Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7956

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
16/5394
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of het aanleggen van de voetgangersbrug is strijd is met artikel 16, vierde lid, van de planregels van het bestemmingsplan “Recreatieve Markten Beverwijkse Bazaar en Omgeving”. Aanlegwerkzaamheden zijn ingevolge die bepaling slechts toelaatbaar indien de belangen van de leidingen zich daartegen niet verzetten. De rechtbank is van oordeel dat onder belangen van de leidingen dient te worden verstaan het ongestoord en veilig functioneren van de hoogspanningsverbindingen. Omstandigheden die het ongestoord en veilig functioneren raken betreffen daarmee het belang van de leidingen en kunnen door verweerder bij de beoordeling betrokken worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van de situatie dat de belangen van de leidingen zich niet verzetten tegen het aanleggen van de brug. Van strijd met het bestemmingsplan is dus sprake. Omdat verweerder de in artikel 2.12, van de Wabo, genoemde toepassingsmogelijkheden nog niet allemaal kenbaar heeft onderzocht, was hij (vooralsnog) niet bevoegd tot weigering van de omgevingsvergunning over te gaan op grond van het bepaalde in artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo, in samenhang bezien met artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo, genomen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.11, geldigheid: 2012-03-23
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12, geldigheid: 2014-11-01
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2002-04-01
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5394

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2017 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beverwijkse Bazaar B.V., te Beverwijk, eiseres,

(gemachtigde: mr. L.J. Wildeboer)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Tonino).

Als derde-belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen:

de naamloze vennootschap Liander N.V., te Arnhem, de leidingbeheerder,

(gemachtigde: mr. L.R.M.P. Muijtjens) en

de besloten vennootschap TenneT TSO B.V., te Arnhem, de netbeheerder.

(gemachtigde: M. Crommelin).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om omgevingsvergunning van eiseres voor het plaatsen van een voetgangersbrug (de brug) aan de Ringvaartweg ter hoogte van hal 28/30 van de Beverwijkse Bazaar te Beverwijk geweigerd.

Bij besluit van 6 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam 1] en
mr. [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-belanghebbenden zijn niet verschenen.

Overwegingen

1. Op 14 januari 2016 heeft eiseres een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de activiteiten bouwen en aanleggen van de brug. Verweerder heeft deze activiteiten aangemerkt als onlosmakelijk met elkaar verbonden. Eiseres heeft de brug reeds gerealiseerd.

2. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de activiteit bouwen niet, maar de activiteit aanleggen wel in strijd is met artikel 16, vierde lid, onder c, van het geldende bestemmingsplan “Recreatieve Markten Beverwijkse Bazaar en omgeving” (het bestemmingsplan). De belangen van de leidingen verzetten zich tegen verlening van de aanlegvergunning. Omdat sprake is van onlosmakelijke activiteiten, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de realisatie van de brug op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), geweigerd. Verweerder heeft, aan de hand van verkregen advies en informatie van de leidingbeheerder, aan zijn standpunt dat de belangen van de leidingen zich verzetten vier “pijlers” ten grondslag gelegd. De eerste pijler betreft de veiligheidsrisico’s en waarborgen van de elektriciteitsvoorziening. De tweede pijler betreft de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de hoogspannings-verbindingen. De derde pijler betreft het beheer en onderhoud van de brug. De vierde pijler betreft de evident privaatrechtelijke belemmering.

3.1.

Uit het dossier blijkt dat de brug is gesitueerd is op gronden in bezit bij verweerder en de leidingbeheerder en dat verweerder noch de leidingbeheerder toestemming hebben gegeven de brug te realiseren. De rechtbank ziet zich, gelet op de ambtshalve te beoordelen ontvankelijkheid van het bezwaar, daarom voor de vraag gesteld of eiseres een belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en daarmee of de aanvraag van eiseres een aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

3.2.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:5, is de aanvrager om omgevingsvergunning belanghebbende bij een besluit op die aanvraag, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat het project nimmer kan worden verwezenlijkt. Derhalve is eiseres belanghebbende bij de gevraagde omgevingsvergunning en is daarom, zoals verweerder in de besluitvorming terecht tot uitgangspunt heeft genomen, sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

4.1.

