Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8120

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
C/15/252832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zoon erflaters spreekt notaris aan. Vordering afgewezen: geen schending zorgplicht notaris en geen beroepsfout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/334
ERF-Updates.nl 2017-0230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/252832 / HA ZA 16-816

Vonnis van 18 oktober 2017 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] [A],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.J.M. Ros te Schagen,

tegen

1 [gedaagden]

gevestigd te Grootebroek,

gedaagden,

advocaat mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en gedaagden tezamen de notaris genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 december 2016 met producties 1-24;

  • -

    de conclusie van antwoord van 22 maart 2017 met producties 1-8;

  • -

    het tussenvonnis van 5 april 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 september 2017 met het daarin vermelde stuk.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] woonde met zijn ouders in een woning aan de [straat] [y] in [woonplaats] . Op een bepaald moment hebben de ouders besloten de naastgelegen koestal te laten verbouwen tot een seniorenwoning. De ouders zijn na de verbouwing in augustus 2004 in de woning, genummerd [x] , gaan wonen. [A] is in de woning op nummer [y] blijven wonen. Hij heeft daarvoor geen vergoeding aan zijn ouders betaald.

2.2.

Beide ouders hadden een testament, maar dat hebben zij gewijzigd. De notaris heeft op 20 april 2006 de uiterste wilsbeschikking van de ouders van [A] verleden. In beide testamenten is [A] volledig onterfd en de volledige nalatenschap is in de testamenten toegewezen aan de (half)zuster van [A] , [E] uit [woonplaats] . De desbetreffende gelijkluidende bepalingen in de testamenten luiden aldus:

“Ik sluit mijn zoon, de heer [eiser] [A] , geboren te [woonplaats] op vier augustus negentienhonderd vijftig, wonende te [woonplaats] , [straat] [y] , alsmede zijn afstammelingen uit als erfgenamen van mijn nalatenschap. (…) Voor het geval mijn voornoemde zoon een beroep op zijn legitieme portie mocht doen, bepaal ik dat daarmee moet worden verrekend: de alsdan gehele eventueel nog bestaande vordering op hem wegens achterstallige huur/vergoeding voor het gebruik van de woning te [woonplaats] , [straat] [y] vanaf een augustus tweeduizend vier, welke vordering uit de huwelijksgemeenschap geheel aan mijn nalatenschap moet worden toegedeeld.”

2.3.

Van enige schriftelijke opstelling van de verschuldigde huur/vergoeding voor het gebruik is niet gebleken.

2.4.

De vader is op 85-jarige leeftijd op 14 mei 2006 overleden en de moeder ruim een jaar later op 18 juni 2007, op 81-jarige leeftijd.

3 De vordering

3.1.

[A] vordert dat de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook voor wat betreft de proces- en nakosten:

  1. voor recht verklaart dat gedaagden primair een onrechtmatige daad hebben begaan als gevolg van onrechtmatig althans onzorgvuldig handelen en/of nalaten, subsidiair dat zij wanprestatie hebben gepleegd, welke onrechtmatige daad en/of wanprestatie volledig aan [gedaagden] kunnen worden toegerekend;

  2. voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk en volledig aansprakelijk moeten worden gehouden jegens [A] voor de gevolgen van hun handelen in verband met (onder meer) de hiervoor onder ‘a’ bepaalde onrechtmatige daad en/of wanprestatie;

  3. gedaagden hoofdelijk veroordeelt aan [A] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van de door [A] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 18 juni 2007 (overlijden van de moeder), tot de dag der algehele voldoening;

  4. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder salaris advocaat, te vermeerderen met alle (na)kosten.

3.2.

[A] is van mening dat zijn moeder op 20 april 2006, de datum van het verlijden van haar testament, wilsonbekwaam was, althans dement, althans dat zij op die datum niet meer in staat was tot redelijke waardering van haar belangen. [A] verwijt de notaris dat zij de akte heeft laten passeren, ondanks dat zij op de hoogte was of moest zijn van de

bedoelde geestestoestand van de moeder.

