Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:8083

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
6169676 \ KG EXPL 17-90
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding blijft geldig, ook al zegt werknemer de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd op om aansluitend bij de concurrent in dienst te treden, Op grond van redelijkheid en billijkheid wordt het bedrag beperkt tot 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1239
AR 2017/5265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6169676 \ KG EXPL 17-90 (H.K.)

Uitspraakdatum: 3 oktober 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie / verweerder in reconventie

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand (mr. J.A. Noordam) te Leusden

tegen

de Coöperatie Coöperatieve Handelsvereniging [gedaagde] U.A.

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats]

gedaagde in conventie / eiseres in reconventie

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.R. Holterman, advocaat te Alkmaar.

1 Het procesverloop

in conventie en in reconventie

1.1.

[eiser] heeft [gedaagde] op 28 juli 2017 gedagvaard.

1.2.

[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld, die op 14 september is ontvangen.

1.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2017, waarbij [eiser] in persoon is verschenen en [gedaagde] bij haar directeur [directeur] ; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van [gedaagde] heeft een pleitnota overgelegd.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

[gedaagde] is een groothandel in sanitaire artikelen en sanitair installatiemateriaal en is gespecialiseerd in overige bouwmaterialen.

2.2.

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1986, is op 1 juni 2017 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van commercieel verkoper binnendienst voor 38 uur per week tegen een maandsalaris van € 2.800,-- bruto.

2.3.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is een proeftijd overeengekomen voor de duur van twee maanden.

2.4.

In de arbeidsovereenkomst is in art. 22 het volgende concurrentiebeding opgenomen.

“Het is de werknemer verboden binnen een tijdvak van 1 jaar na beëindiging van de

arbeidsovereenkomst zaken te doen met cliënten van werkgever, welke met de huidige

werkgever in concurrentie zou kunnen treden, ongeacht het geografisch gebied. Tevens is het

de werknemer verboden om binnen een tijdvak van 1 jaar na beëindiging van de dienstbetrekking alleen of met anderen een soortgelijk bedrijf als dat van werkgever uit te

oefenen of daaraan rechtstreeks of zijdelings deel te nemen of daarbij betrokken te zijn,

alsmede om in genoemde periode relaties van werkgever te benaderen of te doen benaderen

met het oogmerk om alleen of met anderen dan wel voor anderen zaken te doen op het gebeid waarop werkgever werkzaam is.

Onder relaties wordt in dit verband verstaan een iedere die op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking een zakelijke band heeft met werkgever.”

2.5.

In art. 23 van de arbeidsovereenkomst is het volgende boetebeding opgenomen.

“Indien de werknemer een van de verplichtingen genoemd in artikel 25 niet nakomt, heeft de werkgever recht op een direct opeisbare boete van € 2.500,00 per gebeurtenis en tevens € 1.000,00 voor elke dag dat de werknemer in overtreding is, onverminderd het recht van de werkgever om volledige vergoeding van de werkelijk geleden schade te vorderen. Onder de werkgever wordt mede verstaan alle aan haar gelieerde ondernemingen.”

2.6.

Bij e-mail van 27 juni 2017 heeft [eiser] de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd opgezegd. In de e-mail vermeldt [eiser] : “De reden van de beëindiging is het feit dat ik er in de proeftijd achter ben gekomen dat [gedaagde] U.A. niet bij mij past.”

2.7.

Bij e-mail van 29 juni 2017 heeft [gedaagde] aan [eiser] bericht dat het concurrentiebeding ook na opzegging tijdens de proeftijd blijft gelden, evenals het geheimhoudings- en boetebeding.

2.8.

Per 1 juli 2017 is [eiser] in dienst getreden bij Technische Unie, een groothandel in elektronische en telecommunicatieapparatuur en bijbehorende onderdelen, opslag in distributiecentra en overige opslag, groothandel in verwarmingsapparaten en vervaardiging van elektronische componenten. Het salaris dat [eiser] bij Technische Unie verdient ligt (iets) lager dan het salaris dat hij bij [gedaagde] verdiende.

