Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8395

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
C/15/256698 / FA RK 17-1666
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen hebben samen 2 kinderen. Tot het gezin behoort een kind uit een vorige relatie van de vrouw. Partijen gaan uit elkaar. Rechtbank bepaalt hoofdverblijfplaats van één gezamenlijk kind bij de man en van het andere gezamenlijke kind bij de vrouw. Co-ouderregeling. Behoefte wordt berekend van de 3 kinderen die tot het gezin van partijen behoorden toen zij nog samen waren. De alimentatie die de vrouw voor het kind uit haar vorige relatie ontvangt wordt daarop in mindering gebracht. De man betaalt aan de vrouw een bijdrage voor het kind dat bij hem zijn hoofdverblijfplaats heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/256698 / FA RK 17-1666

beschikking van 11 oktober 2017 betreffende voorzieningen voor minderjarigen

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.E. Groot, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.L. Molenaar, kantoorhoudende te Noord-Scharwoude.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 21 maart 2017;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 17 mei 2017;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 31 juli 2017;

- het bericht van 31 augustus 2017, met bijlagen, van de advocaat van de man.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2017 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. M.E. Groot en de man bijgestaan door mr. M.L. Molenaar. Tevens is op verzoek van de rechtbank verschenen

[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

2 Feiten en omstandigheden

De feiten

2.1

Partijen hebben tot begin januari 2017 een affectieve relatie gehad en samengewoond. Uit deze relatie zijn geboren de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .

De man heeft de minderjarigen erkend en zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

Uit een vorige relatie van de vrouw is geboren de minderjarige [minderjarige] . [minderjarige] is thans 14 jaar en maakte totdat de samenwoning van partijen werd verbroken deel uit van het gezin. De vrouw woont met de drie minderjarigen in de voormalige woning.

2.2

Op 23 februari 2017 heeft aan de Beschermingstafel regio Alkmaar een gesprek plaatsgevonden. Uitkomst daarvan is geweest dat de Raad voor de Kinderbescherming de zaak in onderzoek heeft genomen en dat de Jeugd- en Gezinsbeschermers de regie houden.

Op 13 maart 2017 is door de Jeugd- en Gezinsbeschermers een plan van aanpak opgesteld. Op 29 mei 2017 heeft de Raad voor de Kinderbescherming een rapport uitgebracht en het besluit genomen het onderzoek naar de opvoedingssituatie van de minderjarigen af te sluiten, onder verwijzing van de ouders naar de vrijwillige hulpverlening.

3 Verzoeken vrouw

3.1

De vrouw heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

a. a) de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar wordt vastgesteld;

b) tussen de man en de minderjarigen een zorgregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat de minderjarigen de ene week van donderdag 17.00 uur tot zaterdag 11.00 uur en de andere week van donderdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man zullen verblijven, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen;

c) de man aan haar een bedrag (hierna ook: kinderbijdrage) van € 171,00 per maand per kind dient te voldoen met ingang van 1 maart 2017.

3.2

De vrouw heeft aan haar verzoeken ten grondslag gelegd dat zij altijd voor de minderjarigen heeft gezorgd, omdat de man op fulltime basis werkt. Partijen hebben met behulp van het wijkteam een voorlopige zorgregeling getroffen, inhoudende dat de minderjarigen iedere week van donderdag 17.00 uur tot zondag 11.00 uur bij de man verblijven.

Met betrekking tot de verzochte kinderbijdrage stelt de vrouw zich op het standpunt dat de behoefte van de minderjarigen € 358,00 per maand per kind bedraagt en dat het aandeel van de man daarin, rekening houdende met een zorgkorting van 25%, op € 171,00 per maand per kind kan worden gesteld. De vrouw heeft ook behoefte aan deze bijdrage.

4 Verweer en zelfstandig verzoeken man

4.1

De man heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.2

De man heeft van zijn kant de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht te bepalen dat:

a. a) hij mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast;

b) primair de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem wordt vastgesteld, en subsidiair de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw wordt vastgesteld;

c) een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarigen in de ene week door hem op donderdag uit school/opvang worden opgehaald en dan tot maandagmorgen bij hem verblijven, waarbij hij [minderjarige] op maandag naar school en [minderjarige] naar de opvang c.q. de vrouw brengt, en de andere week hij de minderjarigen op woensdag om 17.00 uur bij de vrouw ophaalt en dan tot zaterdag 11.00 uur bij hem verblijven. Tenslotte verzoekt hij te bepalen dat de minderjarigen de helft van de vakanties en feestdagen bij hem zullen zijn.

4.3

De man heeft aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd dat hij zich zorgen maakt vanwege de psychische problemen van de vrouw. Hij acht het in het belang van de minderjarigen dat zij hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, omdat hij de meeste stabiliteit kan bieden. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat dit de communicatie en de besluitvorming over de minderjarigen ten goede komt. Ten slotte kan hij, indien de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, aanspraak maken op een kindgebonden budget voor een alleenstaande ouder, waardoor hij het financieel ook makkelijker heeft.

