingen aan management van artiesten waren verricht, door betalingswijzen te tonen en/of te mailen, en/of

- wanneer een artiest uiteindelijk niet kwam optreden, de aanbetalingen en/of gage terug gestort zou worden;

waardoor bovengenoemde rechtspersoon werd bewogen tot bovengenoemde afgiftes;

feit 2:

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 december 2015 te Uitgeest en/of Akersloot en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken geschriften te weten:

- Een factuur van 10-07-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-001, 11/15), en

- Een factuur van 10-07-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-001, 12/15), en

- Een factuur van 15-09-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60291/DOC-028), en

- Een factuur van 15-09-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60291/DOC-029), en

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-002, 7/18), en

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/ DOC-002, 8/18), en

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-002, 9/18), en

- Een factuur van 30-11-2015 van [het evenementenbureau] aan [benadeelde 1] (60024/DOC-002, 11/18);

telkens zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers hebben hij en zijn mededader telkens in strijd met de waarheid in voornoemde facturen opgenomen dat [benadeelde 1] betaald heeft aan [het evenementenbureau] (voor de bemiddeling) voor optredens en/of gage en/of aanbetalingen voor de artiesten Dotan en/of Kensington, terwijl hij, verdachte, of [het evenementenbureau] nimmer een optreden heeft geboekt/geregeld met de artiesten Dotan en Kensington;

feit 3:

hij op tijdstippen in de periode van 12 februari 2015 tot en met 8 maart 2016 te Uitgeest en/of Akersloot en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, telkens

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, te weten e-mailberichten, zijnde zo’n e-mailbericht een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

- in het e-mailbericht 60291/DOC-020 (1/15 - 3/15) van 12 februari 2015, valselijk en in strijd met de waarheid een e-mailbericht van [manager 1] was toegevoegd, terwijl dit e-mailbericht niet is opgemaakt en verstuurd door [manager 1] ;

- in het e-mailbericht 60291/DOC-019 van 15 mei 2015, valselijk en in strijd met de waarheid een e-mailbericht van [manager 1] was toegevoegd, terwijl dit e-mailbericht niet is opgemaakt en verstuurd door [manager 1] en

- in het e-mailbericht 60291/DOC-008 van 10 juli 2015, valselijk en in strijd met de waarheid een e-mailbericht van [manager 1] was toegevoegd, terwijl dit e-mailbericht niet is opgemaakt en verstuurd door [manager 1] en

- in het e-mailbericht 60291/DOC-007 (1/8 en 2/8) van 8 maart 2016, valselijk en in strijd met de waarheid e-mailberichten van [manager 1] en [manager 2] waren toegevoegd, terwijl deze e-mailberichten niet zijn opgemaakt en verstuurd door [manager 1] en/of [manager 2] ;

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, de geschriften met het oog op het verkrijgen van gelden van [benadeelde 1] heeft verstuurd aan [boekhouder benadeelde 1] (een medewerker van [benadeelde 1] ), terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren om als waren zij echt en onvervalst te gebruiken;

feit 4:

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2014 tot en met 29 augustus 2016 te Uitgeest en/of Koog aan de Zaan en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, van voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van 1.908.899,02 euro (60024/AMB-010, 60024/AMB-011, 57261/AMB-022) en

- een geldbedrag van tenminste in totaal 2.717.645,07 euro (60024/AMB-010, 60024/AMB-011, 57261/AMB-022) en

- een auto (Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] ) (60291/DOC-026), en

- een auto (Opel Insignia, kenteken [kenteken] (60291/DOC-027)

de werkelijke aard en de herkomst en de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld

en/of voornoemde voorwerpen heeft verworven en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

door die geldbedragen te laten storten en/of te storten op rekeningen waar hij, verdachte, de beschikking over had en vervolgens die geldbedragen gedeeltelijk contant op te laten nemen of op te nemen of te laten doorstorten op andere persoonlijke rekeningen van hem verdachte,

terwijl hij, verdachte, telkens wist, dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf en van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

feit 5:

hij in de periode van 19 februari 2014 tot en met 2 mei 2014 te Koog aan de Zaan en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland, een geschrift, te weten;

een vonnis van de rechtbank Amsterdam afdeling privaatrecht d.d. 14 maart 2014 (DOC-040 p. 8), met zaaknummer/rolnummer: [rolnummer] ,

