Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8383

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
BOPZ 264041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging inbewaringstelling BOPZ. Formeel verweer tegen directe beslissing van de rechter, gelet op artikel 30p Rv. Verweer verworpen; direct beslist en uitspraak gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2017-0365

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling

zaak-/rekestnr.: 264041

beschikking van de enkelvoudige kamer van 15 september 2017,

van de rechtbank Noord-Holland naar aanleiding van het door de officier van justitie

op 12 september 2017 ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van:

de heer [betrokkene],

[geboortedatum],

[woonplaats],

thans verblijvende

[verblijfplaats]

,

hierna: betrokkene.

1 Procedure

De burgemeester van de gemeente Alkmaar heeft bij beschikking van 11 september 2017 een last tot inbewaringstelling afgegeven. Deze beschikking is, evenals de geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21 van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (Bopz) overgelegd.

De rechtbank heeft op 15 september 2017 de volgende personen gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat mr. E.M. Hoorenman,

- [L], psychiater.

Verder aanwezig:

- [S], arts-assistent.

2 Beoordeling

2.1

De advocaat van betrokkene heeft allereerst een formeel verweer gevoerd. Dat verweer houdt in dat de beslissing door de rechter niet direct kan worden genomen, omdat dat sinds 1 september 2017 in verband met het nieuw ingevoerde artikel 30p van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet langer mogelijk is, zonder dat alle partijen aanwezig zijn. De verzoekende officier van justitie was niet ter zitting aanwezig.

2.2

De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

In de BOPZ-praktijk was het tot heden gebruikelijk om als uitgangspunt direct na afloop van de zitting en het verhoor van betrokkene de beslissing te nemen en mee te delen aan betrokkene. Die beslissing werd daarna dan door de griffier zo spoedig mogelijk uitgewerkt in een schriftelijke beschikking die aan alle belanghebbenden werd verstrekt. Deze praktijk was niet rechtstreeks op de wet gebaseerd, maar – mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin deze werkwijze nooit is afgekeurd – wel breed aanvaard, ook gelet op de bijzondere aard van de BOPZ-procedure. Deze aard brengt mee dat het in het belang van alle betrokkenen (de patiënt en de instelling) is dat een uitspraak direct wordt gedaan en ook door de rechter zelf aan betrokkene meegedeeld.

Het onderhavige verzoek van de officier van justitie dateert van 12 september 2017. Sinds 1 september 2017 is artikel 30p Rv van kracht op civiele procedures, die na 1 september 2017 zijn aangevangen. Daarin is de mogelijkheid opgenomen om onder bepaalde voorwaarden direct na de mondelinge behandeling uitspraak te doen. In het van de mondelinge behandeling op te maken proces-verbaal worden dan slechts de beslissing en de gronden van de beslissing opgenomen.

Eén van de voorwaarden voor toepassing van het nieuwe artikel is dat alle betrokken partijen aanwezig zijn bij de zitting. Aan die voorwaarde wordt in het allergrootste deel van de BOPZ-zaken niet voldaan. De verzoekende partij is immers het openbaar ministerie en bij de zitting is doorgaans geen officier van justitie aanwezig. Zo ook in deze zaak.

Uit de wetgeschiedenis van artikel 30p Rv blijkt, dat de nieuwe mogelijkheid is geïntroduceerd als een uitbreiding van de bestaande wettelijke regeling. De wetgever heeft zich niet uitgelaten over de onwenselijkheid om bestaande werkwijzen zoals in BOPZ-procedures te laten voortduren.

De rechtbank is van oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de bestaande BOPZ-praktijk te doorkruisen.

Daarom zal de tot heden gevoerde werkwijze in deze zaak worden voorgezet, omdat niet valt in te zien dat zich daartegen enig belang verzet. Dat geldt met name, omdat betrokkene en andere belanghebbenden meer baat hebben bij een volledig uitgewerkte beschikking dan aan een uitgeklede versie daarvan in een proces-verbaal.

Ten slotte is in de praktijk gesuggereerd dat de rechter direct na afloop van de mondelinge behandeling zal aankondigen dat hij het verzoek zal gaan toewijzen of afwijzen. Deze mogelijkheid doet zich in het onderhavige geval niet voor, omdat de datum van de zitting de uiterste beslisdatum is.

Gelet op het voorgaande zal daarom direct worden beslist.

2.3

Uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken dat het ernstige vermoeden bestaat dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten een depressie in combinatie met afhankelijkheid van alcohol, en dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken.

De advocaat heeft betwijfeld dat sprake is van een zodanige alcoholafhankelijkheid dat deze moet worden beoordeeld als een geestelijke stoornis in de zin van de wet BOPZ. De rechtbank deelt die twijfel niet. Allereerst heeft de psychiater ter zitting de geneeskundige verklaring bevestigd in de zin dat tevens een ernstig vermoeden bestaat van een depressieve stoornis. Daarnaast is het feit dat betrokkene direct voorafgaande aan de opname twee zelfmoordpogingen heeft gedaan voor de rechtbank voldoende reden om aan te nemen dat niet slechts sprake is van alcoholmisbruik.

Vast is komen te staan dat betrokkene gevaar veroorzaakt, te weten dat hij zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, dat hij maatschappelijk te gronde gaat en het gevaar dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen,

Het gevaar is zo onmiddellijk dreigend dat toepassing van de procedure tot voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht en dit gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend.

Betrokkene geeft geen blijk van de nodige bereidheid zich in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen.

Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

Verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 27 en 29 Wet Bopz, welke machtiging de bevoegdheid geeft om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 6 oktober 2017.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter, in tegenwoordigheid van E.B.B.M. van Linden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.1

1 Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open