Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8287

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
C/15/242859 / HA ZA 16-298
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident 843a Rv

Na pleidooi deels toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/242859 / HA ZA 16-298

Vonnis in incident van 1 februari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESTLAND INFRA NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Poeldijk,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaten mr. R.C. Berg en mr. N.L.L.M.C. Jans te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHNEIDER ELECTRIC THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaten mr. I.S. Oosterhoff en mr. I.S. Spigt te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Westland en Schneider genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord

  • -

    het pleidooi in het incident d.d. 12 januari 2017, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De uitgangspunten

2.1.

RM6 installaties zijn schakel- en zekeringsinstallaties met een maximaal spanningsniveau van 24 kV en die worden gebruikt in onderstations in elektriciteitsnetwerken (de zogenoemde elektriciteitshuisjes). De RM6 installatie dient onder meer om de elektriciteitsnetten en de installaties die daarvan deel uitmaken te beschermen tegen overbelasting en kortsluiting.

2.2.

Schneider heeft in de periode van 1988 tot 2012 circa 800 RM6 installaties geleverd aan Westland.

2.3.

Westland stelt in de hoofdzaak dat zij in de periode 2002 – 2012 problemen heeft ondervonden met de RM6 installaties. Zij stelt dat zij dientengevolge schade heeft geleden en vordert in de hoofdzaak onder meer betaling door Schneider van een schadevergoeding begroot op € 2.941.165,--.

3 De standpunten in het incident

3.1.

Schneider stelt dat in de hoofdzaak weliswaar is gesteld dat de door haar geleverde RM6 installaties ondeugdelijk zijn, maar dat er mogelijk andere oorzaken zijn aan te wijzen voor het ontstaan van de problemen met de RM6 installaties. Schneider stelt dat zij teneinde haar verweer handen en voeten te kunnen geven behoefte heeft aan (inzage in) verschillende documenten van Westland die betrekking hebben op de installatie van de RM6 installaties, het onderhoud en de gestelde problemen.

3.2.

Schneider vordert in dat verband - na vermindering van haar vordering tijdens het pleidooi - dat Westland wordt veroordeeld tot het geven van de gelegenheid tot inzage in dan wel tot afgifte van afschrift van:

  1. de (tweejaarlijks opgestelde) Kwaliteits- en capaciteitsdocumenten Elektriciteit die zijn opgesteld in de periode 2005-2016, inclusief de door Schneider (de rechtbank begrijpt: Westland) als vertrouwelijk bestempelde passages en bijlagen en tevens de Capaciteitsplannen Elektriciteit (en/of daarmee vergelijkbare documenten) die zijn opgesteld in de periode van 1998 tot en met 2015, inclusief alle bijlagen;

  2. de KPI rapportages (en/of daarmee vergelijkbare documenten) inclusief de incidentenmeldingen over de periode 1998 tot en met 2016;

  3. het bedrijfsmiddelenregister met betrekking tot de RM6 Installaties, vanaf 1998;

  4. het Risico Management systeem (RMS) met betrekking tot de RM6 installaties, inclusief alle documenten die in dat verband zijn opgesteld waaronder, maar niet beperkt tot, rapportages;

  5. de individuele kortsluitingsrapportages van KEMA van de veertien kortsluitingen, en alle overige documenten die zijn opgemaakt in verband met deze kortsluitingen;

de interne projectadministratie van Westland waarnaar wordt verwezen in alinea 54 van de dagvaarding;

documenten waarin informatie is opgenomen over schakelactiviteiten (zoals onder meer data waarop is geschakeld, type schakeling, reden voor schakeling en verloop van de schakelactiviteit) ten aanzien van de RM6 installaties, waaronder begrepen maar niet beperkt tot, logboeken.

3.3.