Daarnaast verwijt [A] de notaris dat zij de beide ouders destijds, vlak voor het

overlijden van de vader, onjuist heeft geadviseerd, althans een advies heeft verstrekt dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris niet had mogen worden verwacht.

Ten slotte verwijt [A] de notaris dat zij vanwege privéomstandigheden destijds zelf niet, althans onvoldoende (wils)bekwaam was ter gelegenheid van het passeren van de beide testamenten en dat zij alleen al daarom niet had mogen passeren.

3.3.

De notaris voert verweer; de moeder was niet dementerend en in ieder geval was dat niet kenbaar voor haar.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de nalatenschap van de vader en de moeder van [A] . Deze nalatenschap omvatte het vermogen van zijn ouders, feitelijk bestaande uit de overwaarde van de twee woningen aan de [straat] in [woonplaats] . Het is datzelfde vermogen dat de ouders van [A] gedurende hun leven hadden opgebouwd en waarover zij bij leven konden en mochten beschikken. In deze procedure is gebleken dat het saldo van de nalatenschap ten tijde van het overlijden van moeder ongeveer € 185.000,- bedroeg.

4.2.

[A] stelt in deze procedure dat zijn moeder ten tijde van het wijzigen van haar testament op 20 april 2006 niet meer over haar vermogen mocht beschikken, omdat zij op dat moment niet meer in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen. [A] vecht echter niet de geldigheid van het testament aan, maar spreekt de notaris aan, omdat zij haar zorgplicht zou hebben geschonden. Zijn moeder was ten tijde van het wijzigen van het testament dement en de notaris had dat moeten opmerken, aldus [A] .

De notaris heeft zowel het een als het ander gemotiveerd betwist.

4.3.

[A] betwist niet dat zijn vader ten tijde van het wijzigen van zijn testament nog in staat was om zijn belangen te behartigen. Hij stelt weliswaar dat zijn vader op dat moment aan prostaatkanker leed, met uitzaaiingen naar zijn botten en dat hij daarvoor pijnbestrijding kreeg, maar dat zegt nog niets over zijn mentale staat. Bovendien heeft [A] zelf als onderbouwing van zijn stellingen aangevoerd dat zijn vader ook in april 2006 nog dominant over zijn moeder was. De rechtbank acht aannemelijk dat juist de terminale ziekte van vader aanleiding was om na te denken over zijn nalatenschap en gaat ervan uit dat het gewijzigde testament van vader zijn laatste wil verwoordde.

Tegen deze achtergrond is niet onmiddellijk aannemelijk dat het testament van moeder niet haar werkelijke wil verwoordde.

4.4.

[A] woonde sinds 2004 naast zijn ouders. Ook na het overlijden van zijn vader in 2006 is hij naast zijn moeder blijven wonen. Moeder leed aan diabetes en had een hoge bloeddruk. Toch is er in deze periode geen arts geweest die iets heeft vastgelegd over enige dementie van moeder. Nergens wordt de stelling van [A] dat zijn moeder dementerend was met enige medische verklaring onderbouwd. Er was de nodige thuishulp, maar voorzover bekend is ook daar geen indicatie gegeven waarbij dementie een rol heeft gespeeld of zelfs maar is genoemd.

[A] heeft naar eigen zeggen ook nooit met zijn zus [E] (met wie hij toen nog een goede verstandhouding had) over dementie van moeder gesproken. [A] had naar eigen zeggen regelmatig contact met de huisarts van zijn ouders, onder andere over medicijnen, maar ook met de huisarts heeft [A] nooit over dementie van zijn moeder gesproken.

4.5.

[A] baseert zijn stelling vooral op feiten, die ontleend zijn aan zijn eigen ervaringen met zijn moeder. Het lijkt erop dat hij deze feiten achteraf is gaan interpreteren als symptomen van dementie.

4.5.1.