[gedaagde] en Technische Unie zijn beide gevestigd te Alkmaar en liggen ongeveer 1 kilometer van elkaar verwijderd.

2.9.

Het loon van [eiser] bij [gedaagde] vanaf 29 mei tot en met 27 juni 2017 (22 dagen) inclusief vakantietoeslag en opgebouwde twee vakantiedagen bedraagt € 3.336,82 bruto. Hiervan is door [gedaagde] € 1.000,-- netto betaald.

3 De geschillen

in conventie en in reconventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat het de kantonrechter behage:

Primair:

a. de werking van het concurrentie/relatiebeding met onmiddellijke ingang te schorsen, althans een zodanige voorziening te geven als de kantonrechter geraden acht;

b. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van het loon ad € 3.336,82 bruto, min € 1.000,-- netto;

c. [gedaagde] te veroordelen in betaling van de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het onder sub b genoemde;

Subsidiair:

d. voor het geval het concurrentiebeding/relatiebeding niet geheel of gedeeltelijk wordt geschorst te bepalen dat [gedaagde] gehouden is aan [eiser] voor de duur van het concurrentie/relatiebeding maandelijks een vergoeding te voldoen van € 3.024,-- bruto (het overeengekomen loon inclusief vakantietoeslag), teneinde in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien;

e. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen een bedrag als salaris voor de gemachtigde van [eiser] .

3.2.

In reconventie vordert [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:

I. [eiser] verbiedt om werkzaamheden te verrichten voor Technische Unie of andere concurrenten van [gedaagde] op straffe van een dwangsom;

II. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

[eiser] heeft het volgende -zakelijk weergegeven- gesteld als grondslag van zijn vordering en als verweer tegen de reconventionele vordering.

[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd opgezegd, omdat hij vond dat [gedaagde] niet bij hem paste. Bovendien had hij een minder goede verstandhouding met een directe collega. [gedaagde] heeft geen belang om [eiser] aan het concurrentiebeding te houden. Hij is twee dagen ingewerkt en heeft maar enkele weken gewerkt. Hij heeft bij zijn nieuwe werkgever, Technische Unie, contact met andere klanten dan bij [gedaagde] . Ook is Technische Unie een geheel ander bedrijf dan [gedaagde] . Technische Unie houdt zich bezig met elektra en heeft duizenden klanten, terwijl [gedaagde] meer dienstverlenend is op het gebied van verwarming en sanitair. [eiser] heeft bij Technische Unie meer doorgroeimogelijkheden dan bij [gedaagde] . [eiser] beschikt niet over bedrijfsgevoelige en/of concurrentiegevoelige informatie waarmee hij [gedaagde] schade zou kunnen berokkenen.

Het belang van [eiser] om hem te ontheffen weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] om [eiser] aan het beding te houden. Ook botst het om een werknemer te houden aan een concurrentiebeding terwijl de arbeidsovereenkomst is opgezegd binnen de proeftijd. Bovendien is het concurrentiebeding niet geografisch beperkt. Het in art. 23 genoemde boetebeding verwijst naar een niet bestaand art. 25 van de arbeidsovereenkomst. Ook om die reden mag [eiser] niet aan het beding worden gehouden.

Gelet op het in conventie betoogde, dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.

3.4.

[gedaagde] heeft het volgende –zakelijk weergegeven- gesteld als verweer tegen de vordering in conventie en ter onderbouwing van de vordering in reconventie.

De vordering in conventie dient te worden afgewezen en [eiser] dient te worden gehouden aan het concurrentiebeding. Niet valt in te zien waarom dit niet geldig zou zijn bij opzegging van de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd.

De afgelopen jaren heeft [gedaagde] een behoorlijke groei doorgemaakt, met name op het gebied van elektra. Daarom zocht [gedaagde] een commercieel verkoper binnendienst, specialist elektra. Deze zijn moeilijk te vinden. [gedaagde] heeft Tempo Team ingeschakeld voor bemiddeling. Dit heeft [gedaagde] € 5.460,-- gekost. De eerste dagen van de arbeidsovereenkomst heeft de directeur van [gedaagde] zich intensief bemoeid met de begeleiding van [eiser] .