Westland voert verweer. Zij betwist dat Schneider een rechtmatig belang heeft bij afgifte c.q. inzage van de door haar gevraagde bescheiden. Uitsluitend ten aanzien van de sub e gevorderde kortsluitingsdocumenten stelt Westland zich bij gelegenheid van het pleidooi op het subsidiaire standpunt dat tegen afgifte van deze bescheiden geen bezwaar bestaat. Primair handhaaft zij haar bezwaar tegen afgifte.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Bij de beoordeling van de incidentele vordering van Schneider geldt als uitgangspunt dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser, in dit geval Schneider, een rechtmatig belang hebben bij de afgifte of inzage, moet het gaan om bepaalde bescheiden en moeten die bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is; daaronder valt mede een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan Schneider slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen in de hoofdzaak. Voorts moet niet gebleken zijn van één van de in lid 3 en lid 4 van de bepaling gemaakte uitzonderingen op het inzagerecht, te weten dat 1) de wederpartij tot geheimhouding verplicht is met betrekking tot de bescheiden of dat 2) er gewichtige redenen zijn die maken dat afgifte geweigerd moet worden, of dat 3) redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder afgifte is gewaarborgd.

4.2.

Door Westland zijn de volgende algemene verweren aangevoerd tegen toewijzing van de vordering van Schneider.

Schneider heeft geen rechtmatig belang bij afgifte van c.q. inzage in de gevorderde bescheiden aangezien zij niet heeft aangetoond dat Westland een fout heeft gemaakt.

De gevraagde bescheiden betreffen stukken die Westland heeft gewisseld met een derde

– KEMA of ACM – en Schneider heeft geen rechtmatig belang bij afgifte van die stukken omdat zij geen partij is bij die rechtsbetrekking.

4.3.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Deze verweren gaan niet op. Schneider heeft voldoende uiteengezet waarom zij behoefte heeft aan inzage in de door haar gevraagde bescheiden teneinde haar verweer op te kunnen stellen. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgesloten dat voor de problemen die door Westland worden ondervonden met de RM6 installaties mogelijk een andere oorzaak valt aan te wijzen dan ondeugdelijkheid van de apparaten. Zij heeft aangegeven in hoeverre de door haar gevorderde documenten eventueel kunnen bijdragen aan het door haar te voeren verweer in de hoofdzaak. Op grond daarvan wordt geoordeeld dat geen sprake is van een fishing expedition waarvoor artikel 843a Rv niet bedoeld is. Dat Schneider in dit stadium van de procedure nog geen bewijs heeft kunnen overleggen dat door Westland een fout gemaakt is maakt dit niet anders. Teneinde dat standpunt handen en voeten te kunnen geven heeft zij immers de informatie nodig uit de door haar gevraagde stukken.

De omstandigheid dat Schneider geen partij is bij de rechtsbetrekking tussen Westland en KEMA of ACM in het kader waarvan stukken gewisseld zijn, maakt niet dat zij geen rechtmatig belang heeft bij inzage. Volgens vaste jurisprudentie bestaat dit rechtmatig belang indien voldoende vaststaat dat de betreffende documenten betrekking hebben op het geschil in de hoofdzaak. Aan Schneider wordt verweten dat zij ondeugdelijke apparaten heeft geleverd. Uit de stukken die Westland met KEMA of ACM heeft gewisseld kan worden afgeleid hoe Westland de apparaten heeft geïnstalleerd, ze heeft gebruikt en heeft onderhouden. Deze stukken hebben derhalve betrekking op het geschil tussen Westland en Schneider in de hoofdzaak zodat Schneider om die reden een rechtmatig belang heeft bij afgifte van c.q. inzage in die stukken.

4.4.

De verschillende onderdelen van de vordering van Schneider, voor zover gehandhaafd, zullen hierna afzonderlijk worden behandeld en beoordeeld.

4.5.

Ad a: de (tweejaarlijks opgestelde) Kwaliteits- en capaciteitsdocumenten Elektriciteit (KCD’s) die zijn opgesteld in de periode 2005-2016, inclusief de door Westland als vertrouwelijk bestempelde passages en bijlagen en tevens de Capaciteitsplannen Elektriciteit (en/of daarmee vergelijkbare documenten) die zijn opgesteld in de periode van 1998 tot en met 2015, inclusief alle bijlagen.

4.6.