Als eerste noemt hij de viering van haar verjaardag in 2001; tijdens het diner zou zijn moeder driemaal binnen korte tijd aan [A] hebben gevraagd of hij het eten lekker vond. Daarin ziet [A] achteraf aanleiding om te veronderstellen dat het proces van dementie op dat moment al begonnen was.

Nog daargelaten hoe dit precies in zijn werk is gegaan, onderbouwt deze gebeurtenis natuurlijk niet dat moeder in 2006 zodanig dementeerde, dat zij niet meer in staat was haar wil op een behoorlijke wijze te vormen.

4.5.2.

Als tweede argument voert [A] aan dat zijn moeder altijd een verwoed puzzelaarster was en dat hij later heeft ontdekt dat zij in een puzzel in 2004 diverse fouten had gemaakt, die zij voorheen nooit maakte. Het gaat hier om een 4-sterren doorloper, waarin moeder van de 210 woorden er 11 niet geheel correct heeft gespeld. Fouten als farte in plaats van farce en tetera in plaats van cetera, cede in plaats van cedi en stasement in plaats van statement duiden voor een 80-jarige naar het oordeel van de rechtbank niet direct op dementie, mede in aanmerking genomen de moeilijkheidsgraad en de hoeveelheid juist ingevulde woorden in deze moeilijke puzzel.

4.5.3.

Ten slotte heeft [A] erop gewezen dat zijn moeder na de verhuizing in augustus 2004 geen hobby’s meer had, terwijl zij vroeger verwoed schilderde en knipwerk deed. Zij was ook gek op kippen en fokte kipjes op. Daar deed moeder niets meer aan en ze kwam ook niet meer buiten. Ze was in 2006 niet meer aanspreekbaar en een praatje met haar maken was niet meer mogelijk. Twee getuigen verklaarden onder ede echter het tegenovergestelde, zoals hierna zal blijken.

Het voorgaande leidt er niet toe dat [A] bewijs van zijn stellingen heeft geleverd, ook niet als de drie factoren in onderling verband worden beschouwd. [A] heeft echter tevens verzocht om een aantal getuigen te doen horen. Hun verklaringen zullen hierna aan de orde komen.

4.6.

Als getuige heeft [A] mevrouw [J] [A] (geen familie van eiser) laten horen, die in de periode na het overlijden van vader eenmaal per twee weken drie uur huishoudelijke hulp aan moeder heeft verleend. In een driegesprek met [A] en de advocaat van [A] , mr. Ros, zou zij volgens de beëdigde getuigenverklaringen van [A] en mr. Ros, in april 2013 hebben verklaard dat moeder volgens haar waarneming “in verregaande staat van dementie verkeerde”.

Deze verklaring heeft zij in september 2015 als beëdigde getuige voor de rechter-commissaris niet willen herhalen. Zij verklaarde toen onder meer het volgende:
“U vraagt hoe dat gesprek verliep. Vanaf 2010 belt dhr. [A] mij stelselmatig op. Hij belt dan over zijn moeder, of ik iets wil zeggen of getuigen. Ik heb op een gegeven moment [A] en Ros maar binnen gelaten, om er van af te zijn. Ik zat toen net in een hele moeilijke tijd, want ik was net gescheiden, was daarom net verhuisd en mijn moeder was net overleden. (…) Om van al de telefoontjes en alle mailtjes en alles af te zijn heb ik gezegd dat ze dan maar een keer binnen moesten komen. En dat is misschien achteraf te lief geweest van mij. Na dat gesprek heeft [eiser] [A] mijn familie nog gebeld om mij over te halen om te getuigen of wat dan ook. (…)

U vraagt waar dat gesprek over ging. Dat weet ik niet goed, want ik was in die tijd heel warrig. Ik weet wel dat het over zijn moeder ging en dat zij dingen wilden horen die er niet zijn, klaar. Ik heb inmiddels in de krant er wel over gelezen. En dat zij willen dat moeder handelingsonbekwaam is. Maar dan moeten ze een medisch dossier erbij halen en niet een huishoudelijk medewerkster. Op uw vragen zeg ik dat het best zou kunnen dat ik heb gezegd dat moeder dement was. Dat zal dan zijn geweest om er van af te zijn.