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft hij, verdachte valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – de tekst van het originele vonnis (dat oorspronkelijk was gedateerd 19 februari 2014 met zaaknummer/rolnummer [rolnummer] (doc-041), bijna volledig vervangen door een andere tekst en

heeft die nieuwe tekst een inhoud gekregen waarin gesteld werd dat genoemde investeerders betalingen moesten verrichten aan en ten behoeve van [verdachte] ,

terwijl hij wist dat dat vonnis bestemd was om als ware het echt en onvervalst te gebruiken;

EN

hij in de periode van 17 maart 2014 tot en met 9 juli 2014 te Koog aan de Zaan en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Hoorn en/of Wormerveer, althans in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, te weten een vonnis van de Rechtbank Amsterdam afdeling privaatrecht d.d. 14 maart 2014 en (DOC-040 p. 8), met zaaknummer/rolnummer: [rolnummer] zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

de tekst van het originele vonnis van de Rechtbank Amsterdam afdeling privaatrecht

(oorspronkelijk gedateerd de dato 19 februari 2014 met zaaknummer/rolnummer [rolnummer] (doc-041) is vervangen voor de tekst van het zogenaamde vonnis van 14 maart 2014 waarin gesteld werd dat genoemde investeerders betalingen moesten verrichten aan en ten behoeve van [verdachte] ,

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, dat geschrift met het oog op het verkrijgen van gelden van [benadeelde 2] heeft verstuurd aan [benadeelde 2] , vergezeld van begeleidende e-mails, terwijl hij wist dat dat geschrift bestemd was om als ware het echt en onvervalst te gebruiken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte als feiten 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd

feit 2:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

feit 3:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

feit 4:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken

feit 5:

valsheid in geschrift

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie’s

6.1.

Standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de hoofdstraf

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de gevorderde straf niet in verhouding staat tot de gevangenisstraffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en heeft verzocht de straf te matigen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar op een geraffineerde wijze het familiebedrijf [benadeelde 1] opgelicht. Verdachte heeft zich tegenover [benadeelde 1] voorgedaan als eigenaar van het bedrijf [het evenementenbureau] , waarbij hij aangaf dat hij optredens van grote artiesten kon regelen, zoals Anouk, Marco Borsato, Dotan en Kensington. Verdachte heeft [benadeelde 1] voorgewend dat deze artiesten moesten worden geboekt door middel van een driefasen-systeem, waarbij [benadeelde 1] steeds hogere voorschotten moest voldoen die na het optreden van de artiest na aftrek van de gage zouden worden teruggestort. Om zijn verhaal aannemelijk te maken, heeft verdachte een valse printscreen verstuurd van een voorschotbetaling die zou zijn gedaan aan het management van Anouk. Voorts heeft hij meermalen valse e-mails verstuurd die zogenaamd afkomstig waren van [manager 1] en [manager 2] , werkzaam voor respectievelijk Anouk en Marco Borsato. [benadeelde 1] heeft gedurende anderhalf jaar grote bedragen aan verdachte overgemaakt, als voorschot op de betalingen aan de artiesten. Verdachte voerde de druk om de voorschotten te blijven betalen steeds verder op. Een groot deel van de door verdachte voorgehouden optredens heeft nooit doorgang gevonden, terwijl voor de optredens die wél doorgang vonden exorbitant hoge bedragen zijn betaald. Uit niets blijkt dat verdachte op enig moment van plan was een significant deel van de voorschotten terug te betalen, zoals hij had toegezegd.