Eiseres betoogt dat de aanleg van de brug niet in strijd is met artikel 16, vierde lid, onder c, van het bestemmingsplan. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de belangen van de leidingen zich verzetten tegen de aanleg van de brug. Eiseres betwist de vier pijlers die verweerder aan de weigering ten grondslag legt en stelt daartoe het volgende. Het in de primaire fase uitgebrachte advies van de leidingbeheerder gaat niet in op de veiligheidsrisico’s van de aanwezigheid van de brug voor de kabels van de leidingbeheerder. De motivering dat veiligheidsrisico’s zijn ontstaan is enkel gebaseerd op veronderstellingen. Er hebben zich geen storingen voorgedaan, zodat moet worden aangenomen dat zich geen veiligheidsrisico’s hebben geopenbaard die tot weigering van de gevraagde aanlegvergunning zouden kunnen leiden. Ook de leidingbeheerder heeft erkend dat geen sprake is van acuut gevaar. De risico’s zijn veel te groot geschat.
Het enkele feit dat leidingen in de veiligheidszone op grond van het bestemmingsplan aanwezig zijn en (enige) invloed hebben op het beheer van het kabelnetwerk kan voorts niet bepalend zijn voor de vraag of de belangen van de leidingen zich verzetten, omdat dit er in de interpretatie van verweerder toe zou leiden dat in geen enkel geval een (bouw)werk in de bewuste zone rond de kabelverbinding van de leidingbeheerder aangelegd zou kunnen worden. De motivering is dus niet afdoende voor de conclusie dat het onderhoud van de leidingen zodanig bemoeilijkt wordt dat het aan vergunningverlening in de weg staat.

Eiseres betoogt voorts dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft opgenomen dat bij onderhoud van de brug rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van kabels, omdat die kabels dan opnieuw aan veiligheidsrisico’s zouden worden blootgesteld. Dit zijn namelijk geen huidige belangen van de aanwezige kabelverbindingen, maar toekomstige belangen die moeten worden beoordeeld bij de aanlevergunning die benodigd is voor het onderhoud.

Eiseres betoogt verder dat ten onrechte privaatrechtelijke belemmeringen zijn betrokken bij de weigering van de omgevingsvergunning. Een evident privaatrechtelijke belemmering kan alleen aan verlening van een omgevingsvergunning in de weg staan voor planologisch strijdig gebruik, waarvan geen sprake is. De mogelijke evident privaatrechtelijke belemmering kan op grond van artikel 16 van de planregels geen grond voor weigering opleveren.

Eiseres geeft tenslotte aan dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat verweerder bij de weigering ten nadele van eiseres mede betrokken heeft het feit dat eiseres de brug reeds heeft gerealiseerd. In de besluitvorming en in het verweerschrift komt dit meermalen terug.

4.2.

Verweerder onderbouwt zijn standpunt dat de belangen van de leidingen zich verzetten tegen verlening van de aanlegvergunning, en daarmee tegen verlening van een omgevingsvergunning voor het project, in het bestreden besluit aan de hand van genoemde vier pijlers. Aan de pijlers is de volgende motivering ten grondslag gelegd.
Pijler 1: Veiligheidsrisico’s en waarborgen elektriciteitsvoorziening.