Op vragen van mr. Ros antwoord ik als volgt.

(…) U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat moeder in verregaande staat van dementie was. Misschien heb ik dat in dat gesprek gezegd. U houdt mij voor dat u heeft gevraagd hoe ik wist dat moeder in verregaande staat van dementie was en dat ik heb geantwoord “Op basis van mijn ervaring en opleiding nu omdat ik inmiddels met demente bejaarden werk. Dus met de wetenschap van nu kan ik dat zeggen”. U vraagt of ik mij dat kan herinneren. Nee.

U vraagt of mij herinner dat ik heb gezegd dat moeder mij op een gegeven moment niet meer ging herkennen toen ik daar werkte. Nee, dat herinner ik mij niet.

Op het laatste was ze wat bedlegerig. En dat er een hond in huis was die steeds maar blafte, dat weet ik nog. (…) Kijk, ik kwam maar eens per 2 weken, dus ik weet die dingen allemaal niet meer. Als ik iets 100% zou weten, zou ik het zeggen. Ik weet me alleen te herinneren dat de zorg toen ze bedlegerig was wat vaker kwam om haar uit bed te halen. Zij was gewoon op, maar waar ze überhaupt aan overleden is weet ik niet.

Ik voerde wel eens een gesprek met moeder als ik daar was. Dat ging over huis/tuin en keuken dingen neem ik aan. Ik zal hebben gevraagd hoe het gaat. Dus over de gewone normale dingen over het leven.”

4.7.

[A] heeft ook [S] doen horen als getuige. Zij werkte sinds 1999 in een bejaardenhuis in Suriname en had daar ook ervaring met dementerende bejaarden. Zij had in 2005 een liefdesrelatie met [A] en was van augustus 2005 tot oktober 2005 in Nederland. Zij verklaarde onder meer als volgt:

“U vraagt wat ik toen heb waargenomen over de geestestoestand van moeder. Wat mij opviel was dat zij vaker op korte termijn dezelfde dingen herhaalde en vroeg. En zij had last van trillingen aan haar handen. En zij lag vaker op bed.

U vraagt of tussen [eiser] [A] en mij destijds in 2005 ter sprake is geweest of moeder aan het dementeren was. Nee.

U vraagt of ik op grond van wat ik zag bij moeder destijds in 2005, met [eiser] [A] heb besproken of er reden tot zorg bestond over de geestvermogens van moeder. Nee. Ik zag wel dat ze medicijnen gebruikte.

Op vragen van mr. Ros antwoord ik als volgt.

U vraagt of ik in 2005 aan wat ik aan moeder zag, dacht dat zij aan dementie leed. Ja, ik dacht dat sprake zou kunnen zijn van dementie in een beginnend stadium. Dat dacht ik aan de hand van de leeftijd en de punten die ik net noemde. (…)

U vraagt of ik de indruk had dat de moeder in 2005 wel eens afwezig was. Dat heb ik niet waargenomen.”

4.8.

Op verzoek van de notaris is zus [E] ook door de rechter-commissaris gehoord. Zij verklaarde, voorzover relevant, het volgende:

“Op vragen van mr. Sijstermans antwoord ik als volgt.

U vraagt over de toestand van moeder rond april 2006, hoe die toen was. De dokter kwam langs voor mijn vader, want die was ziek en had medicijnen. Mijn moeder had wel hartpillen en daar nam ze zelf contact over op met de dokter als ze op waren. Moeder had ook suiker. Maar dat regelde ze allemaal zelf, ook het innemen van de pillen.