Door Schneider is aangevoerd dat deze KCD’s voor haar relevante informatie bevatten over het beleid van Westland ten aanzien van de installatie van de RM6 installaties als ook in het beleid ten aanzien van het onderhoud van de installaties. Zij heeft benadrukt dat met name bijlage 3 (Onderhoudsplan) en bijlage 5 (Onderhoudstabellen) van belang zijn aangezien met deze bijlagen invulling wordt gegeven aan de verplichtingen die de netbeheerder heeft op grond van art. 11 lid 1 onder h van de Regeling kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas. Ook bijlage 8 (Overzicht risicoregister Westland) en bijlage 9 (KPI overzicht) zijn relevant om inzicht te krijgen in de kwalitatieve toestand van de installaties.

4.7.

Westland heeft bezwaar gemaakt tegen afgifte van deze gegevens. Zij heeft verklaard dat de KCD’s een publiekrechtelijke rapportageverplichting aan de toezichthouder (te weten ACM) zijn waarop een specifiek vertrouwelijkheidsregime van toepassing is. Zij heeft betwist dat de KCD’s specifieke informatie over de RM6 installaties bevatten. Zij zeggen in het geheel niets over de wijze van installeren (zoals de bevestiging van de kabels) en de installatievoorschriften maken geen onderdeel uit van de inhoud van het KCD, aldus Westland. Zij wijst er op dat Schneider alle KCD’s vraagt vanaf de invoering van de Elektriciteitswet in 1998, terwijl zij niet heeft onderbouwd wat de KCD’s zouden kunnen bijdragen aan de beslechting van het geschil. Voor het geval de vordering van Schneider wordt toegewezen heeft zij een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 29 Rv.

4.8.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft Schneider omtrent haar belang bij de inzage in de KCD’s verder aangevoerd dat bijlage 6 bij de KCD een uitgewerkt plan voor storingen en onderbrekingen zou bevatten en dat daaruit tevens blijkt wie er als storingsleiders en Operationeel Installatieverantwoordelijken zijn aangesteld. Schneider heeft benadrukt dat deze informatie voor haar van belang is om te kunnen vaststellen of voldoende gekwalificeerd personeel belast is met het onderhoud van de installaties.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat Schneider haar belang bij inzage in de KCD’s voldoende aannemelijk gemaakt heeft. Het betoog van Westland dat de KCD’s vertrouwelijke informatie zouden bevatten is door Schneider niet weersproken. Dit deel van de vordering van Schneider is toewijsbaar, met dien verstande dat de rechtbank zal bepalen dat het Schneider niet is toegestaan de bewuste informatie met derden, niet zijnde haar advocaat, door haar in te schakelen deskundigen of haar eigen personeel, te delen of te bespreken. Aan laatstgenoemde derden dient Schneider wel een verbod tot verdere verspreiding op te leggen.

4.10.

Ad b: De KPI rapportages (en/of daarmee vergelijkbare documenten) inclusief de incidentenmeldingen over de periode 1998 tot en met 2016.

4.11.

Door Schneider is aangevoerd dat haar belang bij inzage in deze rapportages erin is gelegen dat zij inzicht krijgt in het beleid van Westland omtrent storingen en wanneer de storingen hebben plaatsgevonden en welke installaties dit betroffen.

4.12.

Door Westland is betwist dat Schneider een rechtmatig belang heeft bij inzage in deze gegevens. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat Schneider onvoldoende uiteen gezet heeft welke relevante informatie de KPI’s voor haar kunnen bevatten. Het door Schneider genoemde inzicht in het beleid omtrent storingen valt uit de KPI’s niet af te leiden. De KPI’s bevatten (volgens definities van ACM) storingsstatistieken over de betrouwbaarheid van het netwerk en de storingen die daarop plaats vinden, zoals de gemiddelde onderbrekingsduur per jaar van het hele netwerk van Westland. De incidentrapportage is bovendien niet specifiek voor de RM6 installaties. Alleen de registratie van de data van de incidenten met RM6 installaties is relevant voor Schneider, maar die gegevens heeft Westland reeds gedeeld.