[eiser] is bij een directe concurrent van [gedaagde] in dienst getreden in dezelfde functie. Dit voelt voor [gedaagde] als een mes in de rug. [eiser] is op de hoogte van bedrijfsgevoelige informatie van [gedaagde] , ook met betrekking tot haar strategieën voor uitbreiding.

Door indiensttreding bij de concurrent handelt [eiser] in strijd met het concurrentiebeding en tevens is zijn handelen jegens [gedaagde] onrechtmatig. Hij berokkent [gedaagde] schade. Vandaar dat [gedaagde] belang heeft bij haar vordering in reconventie. Ook heeft [gedaagde] , in verband met deze schade, loon c.a. van [eiser] ingehouden.

3.5.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als een partij daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval, nu het concurrentiebeding op dit moment nog steeds van kracht is.

4.2.

Verder is voor toewijzing van de vordering in kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.3.

Nu in de kop van art. 22 van de arbeidsovereenkomst wordt gesproken over “concurrentiebeding” zal ook de kantonrechter deze term aanhouden in plaats van concurrentie-/relatiebeding.

in conventie
4.4. Art. 7:653 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek [BW] luidt:
Een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te
zijn, is slechts geldig indien:
a. de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan; en
b. de werkgever dit beding schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer.

4.5.

Vaststaat dat in deze zaak aan beide voorwaarden is voldaan, zodat sprake is van een geldig concurrentiebeding. Desalniettemin is [eiser] van mening dat hij hier niet aan gehouden kan worden, omdat de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd is opgezegd.
De kantonrechter verwerpt deze stelling. De omstandigheid dat een arbeidsovereenkomst, waarin een geldig concurrentiebeding is overeengekomen, tijdens de proeftijd wordt beëindigd, doet niet af aan die geldigheid. Immers, ook tijdens de proeftijd kan een werknemer bij zijn werkgever bedrijfsgevoelige kennis opdoen waardoor de belangen van die werkgever kunnen worden geschaad.
Daarbij komt dat het de eigen keus van [eiser] is geweest om tijdens de proeftijd ontslag te nemen bij [gedaagde] en direct aansluitend bij Technische Unie in dienst te treden. Bovendien staat vast dat [eiser] nog voor zijn indiensttreding bij Technische Unie door [gedaagde] is gewaarschuwd dat deze [eiser] aan het concurrentiebeding zal houden.

4.6.

[eiser] heeft aangevoerd dat het werk bij zijn nieuwe werkgever, Technische Unie, niet te vergelijken is met het werk dat hij bij [gedaagde] verrichtte.
Deze stelling wordt verworpen. Onbetwist is door [gedaagde] aangevoerd, dat [eiser] nu juist bij haar is aangenomen om zich op elektra toe te leggen. Bij Technische Unie houdt [eiser] zich hier ook mee bezig.

4.7.

Door [eiser] is voorts aangevoerd, dat het onredelijk is om hem aan het concurrentiebeding te houden, omdat hij bij zijn nieuwe werkgever, Technische Unie, betere ontplooiings-mogelijkheden heeft.
De kantonrechter overweegt in dit verband, dat [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd, dat de overstap naar Technische Unie voor hem van een dusdanig groot belang was dat hij om die reden niet aan het beding mag worden gehouden. Dat de doorgroeimogelijkheden bij Technische Unie voor hem zoveel beter zijn als bij [gedaagde] , is niet aannemelijk geworden, te meer daar [gedaagde] onbetwist heeft aangevoerd dat [eiser] ook bij haar voldoende doorgroeimogelijkheden had.
Dat er geen klik was met zijn directe medewerker en dat dat een zwaarwegende reden voor [eiser] was om bij [gedaagde] te vertrekken, is onvoldoende geconcretiseerd, ook al omdat [eiser] bij [gedaagde] in de binnendienst werkzaam was en de collega in de buitendienst. Het frequente contact dat zij hadden was daarom van tijdelijke aard.
Ook heeft [eiser] aangevoerd, dat [gedaagde] een relatief klein bedrijf is en dat hij zich in een grotere organisatie als Technische Unie meer op zijn gemak voelt. Dit is echter een omstandigheid die van te voren bekend was bij [eiser] .
Voornoemde omstandigheden kunnen daarom niet aan de geldigheid van het concurrentiebeding afdoen.

4.8.

Aan de andere kant dient als uitgangspunt te gelden dat het grondrecht van een werknemer op vrije arbeidskeuze slechts op goede gronden ingeperkt mag worden.
In dit geval is sprake van een zeer kort dienstverband van [eiser] bij [gedaagde] . Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is ingevolge art 7:653 lid 2 BW een concurrentiebeding slechts toegestaan indien uit de bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. De ratio daarachter is dat bij (relatief) korte dienstverbanden een concurrentiebeding voor een werknemer zwaarder drukt, dus de belangen van de werkgever moeten ook zwaarwegender zijn wil het een dergelijk beding rechtvaardigen. Ook kan aan [eiser] worden toegegeven dat [gedaagde] bekend was met het feit dat het [eiser] tijdens de proeftijd was toegestaan om op ieder moment de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [gedaagde] had er daarom dus mee bekend kunnen dat zij met het vroegtijdig delen van bedrijfsgevoelige informatie een zeker risico nam, waarbij de kantonrechter er voorshands vanuit gaat dat inderdaad, zoals [gedaagde] gemotiveerd stelt, bedrijfsgevoelige informatie met [eiser] is gedeeld, waaronder informatie over groeimogelijkheden, strategie, producten en klanten.

4.9.

Gelet op al het vorenoverwogene en rekening houdend met de vermoedelijke beslissing in de bodemzaak is de kantonrechter van oordeel, dat op grond van redelijkheid en billijkheid [eiser] gedurende een periode van drie maanden, gerekend vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst bij [gedaagde] , zal worden gehouden aan het concurrentiebeding. Nu de arbeidsovereenkomst op 27 juni 2017 is geëindigd, betekent dit dat [eiser] met ingang van 28 september 2017 niet langer aan het beding zal worden gehouden, zodat de verzochte schorsing met onmiddellijke ingang toewijsbaar is.

4.10.

Niet betwist is dat [eiser] in de periode dat hij bij [gedaagde] heeft gewerkt, van 29 mei tot en met 27 juni 2017, recht heeft op een bedrag van € 3.336,82 bruto wegens loon, vakantietoeslag en 2 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. Op dit bedrag is door [gedaagde] € 1.000,-- netto in mindering betaald; de rest is onbetaald gelaten.

De resterende vordering is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter toewijsbaar, enerzijds omdat de verschuldigdheid niet is betwist en anderzijds het verrekeningsverweer van [gedaagde] dient te worden gepasseerd, nu de gegrondheid niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. De kantonrechter acht termen aanwezig om de gevorderde wettelijke verhoging toe te wijzen tot een maximum van 25%. Tevens is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar.

in reconventie

4.11.

Nu in conventie wordt besloten dat het concurrentiebeding met onmiddellijke ingang wordt geschorst, dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.

in conventie en reconventie

4.12.

Gelet op de uitslag van de procedure zijn er termen aanwezig de proceskosten tussen compenseren als na te melden.

4.13.

Gelet op het vorenoverwogene, behoeven de overige stellingen van partijen geen verdere beoordeling.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

schorst de werking van het concurrentiebeding met onmiddellijke ingang;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het aan hem toekomende loon, inclusief vakantieslag en 2 niet opgenomen vakantiedagen ad € 3.336,82 bruto, minus € 1.000,-- netto,
en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging hierover tot een maximum van 25%, het geheel te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag der voldoening;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie
5.4. wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie
5.5. compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J.A.J. Kreijger, griffier.

De griffier De kantonrechter