De geestestoestand van moeder rond april 2006 was gewoon normaal, niks aan de hand. Ze was alleen slecht ter been. Maar je kon alles met haar bespreken. Ze had ook altijd allemaal puzzles uit de krant, die loste ze allemaal op. Dat zou ze toch ook niet kunnen als ze dement was. Ze las de krant, elke dag, absoluut. Dat deed ze ook nog nadat mijn vader was overleden. Er was alleen verslechtering van de lichamelijke situatie, maar niet van de geestelijke toestand van moeder. (…)

Mijn band met mijn ouders was prima. Gewoon goed. U vraagt hoe de band van mijn broer met mijn ouders was. Nou, daar speelde dat hij zich niet aan de afspraak hield dat hij een bepaald bedrag moest betalen voor het huis en daar hield hij zich op een gegeven moment niet meer aan. Daar maakten mijn ouders zich boos over. Daar waren ze ook heel open over. Dat vertelden ze ook aan mij. Of zij dat ook met [eiser] bespraken, weet ik niet, want daar was ik niet bij. Maar ik neem aan van wel. Mijn vader sprak er wel met de buren over (de familie [L] – opmerking rechtbank), dat weet ik van de buren. Vader ging elke zaterdag bij hen koffiedrinken.

Op vragen van mr. Ros antwoord ik als volgt. (…)

U vraagt wat dhr. [L] over het testament van moeder heeft gezegd. Ik kan me niet herinneren dat hij daar iets over gezegd heeft. Hij heeft alleen gezegd dat mijn ouders ermee aan waren en dat zij hun testament hebben veranderd. Dat heeft hij rond de tijd dat de testamenten veranderd werden tegen mij gezegd. (…)

U vraagt waarom mijn moeder destijds niet zelf de notaris heeft gebeld. Omdat mijn moeder verbaal niet, hoe zeg ik dat, zo machtig was. Mijn vader zei in het ziekenhuis dat de notaris gebeld moest worden voor een afspraak, ik heb dat aan mijn moeder doorgegeven en zij vroeg mij of ik dat wilde doen.

U houdt mij voor dat moeder wel zelf de dokter belde en dat dus kon, dus vraagt u mij nog eens waarom zij de notaris niet zelf belde. Ik heb geen idee.

U vraagt mij toe te lichten wat ik bedoel met verbaal niet machtig. Nou, ze was wel machtig, maar dit vond ze ingewikkeld. Dat schoof ze makkelijk af op een ander. De dokter belde ze wel. Mede omdat ze doof was wilde ze dit soort belangrijke zaken afschuiven.

U vraagt hoe doof ze was. Nou, niet erg.”

4.9.

Ten slotte is ook de 82-jarige buurman van [A] , de heer [L] , als getuige gehoord. Hij verklaarde:

“Ik kwam in de periode dat de stal verbouwd werd dagelijks bij de ouders. Dat was schat ik in 2005 of 2006. Ik heb daar namelijk de elektrische leidingen aangelegd. In het nieuwe huis is de vader overleden en daarna ben ik nog wel op bezoek geweest bij de moeder, want zij zat vaak helemaal alleen.

Na het overlijden van vader was de geestestoestand van de moeder volgens mij heel normaal. In mijn ogen was het een sterke vrouw, recht door zee. Haar toestand was het zelfde als in de jaren daarvoor. Bij de vergaderingen met de uitvoerder bij de verbouwing van de stal had zij ook inspraak en daar maakte zij wel gebruik van. (…)

U vraagt of ik er van weet dat de ouders contact hebben gehad met notaris Bakker over het testament. Ja, in die zin, ik weet dat er contact was. U vraagt of ik ook iets weet over de inhoud van het contact. Dan kan ik alleen afgaan over wat [A] senior er over heeft gezegd tegen mij, namelijk dat hij zijn zoon onterfd heeft. Dat vertelde hij mij nog tijdens de bouwperiode. U vraagt of hij ook heeft verteld waarom hij hem onterfd heeft. [A] senior had het er altijd over dat er leningen niet terugbetaald werden en dat dat eigenlijk de reden was en dat [A] jr. weigerde uit het huis te gaan. Daarom hebben zij de stal laten verbouwen, zodat zij daar zelf naar toe konden.