5 Verweer vrouw op zelfstandig verzoek man

5.1

De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek van de man om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten.

6 De beoordeling

Gezamenlijk gezag

6.1

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man meegedeeld dat partijen inmiddels een aantekening hebben laten maken dat zij het gezag over [minderjarige] gezamenlijk uitoefenen. Het betreffende verzoek daartoe is ter zitting ingetrokken, zodat het geen verdere bespreking behoeft.

Hoofdverblijfplaats

6.2

Beide partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hun onderlinge communicatie inmiddels is verbeterd. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de invulling van het gelijkwaardig ouderschap het beste tot zijn recht komt door te bepalen dat bij ieder van partijen één minderjarige zijn hoofdverblijfplaats zal hebben.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben en dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben.

Het verzoek van de vrouw dienaangaande en het primaire verzoek van de man zullen dan ook worden afgewezen.

Zorgregeling

6.3

De rechtbank stelt vast dat de vrouw geen bezwaar heeft tegen het oppassen door de ouders van de man op de vrijdag, nu de grootouders reeds vanaf de geboorte van [minderjarige] daarin een rol hebben gehad. De man geniet op donderdagmiddag ouderschapsverlof. De vrouw haar bezwaar tegen de door de man gewenste uitbreiding zit met name in het feit dat de man op donderdagochtend werkt en hij zijn ouders die dag de zorg over [minderjarige] onder schooltijd wil geven, terwijl de vrouw thuis is. De rechtbank is van oordeel dat dit gegeven niet betekent dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen de door de man verzochte zorgregeling, inclusief de maandagmorgen eenmaal in de veertien dagen. Het ouderschap wordt waardevol door de wijze waarop dat wordt ingevuld, en het naar school of opvang brengen en weer ophalen, maakt daar een belangrijk onderdeel van uit. De rechtbank zal derhalve de door de man verzochte zorgregeling toewijzen.

Kinderbijdrage

Behoefte

6.4

Voor de bepaling van de behoefte van de minderjarigen gaat de rechtbank uit van de volgende, op 2016 gebaseerde, gegevens. Het toetsingsinkomen van de vrouw bedroeg in dat jaar € 11.396,00. Het toetsingsinkomen van de man bedroeg in dat jaar € 32.104,00. Tot het gezin behoren drie minderjarige kinderen. Partijen hadden recht op een kindgebonden budget van € 65,00 per maand. Het netto besteedbaar inkomen bedroeg € 790,00 per maand van de vrouw, € 2.063,00 per maand van de man en € 65,00 per maand kindgebonden budget, zodat het netto besteedbaar inkomen totaal € 2.918,00 per maand bedroeg. Uitgaande van drie kinderen (en 8 kinderbijslagpunten) kan de behoefte van de minderjarigen op

€ 810,00 per maand worden gesteld, en daarmee op € 270,00 per maand per kind. De vrouw ontvangt van de vader van [minderjarige] maandelijks € 200,00 als bijdrage in zijn kosten. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding met dit bedrag rekening te houden in dit verband. Aldus bedraagt de geïndexeerde behoefte € 276,00 per maand per kind.

draagkracht van partijen

6.5

De rechtbank heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens op hele euro’s afgerond.

6.6

De vrouw ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een ZW-uitkering en heeft daarnaast recht op een kindgebonden budget voor twee kinderen, zodat haar netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) € 1.279,00 per maand bedraagt.

Het bedrag aan draagkracht dat voor minderjarigen beschikbaar is, wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) van 2017, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905,00)]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van

€ 905,00 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 1.575,00 zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Hiervan uitgaande heeft de vrouw een draagkracht om bij te dragen in de kosten van de minderjarigen van € 50,00 per maand.

6.7

De man heeft met ingang van 1 januari 2017 een bruto inkomen van € 2.750,00 per maand exclusief vakantiegeld. Zijn netto besteedbaar inkomen uit arbeid bedraagt € 2.213,00 per maand. Hij heeft recht op een kindgebonden budget voor één kind van € 264,00 per maand vanaf het moment dat [minderjarige] bij hem ingeschreven staat, zodat zijn netto besteedbaar inkomen vanaf dat moment € 2.477,00 per maand bedraagt. De rechtbank stelt deze datum fictief op 1 november 2017. De periode tot 1 november 2017 bedraagt zijn netto besteedbaar inkomen € 2.213,00 per maand.

Volgens voormelde formule is de draagkracht van de man 70% x [2477 – (743 + 905)]

€ 580,00 per maand per 1 november 2017 en € 451,00 per maand vanaf 21 maart 2017, zijnde datum van ontvangst van het verzoekschrift, tot aan 1 november 2017.