Verdachte heeft zich voorts samen met een ander schuldig gemaakt aan het opmaken van valse facturen voor optredens van Dotan en Kensington, terwijl deze artiesten niet bij [benadeelde 1] hebben opgetreden. Op grond van deze facturen heeft de Belastingdienst de BTW over de door [benadeelde 1] overgemaakte voorschotten teruggegeven.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zo lang en zo intensief is doorgegaan met het oplichten van [benadeelde 1] . Ook toen in mei 2016 bleek dat het bedrijf geen financiële middelen meer had om de betalingen aan [het evenementenbureau] te voldoen, bleef verdachte [benadeelde 1] onder druk zetten om te blijven betalen.

Het familiebedrijf [benadeelde 1] is uiteindelijk door verdachte voor miljoenen opgelicht en zit thans financieel aan de grond. Het geld is verdwenen. Verdachte heeft de door oplichting verkregen geldbedragen steeds witgewassen door de bedragen over te maken naar andere bankrekeningen en vervolgens contant op te nemen. Ook heeft verdachte met het geld van [benadeelde 1] twee auto’s gekocht.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zijn handelen het vertrouwen van de medewerkers van [benadeelde 1] heeft geschaad. Verdachte heeft slechts uit financieel gewin gehandeld en heeft hierbij geen enkele rekening gehouden met de desastreuze gevolgen voor het familiebedrijf en haar medewerkers.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervalsen van een civiel vonnis, met als doel betalingen van [benadeelde 2] te verkrijgen. Nadat verdachte het valse vonnis aan [benadeelde 2] toestuurde, heeft [benadeelde 2] – evenals [benadeelde 1] deed – een aantal geldbedragen aan verdachte overgemaakt. Het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van een dergelijk geschrift wordt gesteld en dient te kunnen worden gesteld, is door het handelen van verdachte ernstig aangetast.

De door de rechtbank onder de feiten 1 tot en met 4 bewezenverklaarde gedragingen behoren tot één en hetzelfde feitencomplex. De rechtbank houdt daarmee rekening bij het bepalen van de hoogte van de straf. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat het bewezenverklaarde witwasbedrag lager is dan is tenlastegelegd. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte nooit eerder in aanraking is geweest met politie en justitie voor soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat in het voorgaande grond is gelegen af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.4.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten geld, twee auto’s, sieraden, schoenen en producten van Louis Vuitton, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat die

voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de bewezen verklaarde oplichting zijn verkregen. Voor zover die voorwerpen (de auto’s) op naam stonden van anderen dan verdachte heeft te gelden dat die anderen minst genomen redelijkerwijs konden vermoeden dat die voorwerpen waren verkregen door het plegen van strafbare feiten.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.016.166,23 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de als feit 1. ten laste gelegde gedragingen zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van € 6.016.165,23 aan materiële schade en € 1 aan immateriële schade.

De materiële schade bestaat uit:

- betalingen die door [benadeelde 1] zijn gedaan voor artiesten die niet bij [benadeelde 1] hebben opgetreden;

- betalingen die door [benadeelde 1] zijn gedaan voor artiesten die wel bij [benadeelde 1] hebben opgetreden, maar waarvoor [benadeelde 1] teveel heeft betaald. Teneinde voor die prestaties een redelijke vergoeding te bieden zijn op die betalingen enkele stelposten in mindering gebracht die staan voor zo’n redelijke vergoeding.