Op vragen van mr. Sijstermans antwoord ik als volgt. (…)

Over het testament sprak ik hoofdzakelijk met de vader. De moeder heeft het wel eens gemeld, zij heeft een keer gezegd dat hij eindelijk onterfd was. De vader had het veel eerder al gezegd, dat hij het van plan was. En toen is het gebeurd. En daarna heeft vader het er ook nog wel eens over gehad. En de moeder dus ook.

Begin 2005/2006 heb ik niets bijzonders aan de lichamelijke toestand van moeder gemerkt. Alleen de week voor haar overlijden kwam ik nog langs en toen lag ze op bed. Op de stoel lagen toen kleren en toen zei de moeder dat ik wel op het bed kon komen zitten.

U vraagt of ik in de periode een jaar voor haar overlijden gewoon met haar kon praten. Ja hoor. Er was niets veranderd met de jaren daarvoor.

De band van de ouders met de dochter was gewoon goed. Met de zoon waren ze een beetje gebrouilleerd, over geld en over leningen. Daar hadden ze het vaak over. Dat was de reden voor de verbouwing van de stal. [A] senior zei over zijn zoon dat zijn zoon al zoveel jaren achterstallig was. Dat is het enige dat ik er over kan zeggen.

Op vragen van mr. Ros antwoord ik als volgt.

Toen ik de week voor haar overlijden bij moeder op de rand van het bed zat, spraken wij erover dat zij schilderde en over fijn knipselwerk dat zij maakte. En wij spraken over haar ziekte. Ik heb haar een paar keer naar de eerste hulp gebracht vanwege erge buikpijn, dat was een paar maanden voor haar overlijden.”

4.10.

Uit deze getuigenverklaringen volgt niet dat moeder ten tijde van het wijzigen van haar testament in 2006 dementerend was. Bewijs van die stelling heeft [A] dus niet geleverd en al helemaal niet van het tweede deel van zijn stelling dat zijn moeder (daardoor) niet meer in staat was haar belangen te overzien.

4.11.

Ten aanzien van de door de notaris in acht te nemen zorgvuldigheid bij het opstellen van het testament merkt de rechtbank allereerst op dat die zorgplicht wel gold jegens vader en moeder, maar niet jegens [A] . Anders dan waarvan [A] in zijn stellingen uitgaat, hoefde de notaris bij het opstellen van het gewijzigde testament geen rekening te houden met de belangen van [A] . De zorgplicht strekte er in dit geval toe dat de notaris zich ervan vergewiste dat de verklaring van de ouders dat zij hun zoon wilden onterven, overeenstemde met hun wil. De notaris diende te toetsen of vader en moeder begrepen wat de rechtsgevolgen zouden zijn van hun keuze.

De notaris verklaarde als beëdigde getuige bij de rechter-commissaris het volgende:

“(…) Ik heb inderdaad heel korte notities gemaakt en die heb ik een paar weken geleden nog doorgekeken. Daar staat in dat de zus belde, dat haar vader in het ziekenhuis lag en dat vader iets wil regelen in verband met zijn zoon die in hun huis woonde en dat de vader voor dat huis iets wilde regelen. En dat het niet zo was dat ik direct naar het ziekenhuis moest, dat het geen haast had en dat vader weer naar huis zou komen. (…)

U maakt uit productie 1 bij verweerschrift op dat ik op 13 april 2006 en 20 april 2006 op huisbezoek bij de ouders ben geweest. (…)

Het eerste huisbezoek was de bespreking van de wensen voor het testament en daar heb ik dus aantekeningen gemaakt. Het tweede huisbezoek was het bespreken van het testament, dat heb ik toen uitgebreid uitgelegd en dat is toen getekend, zonder dat ik daarbij verder aantekeningen heb gemaakt. (…)