Er zijn veiligheidsrisico’s ontstaan bij het plaatsen van de brug en er zijn eventuele veiligheidsrisico’s bij het in stand laten van de brug. Er is een gevaarlijke situatie gecreëerd door in de directe nabijheid van de aanwezige kabelverbindingen, en binnen de bestemming ‘Ondergrondse hoogspanningsverbinding 150 Kv’, de palen van de brug middels heiwerkzaamheden aan te brengen. Verweerder is, anders dan door eiseres gesteld, niet van mening dat geen schade is ontstaan aan de leidingen. Of daadwerkelijk schade is ontstaan, moet nog worden uitgezocht. Het is mogelijk dat de kabelverbindingen, dan wel componenten daarvan, zoals een kabelmantel, beschadigd zijn geraakt of nog beschadigd raken. Dit zal moeten blijken uit periodieke inspecties. Vast staat dat de leidingen niet direct als gevolg van het plaatsen van de brug in storing zijn gegaan, het is echter niet uitgesloten dat door het plaatsen van de brug een sluimerende storing is veroorzaakt die op een later tijdstip tot uiting zal komen. De gevolgen die een storing kan hebben, kunnen aanzienlijk zijn. Het verzorgingsgebied Velsen, omvattend de regio Velsen, IJmuiden, Beverwijk en Uitgeest, waaronder Tata Steel, kan spanningsloos raken met alle aanzienlijke kosten en schade van dien. Daarom wordt in de nabijheid van dergelijke kabels een veiligheidszone aangehouden en worden speciale eisen gesteld na een Klic-melding. Die veiligheidszone is door eiseres niet in acht genomen en ook is geen Klic-melding gedaan. Als kabels beschadigd geraken, bestaat voorts het risico op olielekkage. Hierdoor ontstaat milieuschade met aanzienlijk hoge kosten tot gevolg.
Pijler 2: Bereikbaarheid en toegankelijkheid hoogspanningsverbinding. Door de brug en het fundament wordt de toegang tot de hoogspanningsverbindingen bemoeilijkt, waardoor het onderhoud, herstel of vervanging van de hoogspanningsverbindingen wordt bemoeilijkt.
Door de belemmerde toegankelijkheid van de hoogspanningskabelverbindingen wordt voorts het beheer van het net bemoeilijkt. Daardoor kan mogelijk niet worden voldaan aan de termijnen voor herstel die in de Netcode elektriciteit zijn opgenomen. De kosten voor herstel en vertraging kan in de miljoenen lopen. Eveneens dient een minimaal vrij beschikbare veilige afstand gehanteerd te worden, gerekend vanaf de buitenste kabel bij een standaard liggingssituatie, in het geval van eventuele storingen en/of onderhoud van de kabelverbindingen. Los daarvan kan de netbeheerder het tracé ter plaatse van de burg niet (meer) wijzigen. Voorts vormt de brug een belemmering voor de eventuele aanleg van nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbindingen.

Pijler 3: Beheer en onderhoud voetgangersbrug.

De hoogspanningsverbindingen belemmeren voorts het onderhoud van de brug. Indien in de toekomst onderhoud nodig mocht zijn aan de brug, het fundament of de nabije omgeving van de brug, zullen de hoogspanningsverbindingen opnieuw aan veiligheidsrisico’s blootgesteld worden. Dit is zeer onwenselijk.

Pijler 4: Evident privaatrechtelijke belemmering.

Indien van een bestemmingsplan wordt afgeweken, moet een belangenafweging gemaakt worden. Verweerder en de leidingbeheerder zijn eigenaren van de gronden waarop de brug staat en zij stemmen niet in met de plaatsing van de brug. Hierdoor is sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering, op grond waarvan de omgevingsvergunning zou moeten worden geweigerd.

4.3.

Verweerder heeft in het verweerschrift nog het volgende toegelicht. Ten aanzien van 150 Kv verbinding geldt dat een belemmerde strook wordt gehanteerd van drie meter aan beide zijden, binnen welke strook niet zonder meer (bouw)activiteiten mogen worden verricht. Dit komt tot uitdrukking in artikel 16, eerste lid, van de planregels van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dan ook allereerst of buiten die strook kan worden gebouwd. Indien dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar maatwerk. Te denken valt aan bijvoorbeeld het treffen van de noodzakelijke en in afstemming met de netwerkbeheerder te nemen veiligheidsmaatregelen of het beschermen van de kabels tegen heien door middel van bekisting of het voorschrijven van een andere methode van het aanbrengen van heipalen (niet slaan maar schroeven). Eiseres heeft binnen een afstand van 1,5 (l) meter palen van 7 meter lengte heeft geheid zonder het treffen van enige veiligheidsmaatregelen. Uit de bij het verweerschrift gevoegde tekening (bijlage 4), die een weergave bevat van de huidige situatie op grond van alle beschikbare informatie, blijkt dat het uiterste landingspunt van de brug zich op 75 centimeter van de leiding bevindt en de heipalen voor de fundering op land op 1,42 meter. Dit is slechts een geschatte weergave. De exacte ligging is uitsluitend vast te stellen door het graven van proefsleuven.
De zeer beperkte afstand van de brug tot de kabels is reeds voldoende om daaruit een bemoeilijkte bereikbaarheid van de kabelverbinding te constateren. De ter plaatse aanwezige kabelverbinding betreft een complexe 9-delige kabelverbinding waaraan slechts met behulp van groot materieel zal kunnen worden gewerkt. Dat ruimte nodig is om te manoeuvreren behoeft weinig uitleg. Verder is relevant voor de voorliggende vergunningsaanvraag dat in de toekomst onderhoud zal moeten worden gepleegd aan de brug en dat dit onderhoud bemoeilijkt kan worden door de ter plaatse aanwezige kabelverbindingen en dat dit veiligheidsrisico’s met zich meebrengt.

4.4.

Ter zitting heeft verweerder voorts nog toegelicht dat de in de motivering betrokken evident privaatrechtelijk belemmering gezien moet worden in het licht van de belangen van de leidingen en dus terecht betrokken is. Als de eigenaar / beheerder van de leidingen geen toestemming geeft, is het belang van de leiding immers in het geding.

5.1

In geschil is of de aanleg van de brug in strijd is met artikel 16, vierde lid, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan.

5.2

In artikel 16, tweede lid, van de planregels, is neergelegd dat bij de ontwikkeling van de binnen de bestemming ‘Ondergrondse hoogspanningsverbinding 150 Kv vallende gronden, waarvan in het voorliggende geval sprake is, de volgende uitgangspunten in acht worden genomen:

a. (…)
b. ter bescherming van de (ondergrondse) leidingen is bouwen slechts toegestaan

voor zover de belangen van de leidingen zulks gedogen;

c. bescherming van de leidingen geschiedt mede door het in lid 4 opgenomen

aanlegvergunningenstelsel;

d. om te komen tot een goede coördinatie wordt alvorens een bouwvergunning of

een aanlegvergunning wordt verleend advies ingewonnen bij de beheerder van

de betreffende leiding.

In artikel 16, vierde lid, van de planregels, staat, voor zover van belang:

a. het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de navolgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

1. (…)

2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen;

(…)

5. het aanleggen van wegen, paden en parkeergelegenheden dan wel het aanbrengen

van oppervlakteverhardingen;

(…)

c. het bepaalde in lid a is slechts toelaatbaar, indien de belangen van de leidingen zich

hiertegen niet verzetten.

d. alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid a wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk advies ingewonnen bij de leidingbeheerder(s).

5.3

Uit het voorgaande volgt dat beoordeeld dient te worden of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van de situatie dat de belangen van de leidingen zich niet tegen de aanleg van de brug verzetten.

5.4.1.

De rechtbank is van oordeel dat onder belangen van de leidingen dient te worden verstaan het ongestoord en veilig functioneren van de hoogspanningsverbindingen. Omstandigheden die het ongestoord en veilig functioneren raken betreffen daarmee het belang van de leidingen en kunnen door verweerder bij de beoordeling betrokken worden. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder genoemde veiligheidsrisico’s bij de plaatsing en de omstandigheid dat nog niet vaststaat dat door de aanleg van de brug geen schade en/of sluimerende storing aan de leidingen is veroorzaakt die gevolgen heeft voor de energievoorziening in de omgeving de belangen van de leidingen betreffen die bij de beoordeling betrokken kunnen worden. De door verweerder genoemde omstandigheid dat de fundering en de brug op zo’n korte afstand van de hoogspanningsverbindingen het onderhoud, herstel of vervanging van de hoogspanningsverbindingen bemoeilijkt is evengoed een belang van de leidingen, omdat dat het veilig functioneren van de hoogspanningsverbindingen kan belemmeren of vertragen. Ook verweerders standpunt dat met eventueel onderhoud aan de brug de belangen van de leidingen in het geding zijn, omdat bij onderhoudswerkzaamheden de hoogspanningsverbindingen op korte afstand van de fundering en de brug liggende hoogspanningsverbindingen opnieuw aan risico’s zullen worden blootgesteld, kan de rechtbank volgen. Dat voor onderhoudswerkzaamheden mogelijk een nieuwe aanlegvergunning benodigd is, maakt niet dat het risico van onderhoud van de brug voor de hoogspanningsverbindingen thans geen rol kan spelen. Het risico komt immers voort uit de voorliggende aanvraag. Dat de opgevoerde privaatrechtelijke belemmering dat de leidingbeheerder geen toestemming heeft verleend betrekking heeft op het belang van de leidingen, kan de rechtbank niet volgen. Het al dan niet verlenen van toestemming heeft naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen betrekking op het ongestoord functioneren van de hoogspanningsverbindingen.

Uit het voorgaande volgt dat de verweerder, anders dan door eiseres gesteld, ook de (veiligheids)risico’s bij het in stand laten van de brug en de fundering betrokken heeft bij zijn beoordeling.

5.4.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich met vorenstaande motivering op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van de situatie dat de belangen van de leidingen zich niet verzetten tegen het aanleggen van de brug. Dat zich thans nog geen veiligheidsrisico heeft verwezenlijkt is onvoldoende voor een andere conclusie. Hetzelfde geldt voor de stelling dat het belang van de leidingen dan per definitie in de weg zal staan aan door het bestemmingsplan toegestane aanlegwerkzaam-heden binnen de veiligheidszone. Zoals verweerder heeft toegelicht, kan maatwerk ertoe leiden dat belangen van de leidingen zich niet tegen aanlegwerkzaamheden verzetten.
Dat verweerder in het nadeel van eiseres bij de in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging betrokken zou hebben dat de brug gerealiseerd is zonder omgevingsvergunning, blijkt voorts niet uit de gebezigde motivering.

De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd heeft dat de belangen van de leidingen zich verzetten tegen het aanleggen van de brug slaagt derhalve niet. Dat betekent dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het aanleggen van de brug in strijd is met artikel 16, vierde lid, van de planregels van het bestemmingsplan.

6.1.

De rechtbank overweegt verder ambtshalve als volgt. Nu het project in strijd is met het bestemmingsplan diende de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, gelet op het bepaalde in artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo, van rechtswege mede te worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

6.2.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, kan een omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

6.3.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de aanvraag van eiseres om omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen mede heeft aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken. Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat verweerder alvorens de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren heeft onderzocht of in dit geval toepassing kan worden gegeven aan onderdeel 1°, 2° of 3° van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

6.4.

De rechtbank is van oordeel dat geen toepassing kan worden gegeven aan onderdeel 1° van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid), omdat de planregels niet voorzien in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om de aanleg van de brug te kunnen realiseren. Verweerder heeft verder niet beoordeeld of toepassing kan worden gegeven aan onderdeel 2° of onderdeel 3°.

6.5.

Nu verweerder de in artikel 2.12, van de Wabo, genoemde toepassingsmogelijkheden nog niet allemaal kenbaar heeft onderzocht, was hij (vooralsnog) niet bevoegd tot weigering van de omgevingsvergunning over te gaan op grond van het bepaalde in artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo, in samenhang bezien met artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo, genomen. Gelet op het navolgende, bestaat geen aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen dit aan het bestreden besluit klevende gebrek te herstellen met toepassing van op grond van artikel 8:51a van de Awb.

7.1.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en artikel 2.11 van de Wabo. Verweerder zal alsnog dienen te beoordelen of vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo mogelijk is. Verweerder zal daartoe allereerst dienen te beoordelen of het project tot een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (de kruimelgevallenlijst) behoort (onderdeel 2°). Is dat het geval, dan zal verweerder, indien hij de vergunning wenst te weigeren, dienen te motiveren waarom hij niet bereid is vergunning te verlenen. Behoort het project niet tot een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen dan zal verweerder dienen te beoordelen of met toepassing van onderdeel 3° van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, vergunningverlening mogelijk is. Verweerder zal zich er daarbij alvorens tot vergunningverlening dan wel weigering over te gaan, gelet op de uitspraak van de Afdeling 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921, wel van dienen te vergewissen of een (weigering van een) verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van de gemeente Beverwijk is vereist. Verweerder zal diens beslissing, indien vergunning op grond van onderdeel 3° wordt verleend dan wel geweigerd, bovendien, gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, dienen voor te bereiden op grond van de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

7.2.

Verweerder zal, in het geval sprake is van een kruimelgeval (onderdeel 2° van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo) een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres dienen te nemen, waarbij hij de weigering van de vergunning handhaaft dan wel de vergunning alsnog verleent. In het geval sprake is van een situatie als bedoeld in onderdeel 3° van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, zal verweerder na herroeping van het primaire besluit met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van eiseres. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:640.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. Gelet op het vorenstaande veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 7 is overwogen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.