7.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering geheel moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting vormt voor het strafproces en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering. Volgens de raadsvrouw is de omvang van het benadelingsbedrag niet eenvoudig vast te stellen. In de berekening zijn de door [het evenementenbureau] gemaakte kosten niet meegenomen. Voorts zijn de in de berekening opgenomen stelposten onjuist en is sprake van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de stelposten onvoldoende met onderliggende stukken zijn onderbouwd. Dit laat echter onverlet dat – gelet op de (onderbouwde) betalingen die zijn gedaan voor artiesten – [benadeelde 1] door de oplichting van verdachte enorme materiële schade heeft geleden, zelfs als de stelposten veronderstellenderwijs aanzienlijk hoger zouden moeten uitvallen. De rechtbank waardeert dit door de benadeelde partij geleden nadeel op ten minste € 3.000.000. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de overige materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot het ‘eigen schuld’-verweer van de raadsvrouw verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor in haar bewijsoverweging aangaande feit 1 heeft overwogen, en waaruit volgt dat de benadeelde partij de geloofwaardigheid van de verhalen van verdachte niet in twijfel behoefde te trekken. Hoewel dat verweer in een civiele procedure nog nader onderzocht kan worden, ziet de rechtbank op dit moment geen reden om daarmee in haar schatting rekening te houden. Immers zijn de omstandigheden die tot de schade hebben geleid in overwegende mate, zo niet geheel, door verdachte in het leven geroepen, terwijl voor het overige ook nog de billijkheid in de weg kan staan aan honorering van dat verweer.

De gevorderde immateriële schade bestaat uit psychische klachten, angst, verdriet, boosheid en slaapproblemen ten gevolge van de oplichting. Deze immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als schade van de rechtspersoon

[benadeelde 1] Nu het niet de benadeelde partij is die de immateriële schade heeft geleden, zal de rechtbank de vordering met betrekking tot de immateriële schade afwijzen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachte’s onder 1. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: oplichting, meermalen gepleegd] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36f, 47, 57, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de als feiten 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde gedragingen heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (VIERENVIJFTIG) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

1. STK Personenauto [kenteken] , OPEL Insignia Kl:zwart

2 Geld Euro, opbrengst krasloten EUR 580,--

3 Geld Euro, opbrengst Lotto EUR 758,20

4 Geld Euro, A.01.03.001 EUR 75,--

5 1.00 STK Horloge, CARTIER, A.03.02.002 cartier in ronde doos 653530GD3038

6 1.00 STK Ring, A.05.01.006 één zilverkl ring met diamantjes

7 1.00 STK Ring, A.05.01.007 één goudkl ring

8 1.00 STK Horloge, A.06.01.002 één cartier horloge

9 1.00 STK Diverse, A.07.01.001;3pr schoen/1ds A Morato/1ds/ lou

10 1.00 STK Document, B.02.01.003 rode cartier certificaat bvn172

11 1.00 STK Etui, CARTIER, C.01.04.005 één cartier etui rood

12 1.00 STK Horloge, CALIBRE, C.01.02.009 calibre de cartier 300mm horloge

13 1.00 STK Diverse, LOUIS VUITTON, C.01.02.010 één L. Vuitton kaarthouder

14 1.00 STK Sieradendoos, CARTIER, C.01.04.001 één rode ds van cartier

15 1.00 STK Horloge, MICHAEL KORS, C.02.03.001 gouden horloge m kors

16 Geld Euro, A.03.03.003, EUR 600,--

17 Geld Euro, A.05.01.001, EUR 1.000,--

18 Geld Euro, A.07.01.004, EUR 125,--

19 1.00 STK Tas, LOUIS VUITTON, C.01.02.011 incl etui en portemonnee

20 1.00 STK Diverse, LOUIS VUITTON, C.01.02.012 Kaarthouder klein

21 1.00 STK Diverse, LOUIS VUITTON, C.01.02.013 Kaarthouder groot

22 1.00 STK Tas, LOUIS VUITTON, C.01.03.001 Schoudertas

23 1.00 STK Diverse, LOUIS VUITTON, C.01.03.010 kaarthouder + pasjes Hilton + Holland Casino

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden materiële schade tot een bedrag van € 3.000.000 (DRIE MILJOEN EURO) en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor de overige materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af de vordering tot vergoeding van de immateriële schade.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000.000 (DRIE MILJOEN EURO), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. C.E. Voskens en mr. J.J. Maarleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 september 2017.

Mr Maarleveld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen