Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7904

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
C/15/263219 / FA RK 17-4917
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk verzoek van de ouders om de vader eenhoofdig met het gezag over de minderjarige te belasten.

Verzoek om de zaak zonder zitting af te doen afgewezen, omdat een dergelijke beslissing niet ter vrije bepaling van partijen staat.

Partijen zijn gehouden op grond van artikel 1:247a van het BW een ouderschapsplan op te stellen.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen het verzoek ten aanzien van de wijziging van het gezag ingetrokken en hun verzoek gewijzigd.

Het ouderschapsplan wordt aan de beschikking gehecht en maakt deel uit van deze beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

gezag

zaak-/rekestnr.: C/15/263219 / FA RK 17-4917

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 27 september 2017

in de zaak van:

[de ouders]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat mr. F.S.C. Thijsse, kantoorhoudende te Den Helder,

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de ouders, ingekomen op 18 augustus 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 augustus 2017 in aanwezigheid van de ouders bijgestaan door mr. F.S.C. Thijsse. Van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is als informant verschenen [informant] . De behandeling van de zaak is aangehouden voor twee weken, teneinde de ouders in de gelegenheid te stellen een ouderschapsplan op te stellen en hun verzoek te wijzigen.

1.3

Op 31 augustus 2017 hebben partijen een gewijzigd verzoek ingediend en een ouderschapsplan overgelegd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen hebben tot medio 2010 een affectieve relatie gehad.

2.2

Uit deze relatie is op [geboortedatum] in [plaats] geboren de minderjarige [minderjarige] (hierna mede te noemen: [minderjarige] )

De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] . De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de vader.

3 Verzoek partijen en de zitting

3.1

De ouders hebben in eerste instantie verzocht het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader voortaan met het eenhoofdig gezag te belasten.

3.2

De ouders hebben aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de moeder binnenkort naar Brazilië zal verhuizen om daar permanent te gaan wonen. Omdat de ouders nog gezamenlijk met het gezag zijn belast, voorzien zij ondanks de huidige communicatiemiddelen en gezien de grote onderlinge afstand na het vertrek van moeder, praktische problemen in die gevallen waarin in het belang van [minderjarige] beslissingen moeten worden genomen. Te denken valt aan het aanvragen van een paspoort, de toestemming voor het maken van buitenlandse reizen, de inschrijving op school en toestemming voor medische en/ of therapeutische behandelingen. Om deze praktische problemen te voorkomen menen de ouders dat het beter is wanneer de vader met het gezag wordt belast.

4 Beoordeling

4.1

Partijen hebben verzocht de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat een dergelijke beslissing niet ter vrije bepaling van partijen staat.

4.2

De rechter heeft partijen er ter zitting allereerst op gewezen dat uitgangspunt van de wetgever is dat het gezamenlijk ouderlijk gezag na het uiteengaan van de ouders doorloopt en dat op grond van de wet de rechter kan bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt indien er of een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare termijn voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is (artikelen 1:253n lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 1:1251a lid 1 BW).

4.3

De rechter heeft partijen ter zitting vervolgens voorgehouden dat nu sprake is van gezamenlijk gezag en de relatie is beëindigd, partijen op grond van artikel 1:247a BW bovendien gehouden zijn een ouderschapsplan op te stellen. Zeker nu partijen hebben aangegeven goed contact te hebben en te houden en de vrouw op een plek gaat wonen waar de gebruikelijke communicatiemiddelen aanwezig zijn, is dit een veel betere – en minder vergaande - oplossing dan het aanvragen van éénhoofdig gezag. In een ouderschapsplan kunnen partijen immers afspraken maken hoe te handelen bij afwezigheid van de vrouw.

Het gezamenlijk gezag blijft op die manier in stand, hetgeen ook in het belang is van [minderjarige] . Niet alleen vanuit juridisch, maar ook vanuit psychologisch oogpunt.

4.4

De Raad heeft ter zitting aangegeven een wijziging van het gezag een heel ingrijpende maatregel te vinden. Ook uit emotioneel oogpunt voor [minderjarige] is het beter wanneer de moeder betrokken blijft, ondanks dat de afstand groter wordt door de verhuizing van de moeder naar Brazilië.

4.5

De ouders hebben na de mondelinge behandeling hun verzoek om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader voortaan met het eenhoofdig gezag te belasten ingetrokken en hun verzoek gewijzigd in die zin dat thans wordt verzocht het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en te bepalen dat de afspraken zoals opgenomen in het ouderschapsplan deel zullen uitmaken van de beschikking.

4.6

Gezien het vorenstaande zal de rechtbank overeenkomstig het gewijzigde verzoek van de ouders beslissen nu dit in het belang van [minderjarige] kan worden geacht. De rechtbank zal het ouderschapsplan aanhechten en bepalen dat het deel uitmaakt van deze beschikking.

5 Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het door partijen opgestelde en op 30 augustus 2016 ondertekende aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.I. Vleeming-Wever als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.