4.13.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft Schneider aangevoerd dat niet slechts de data van incidenten met de RM6 installaties van belang zijn maar dat alle omstandigheden rondom de incidenten van belang zijn voor een goede beoordeling van die incidenten. De KPI’s zijn derhalve noodzakelijk voor het verkrijgen van een compleet beeld van de incidenten.

4.14.

Door Westland is dit niet nader inhoudelijk weersproken.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat Schneider haar rechtmatig belang bij inzage in deze rapportages voldoende aannemelijk gemaakt heeft. Dit deel van de vordering kan worden toegewezen.

4.16.

Ad c: het bedrijfsmiddelenregister (BMR) met betrekking tot de RM6 Installaties, vanaf 1998.

4.17.

Door Schneider is aangevoerd dat voor Westland een verplichting bestaat om de kwalitatieve toestand van bedrijfsmiddelen, waaronder de RM6 installaties, bij te houden in het Bedrijfsmiddelenregister.

4.18.

Westland heeft betwist dat het BMR gegevens bevat over de kwalitatieve toestand van de installaties. Artikel 17 van de Regeling ziet volgens Westland uitsluitend op de onveranderlijke identificerende gegevens die bij de installaties behoren. Van de RM 6 wordt in het BMR bijvoorbeeld vastgelegd uit hoeveel ‘velden’ deze bestaat, wat het isolatiemedium is en hoeveel stroom de schakelaars en de rail aan kunnen, aldus Westland.

Het BMR vanaf 1998 is een contradictio: het BMR bevat alleen de bedrijfsmiddelen die op dat moment aanwezig zijn en geen bedrijfsmiddelen die uit bedrijf zijn genomen. Reeds om die reden is de vordering van Schneider ook onvoldoende bepaalbaar.

4.19.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft Schneider benadrukt dat Westland zelf, door te stellen dat de BMR de basis is geweest voor het overzicht van productie 1 bij de dagvaarding, aangeeft dat de BMR wel degelijk relevante informatie bevat. Bovendien erkent Westland op pagina 26 van het KCD 2016 – 2022 zelf dat het BMR zowel statische als dynamische gegevens bevat:

3.5

Registratiesystemen en databeheer

Cruciaal voor het doen van juist assetmanagement is het vastleggen, beschikbaar hebben en tijdig muteren van de assetdata. Wij hebben hiervoor een bedrijfsmiddelenregister ingericht waarmee zowel statische data als dynamische data juist, tijdig en beschikbaar is. Onder statische data wordt verstaan de ligging, de kenmerken van het component en de weergave op bijvoorbeeld elektronische kaarten en of schema’s. De dynamische data zijn de data die worden verkregen door het gebruik van deze assets. Te denken valt hierbij aan gegevens uit onderhoudswerk of storingen.

Schneider heeft benadrukt dat dit nu net de informatie is die zij nodig heeft.

4.20.

Westland heeft haar standpunt gehandhaafd.

4.21.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op het citaat van Westland uit de KCD zoals dat door Schneider is aangehaald, de BMR wel degelijk voor Schneider relevante informatie over onderhoud en/of storingen kan bevatten. Ook dit deel van de vordering is toewijsbaar.

4.22.

Ad d: Het Risico Management systeem (RMS) met betrekking tot de RM6 installaties, inclusief alle documenten die in dat verband zijn opgesteld waaronder, maar niet beperkt tot, rapportages.

4.23.

Schneider heeft hieromtrent aangevoerd dat uit het eerder aangehaalde KCD 2016-2022 blijkt dat Westland zich richt op het RMS bij het bepalen van de verschillende onderhoudsacties en de vervangingsinvesteringen. Schneider benadrukt dat derhalve de verwachting gerechtvaardigd is dat het RMS inzage biedt in de noodzaak tot, de planning van en de rapporten over onderhoudsacties bij Westland en dat zij voor haar verweer belang heeft bij inzage van deze informatie over de RM6 installaties. De wijze waarop Westland met de RM6 installaties is omgegaan is immers relevant voor de te verwachten levensduur van de installaties.

4.24.

Westland heeft erkend dat het RMS een relevant document is en er op gewezen dat de gestructureerde analyse van de verschillende categorieën bedrijfsrisico’s van de RM6 installaties die door middel van het RMS waren uitgevoerd heeft bijgedragen aan de conclusie van Westland dat niets doen geen optie was en dat daarom het Monitoring en Vervangingsprogramma geboden was. Zij heeft er op gewezen dat zij om die reden ook producties 23 in het geding heeft gebracht.

4.25.

Schneider heeft bij gelegenheid van pleidooi aangevoerd dat de bijlagen bij het als productie 23 overgelegde RMS ontbreken en dat zij zich er bovendien van wenst te verzekeren dat het overgelegde document de originele document betreft.

4.26.

De rechtbank overweegt als volgt. De bijlagen behorende bij het RMS zoals dat als productie 23 in het geding gebracht is, dienen door Westland alsnog aan Schneider te worden overgelegd. Er bestaat echter geen grond om Westland te verplichten nogmaals het RMS zelf over te leggen teneinde Schneider in de gelegenheid te stellen vast te stellen dat als productie 23 een afschrift van het originele document is overgelegd. Schneider heeft onvoldoende concreet gemaakt dat zij gerechtvaardigde gronden heeft om eraan te twijfelen dat door Westland een afschrift van het originele document in het geding is gebracht als productie 23. Behoudens ten aanzien van de bijlagen wordt de vordering voor het overige afgewezen.

4.27.

Ad e: de individuele kortsluitingsrapportages van KEMA van de veertien kortsluitingen, en alle overige documenten die zijn opgemaakt in verband met deze kortsluitingen.

4.28.

Door Schneider is betoogd dat zij er belang bij heeft om een afschrift te verkrijgen van alle 14 opgemaakte rapporten en overige documenten over de kortsluitingen teneinde zich een beeld te kunnen vormen van die kortsluitingen. Zij heeft aangevoerd dat haar wordt verweten gebrekkige installaties te hebben geleverd maar dat uit de informatie omtrent de kortsluitingen valt af te leiden in welke toestand de RM6 installaties zijn aangetroffen, op welke wijze ze waren geïnstalleerd en wat de oorzaak van de kortsluitingen is geweest.

4.29.

Westland heeft benadrukt dat niet van alle 14 incidenten KEMA rapportages opgemaakt zijn. Zij heeft verklaard dat dit in ongeveer 7 van de 14 incidenten wel is gebeurd en dat van alle incidenten in ieder geval melding in haar eigen administratie is gemaakt aan de hand van een checklist en in sommige gevallen voorzien van foto’s.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft zij verklaard dat haar subsidiaire standpunt is dat deze informatie wel aan Schneider zou kunnen worden afgegeven.

4.30.

De rechtbank overweegt dat, nu Westland geen concreet inhoudelijk verweer voert tegen deze vordering, deze vordering reeds om die reden toewijsbaar is, op de wijze als hierna te vermelden.

4.31.

Ad f: de meldingen aan de arbeidsinspectie. Dit deel van haar vordering heeft Schneider bij gelegenheid van het pleidooi ingetrokken, zodat dit geen nadere bespreking behoeft.

4.32.

Ad g: de interne projectadministratie van Westland waarnaar wordt verwezen in alinea 54 van de dagvaarding;

4.33.

Schneider heeft er op gewezen dat Westland in de dagvaarding heeft verwezen naar de projectadministratie die kennelijk mede zou zien op de vervangingskosten van de RM6 apparaten welke vervangingskosten Westland thans van Schneider vordert in de hoofdzaak. Zij heeft gesteld dat zij er om die reden belang bij heeft inzage te krijgen in die projectadministratie.

4.34.

Westland heeft benadrukt dat de projectadministratie is aangehaald in het kader van de begroting van de schade. Zij heeft erop gewezen dat Schneider op geen enkele wijze heeft aangevoerd hoe de projectadministratie zou kunnen bijdragen aan de onderbouwing van haar verweer omtrent de wijze van installeren, onderhoud of schakelen. Zij heeft betwist dat Schneider een rechtmatig belang heeft bij deze informatie.

4.35.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft Schneider erkend dat het op dit moment nog te vroeg is voor een inhoudelijke beoordeling van de schade. Zij heeft echter haar vordering ten aanzien van deze stukken gehandhaafd en heeft in dat verband ook gewezen op het bepaalde in artikel 21 Rv wat inhoudt dat Westland gehouden is de rechtbank en de wederpartij volledig in te lichten.

4.36.

De rechtbank overweegt als volgt. De vordering tot overlegging van de interne projectadministratie wordt afgewezen. Partijen zijn het er over eens dat deze projectadministratie uitsluitend van belang is bij de begroting van de schade. Eerst dient in de hoofdzaak echter de eventuele aansprakelijkheid van Schneider vastgesteld te worden. In deze stand van de procedure wordt afgifte van de projectadministratie om die reden prematuur geoordeeld.

4.37.

Ad h: documenten waarin informatie is opgenomen over schakelactiviteiten (zoals onder meer data waarop is geschakeld, type schakeling, reden voor schakeling en verloop van de schakelactiviteit) ten aanzien van de RM6 installaties, waaronder begrepen maar niet beperkt tot, logboeken.

4.38.

Schneider heeft aangevoerd dat het goed mogelijk is dat kortsluitingen het gevolg zijn van onjuist of overmatig schakelen en heeft gesteld dat het aantal en het type schakelactiviteiten invloed hebben op de toestand van de RM6 installaties en daarom dus ook op de levensduur van de installaties. Zij heeft verklaard dat zij er van uit gaat dat Westland de schakelhandelingen heeft bijgehouden en heeft benadrukt dat zij belang heeft bij inzage in die informatie.

4.39.

Westland heeft zich op het standpunt gesteld dat het door Schneider gestelde omtrent schakelhandelingen nonsens is zodat rechtmatig belang voor Schneider bij inzage ontbreekt. Zij heeft aangevoerd dat uit het betoog van Schneider valt af te leiden dat zij niet bekend is met het fundamentele verschil tussen een kortsluitingsschakeling en een bewuste mechanische schakeling tussen spanningsniveaus en dat Schneider geen enkele indicatie heeft gegeven van ondeskundig handelen van Westland. Bovendien is de vordering van Schneider op dit onderdeel te weinig specifiek zodat niet is voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste, aldus Westland.

4.40.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft Schneider de verschillen tussen de schakelhandelingen zoals door Westland aangevoerd nader uiteengezet en voorts benadrukt dat de informatie over de verschillende schakelhandelingen veel zegt over de kwalitatieve toestand van de installatie. Dit is informatie waarover alleen Westland de beschikking heeft en die Schneider nodig heeft voor het opstellen en onderbouwen van haar verweer.

4.41.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het er over eens dat er sprake is van verschillende schakelhandelingen: de afschakeling die optreedt bij een kortsluiting, die slechts vijf maal mogelijk in een RM6 installatie en de bewuste mechanische schakelingen tussen spanningsniveaus welke schakelingen duizenden keren mogelijk zijn zonder de installatie te schaden. De rechtbank is van oordeel dat Schneider voldoende uiteengezet heeft wat haar belang is bij inzage in de gevraagde documenten. Deze kunnen immers haar verweer dat er mogelijk andere oorzaken voor de kortsluitingen zijn aan te wijzen ondersteunen. Dit deel van de vordering kan worden toegewezen.

4.42.

Door Westland is aangevoerd dat de eventuele kosten van het verschaffen van inzage of het verstrekken van gegevens voor rekening van Schneider dienen te komen op grond van artikel 843a eerste lid Rv en heeft gesteld er om die reden belang bij te hebben dat aan toewijzing van de vordering van Schneider de voorwaarde wordt verbonden dat Schneider een voorschot in de kosten dient te voldoen van € 5.000,--.

4.43.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft Schneider erkend dat de kosten voor inzage/afgifte van documenten voor haar rekening dienen te komen, maar heeft benadrukt dat de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen redelijk dienen te zijn en dat het door Westland geschatte bedrag niet redelijk is. Zij heeft aangevoerd dat voor zover de rechtbank het noodzakelijk acht een vergoeding te bepalen, een vergoeding van € 0,10 per kopie redelijk zou zijn.