Periode tot 1 november 2017

6.8

De gezamenlijke draagkracht van partijen voor een bijdrage ten behoeve van hun 2 minderjarige kinderen komt daarmee tot 1 november 2017 op (50 + 451) € 501,00 per maand, en daarmee op € 250,50 per maand per kind. Nu deze gezamenlijke draagkracht lager is dan de totale (geïndexeerde) behoefte van de minderjarigen van (2 x 276,00 per maand per kind) € 552,00 per maand kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen worden in dat geval immers geacht hun volledige draagkracht te benutten om zoveel mogelijk in de behoefte van hun minderjarige kinderen te voorzien.

Op het door de man te betalen aandeel in de behoefte van de minderjarigen dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Partijen hebben met het wijkteam een voorlopige zorgregeling afgesproken, inhoudende dat de minderjarigen iedere donderdag van 17.00 uur tot zondag 11.00 uur bij de man verblijven. Op grond van deze regeling is een zorgkortingspercentage van 25% van toepassing. Omdat de behoefte van de minderjarigen

€ 552,00 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 138,00 per maand.

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van hun minderjarige kinderen te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht € 501,00 per maand, zodat er een tekort is van € 51,00 per maand. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend, oftewel € 25,50 per maand. De man moet daarom in de kosten van de minderjarigen bijdragen met een bedrag van € 338,50 per maand (draagkracht 451 minus (zorgkorting 138 – tekort 25,50) 112,50, zijnde een bedrag van € 169,25 per maand per kind.

De rechtbank zal deze bijdrage met ingang van 21 maart 2017 tot 1 november 2017 vaststellen.

Periode vanaf 1 november 2017

6.9

De gezamenlijke draagkracht van partijen voor een bijdrage ten behoeve van hun 2 minderjarige kinderen komt daarmee met ingang van 1 november 2017 op € 630,00 per maand, en daarmee € 315,00 per maand per kind. Dit bedrag overschrijdt de (geïndexeerde) behoefte van € 276,00 per maand per kind. Er is daarom aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van de kosten van de minderjarigen over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigen met de behoefte.

Voor de vrouw betekent dit dat haar aandeel 50 : 630 x 552 = € 44,00 per maand bedraagt, zijnde € 22,00 per maand per kind.

Voor de man betekent dit dat zijn aandeel 580 : 630 x 552 = € 508,00 per maand bedraagt, zijnde € 254,00 per maand per kind.

6.10

Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Gelet op de vast te stellen zorgregeling geldt een percentage van 35%. Omdat de behoefte € 276,00 per maand per kind bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 97,00 per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [minderjarige] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.

Dit betekent dat de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] € 157,00 (254-97) per maand dient te voldoen.

6.11

Het door de man aan de vrouw te betalen aandeel in de behoefte van [minderjarige] wordt als volgt berekend: de behoefte is € 276,00, waarvan 30% betrekking heeft op verblijfsoverstijgende kosten, welke voor rekening van de man komen, omdat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft. Die 30% beloopt een bedrag van € 83,00 en strekt in mindering op de behoefte, zodat € 193,00 resteert. De man wordt geacht minimaal € 97,00 per maand (zijnde 35% van de behoefte) aan [minderjarige] te besteden bij de uitoefening van zijn zorgtaken. Er resteert nog een bedrag van € 96,00 dat, indien mogelijk, de vrouw dient te voldoen. Zij heeft echter onvoldoende draagkracht hiervoor, zodat partijen dit bedrag dienen te voldoen. De draagkracht van de vrouw is € 22,00 per maand, zodat de man nog aan de vrouw € 74,00 per maand dient te voldoen.

ingangsdatum

6.12

De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage vaststellen met ingang van 21 maart 2017 tot 1 november 2017 en de gewijzigde bijdrage met ingang van 1 november 2017, overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen.

6.13

De rechtbank wijst er - ten overvloede - op dat de hierna vast te stellen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] bij de man zal zijn;

7.2

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] bij de vrouw zal zijn;

7.3

bepaalt dat ten aanzien van beide minderjarigen na te melden zorgregeling zal gelden:

- in week 1 brengt de vrouw beide minderjarigen op donderdag naar school/c.q. opvang en haalt de man beide minderjarigen op uit school of opvang of de man zorgt ervoor dat de minderjarigen worden opgehaald. De minderjarigen blijven dan tot maandagochtend bij de man. De man brengt [minderjarige] naar school en [minderjarige] naar de opvang of de vrouw;

- in week 2 haalt de man de minderjarigen op woensdag om 17.00 uur bij de vrouw op en zij blijven dan tot zaterdag 11.00 uur bij de man;

- de vakanties en feestdagen worden door partijen bij helfte gedeeld;

7.4

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

dient te voldoen € 169,25 per maand per kind, met ingang van 21 maart 2017 tot 1 november 2017;

7.5

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

dient te voldoen € 74,00 per maand, met ingang van 1 november 2017, telkens bij vooruitbetaling;

7.6

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

dient te voldoen € 157,00 per maand, met ingang van 1 november 2017, telkens bij vooruitbetaling;

7.7

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

7.8

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, rechter, in tegenwoordigheid van

D.J. Witsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.