Ik weet nog dat er in de notitie staat dat er een langstlevende testament moest komen en dat de erfgenaam de dochter was en dat dhr. [A] geen erfgenaam was, dus werd onterfd. Er staat ook op dat als dhr. [A] een beroep zou doen op zijn legitieme, dat zou moeten worden verrekend met achterstallige huur of vergoeding voor de woning. (…) Maar er was verder niemand behalve ik en vader en moeder. Dat weet ik zeker. (…)

Bij het eerste huisbezoek is besproken dat de ouders in de verbouwde schuur of stal woonden naast de woning en de zoon in het ouderlijk huis woonde. De ouders waren er in feite boos over dat er door de zoon niet betaald werd voor bewoning van dat huis.

Op vragen van mr. Sijstermans antwoord ik als volgt.

U vraagt in welke toestand ik de moeder aantrof bij beide huisbezoeken, welke indruk zij maakte ook qua geestelijke gesteldheid. Goed, zij begreep mij goed. Ik heb zaken toegelicht over de opbouw en inhoud van het testament en daarbij maakte zij op mij de indruk dat zij dat prima begreep. Dat kwam door de manier waarop zij reageerde, bijvoorbeeld haar antwoorden. Gevraagd naar concrete herinneringen, weet ik nog dat dhr. [A] op een gegeven moment achter langs liep en dat moeder toen zei “Oh notaris, als [eiser] binnen komt, dan mag hij niet weten dat u hier bent.” Dus moeder wist heel goed dat ik de notaris was en waar wij het over hadden.

U vraagt of het klopt dat ik tijdens de bezoeken direct vragen aan moeder heb gericht en moeder die ook heeft beantwoord. Ja, aan vader en moeder allebei. Moeder gaf feitelijk ook antwoorden en zei ook dingen en vertelde dingen. Het was niet alleen vader die sprak namens beiden. Het was wel zo dat vader het meest het woord voerde.

U vraagt of ik op enig moment getwijfeld heb aan de geestestoestand van moeder. Nee, absoluut niet. Anders zou ik haar het testament niet hebben laten tekenen. (…)

U vraagt of ik meer heb meegekregen over de relatie van moeder en vader met dhr. [A] . Het gesprek ging feitelijk met name daarover. Dat de ouders veel moeite hadden met de situatie dat de zoon in het huis woonde en nooit ook maar iets wilde betalen eigenlijk. En dat de ouders daar feitelijk wel genoeg van hadden.

U vraagt of ik buiten het feit dat [E] de afspraak heeft geregeld, indicatie heb gehad dat er beïnvloeding was door de dochter. Nee, absoluut niet. De enige betrokkenheid van [E] was dat zij mij dus als eerste belde en dat zij vervolgens de afspraak heeft gemaakt dat ik op huisbezoek zou gaan.

Ik heb alleen contact met [E] gehad in dat eerste telefoongesprek en nog een keer bij het telefonisch maken van een afspraak voor het eerste huisbezoek. (…)

Op vragen van mr. Ros antwoord ik als volgt.

U houdt mij voor dat in de Tuchtkamer-stukken staat dat ik heb verklaard dat ik in het gesprek met [E] verschillende mogelijkheden heb voorgehouden. U vraagt of ik dus wel inhoudelijk met [E] over de mogelijkheden voor de ouders heb gesproken. Ik weet nog dat ik daar heel kort in het eerste gesprek over heb gesproken in het algemeen. Dat ging dan over wat in het algemeen geldt over wat je in het testament kan regelen, over de mogelijkheid van een kleiner erfdeel of onterven.

U vraagt of ik moeder ook afzonderlijk heb gesproken. Nee, alleen met beiden samen.

Het eerste huisbezoek zal ongeveer een uur geduurd hebben. Het tweede zal iets langer geduurd hebben, want ik heb eerst alles nog eens uitgebreid uitgelegd en vervolgens hebben zij getekend. Ik heb daar echt tijd voor uitgetrokken.

In de Tuchtkamer-stukken staat volgens u dat er aan moeder meermalen door mij is gevraagd of zij het begreep en dat in de Tuchtkamer-stukken niet staat dat ik dat ook aan vader heb gevraagd. Ik heb dat inderdaad aan moeder gevraagd, maar ik heb dat ook aan vader gevraagd. Het was een gesprek met hen beiden.”

4.12.

[A] stelt dat voor de notaris het protocol “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” gold. Hoewel dat protocol in mei 2006 door de KNB is vastgesteld, kan worden aangenomen dat het weergeeft wat voor de notaris in april 2006 ook als zorgvuldige werkwijze gold. Aan de hand van een dertiental indicatoren dient de notaris zich de vraag te stellen of er gerede twijfels zijn over de wiksbekwaamheid van de cliënt voor de te nemen beslissing en of de indruk bestaat dat er gezien de indicatoren sprake is van beïnvloeding door derden.

Van die indicatoren gold dat moeder op hoge leeftijd was (80 jaar), dat het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening van een ander dan de cliënt kwam (dochter [E] heeft geregeld dat er een afspraak werd gemaakt) en dat de inhoud van het nieuwe testament ingrijpend afweek van een eerder testament.

Gezien de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen is van andere “signalen van moeder” niet gebleken. De notaris heeft tweemaal uitvoerig met de ouders gesproken. Het doorlopen van het stappenplan hoefde er niet toe te leiden dat de notaris zou moeten twijfelen aan de geestesgesteldheid van de moeder.

Op grond van al het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de notaris haar zorgplicht niet heeft geschonden en geen beroepsfout heeft gemaakt. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.13.

[A] heeft op basis van eigen onderzoek een “Reconstructie van het leven van notaris [B]” gemaakt. Zijn onderzoek bestond, zo beschrijft hij, uit gesprekken met onder meer oud-collega’s, medestudenten en de moeder van de notaris. De dagvaarding meldt hierover het volgende:

“Blijkens de reconstructie lijdt de notaris aan epilepsie en als gevolg daarvan faalt haar geheugen regelmatig. Als gevolg van een aantal zeer stressvolle, althans uitzonderlijk ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de notaris, is [A] tot de conclusie gekomen dat het beoordelingsvermogen van de notaris destijds bij het passeren van de akte dermate is aangetast, dat de notaris alleen daarom al de akte van de moeder niet had mogen verlijden en overigens toen überhaupt niet aan het werk als notaris had mogen zijn. (…)

In het najaar van 2004 overleed plotseling de partner van de notaris. Twee dagen later overleed de zuster van de notaris. De uitvaart van de partner en de zuster was daags achter elkaar. [A] concludeert dat de notaris als gevolg van de vele stressvolle gebeurtenissen een score behaalde destijds van 457 punten op de zogeheten ‘Life Event Scale’. Volgens psychiaters die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van deze schaal, is het risico op ziek worden hoog tot zeer hoog bij een score van boven de 300 punten.”

Anders dan de advocaat van [A] – ter zitting naar de professionele onderbouwing van dit standpunt gevraagd – acht de rechtbank dit standpunt van [A] volstrekte onzin en gaat er verder aan voorbij.

4.14.

Niet helemaal onbegrijpelijk is dat [A] achterdochtig is over de hele gang van zaken. En evenals het gerechtshof in de tuchtprocedure wil de rechtbank opmerken dat het voor [A] hard is dat hij is onterfd. Het is echter kennelijk de wil van zijn ouders geweest, zoals hiervoor overwogen. En zij hadden het recht om over hun eigen nalatenschap te beschikken. Dat kan de notaris niet worden verweten.

4.15.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de notaris worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- getuigenkosten 15,20

- salaris advocaat 904,00 (2 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.537,20

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 1.537,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en te vermeerderen met de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2017.1

1 type: LJS coll: AB