4.44.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 843a eerste lid is bepaald dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage of afschrift kan vorderen. Door Schneider is hiertegen ook geen bezwaar gemaakt, wel tegen de hoogte van het door Westland begrootte bedrag. De rechtbank zal, zoals door Westland verzocht bepalen dat Schneider een bedrag bij vooruitbetaling dient te voldoen ter vergoeding van de te maken kosten, maar ziet wel aanleiding het gevraagde bedrag te matigen op de wijze als hierna te vermelden.

4.45.

Westland zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

4.46.

De door Schneider gevorderde vergoeding voor de nakosten is toewijsbaar voor zover die kosten thans begroot kunnen worden.

4.47.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is eveneens toewijsbaar.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van na te noemen datum voor conclusie van antwoord. Door Schneider is verzocht haar hiervoor een termijn te gunnen van drie maanden na de ontvangst van de informatie. De rechtbank ziet aanleiding wel een langere termijn te gunnen dan de gebruikelijke termijn van zes weken na de datum van het vonnis. Daarbij komt de rechtbank een termijn van acht weken na ontvangst van de stukken redelijk voor.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

beveelt Westland op een termijn van maximaal vier weken na de datum van dit vonnis op grond van 843a Rv tot het verstrekken van afschriften van :

  1. de (tweejaarlijks opgestelde) Kwaliteits- en capaciteitsdocumenten Elektriciteit die zijn opgesteld in de periode 2005-2016, inclusief de door Westland als vertrouwelijk bestempelde passages en bijlagen en tevens de Capaciteitsplannen Elektriciteit (en/of daarmee vergelijkbare documenten) die zijn opgesteld in de periode van 1998 tot en met 2015, inclusief alle bijlagen;

  2. de KPI rapportages (en/of daarmee vergelijkbare documenten) inclusief de incidentenmeldingen over de periode 1998 tot en met 2016;

  3. het bedrijfsmiddelenregister met betrekking tot de RM6 Installaties, vanaf 1998;

  4. e bijlagen behorende bij het als productie 23 door Westland overgelegde Risico Management systeem (RMS) met betrekking tot de RM6 installaties;

  5. de individuele kortsluitingsrapportages die KEMA van (een gedeelte van) de veertien kortsluitingen heeft gemaakt, en alle overige (interne) documenten (inclusief eventuele foto’s) die zijn opgemaakt in verband met deze kortsluitingen;

h) documenten waarin informatie is opgenomen over schakelactiviteiten (zoals onder

meer data waarop is geschakeld, type schakeling, reden voor schakeling en verloop van de schakelactiviteit) ten aanzien van de RM6 installaties, waaronder begrepen logboeken.

6.2.

bepaalt dat het Schneider op grond van het bepaalde in artikel 29 lid 1 aanhef en onder b Rv niet is toegestaan de inhoud van de in 6.1 onder a) genoemde KCD’s met derden (niet zijnde haar advocaat, door haar in te schakelen deskundigen of haar eigen personeel) te delen of te bespreken. Bepaalt voorts dat Schneider aan laatstgenoemde uitgezonderde derden een verbod tot verdere verspreiding dient op te leggen;

6.3.

bepaalt dat de kosten voor het verkrijgen van de sub 6.1 genoemde documenten overeenkomstig het bepaalde in artikel 843a eerste lid Rv voor rekening van Schneider komen en dat zij in verband daarmee een bedrag van € 2.000,-- (tweeduizend euro) bij vooruitbetaling dient te voldoen aan Westland;

6.4.

veroordeelt Westland in de kosten van dit incident aan de zijde van Schneider tot op heden begroot op nihil aan verschotten en op € 904,-- (2 punten à € 452,--) aan salaris advocaat,, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

veroordeelt Westland in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Westland niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan;

6.7.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak

6.8.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 26 april 2017 voor conclusie van antwoord.

6.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.1

1 type: 1155 coll: