Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7889

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
872270-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 56 jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en tbs met dwangverpleging, omdat hij op 11 december 2016 een cafébaas door diverse messteken heeft gedood. Er werd een aanzienlijk hogere straf opgelegd dan door de officier van justitie was geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/872270-16

Uitspraakdatum: 26 september 2017

Tegenspraak ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 september 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats slachtoffer] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Scheveningen .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. van Bree en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.M. Buitenhuis, advocaat te Nieuw-Vennep, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 december 2016 te Ijmuiden (gemeente Velsen), althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door hem met dat opzet eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de zij en/of de nek en/of de hals, in elk geval in het (boven)lichaam te steken ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3Inleiding

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 december 2016, opgenomen in het zaaksdossier, dossierpagina 19 tot en met 23:

(…) Op zondag 11 december 2016, omstreeks 11.12 uur bevonden wij ons, verbalisanten, aan het bureau van politie te Velsen. (…)

Op dag, datum en tijdstip voornoemd kregen wij de opdracht te gaan naar de [plaats] . Aldaar zou volgens melder genaamd [benadeelde 1] , iemand in de woning liggen welke diverse malen zou zijn gestoken en onder het bloed zou zitten.

De mogelijke verdachte zou [verdachte] betreffen en zou bij een eerdere melding in verwarde toestand via het dak aan de achterzijde zijn weggevlucht. (…)

De toegangsdeur [de achterdeur van perceel 172] heb ik geopend. (…) Wij zagen dat een man op de grond lag tegen een metalen kast aan. Deze man bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] en geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , nader te noemen [slachtoffer] .(…)

Wij zagen dat [slachtoffer] aan de onderzijde van zijn neus, op het midden van zijn borst en aan de rechterzijde van zijn lies een flinke hoeveelheid gestold bloed lag. (…)

Hierop heeft het ambulance personeel het pand betreden en hebben zij zich ontfermd over het slachtoffer. De verpleegkundige verklaarde te 11.32 uur dat [slachtoffer] geen ademhaling en pols meer had en hij meer dan vermoedelijk reeds was overleden. (…)

Het proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1] d.d. 11 december 2016, opgenomen in het zaaksdossier, dossierpagina 109 tot en met 111.

Ik verhuur sinds november 2015 een studio in mijn bedrijfspand aan [verdachte] . De laatste tijd ondervinden wij problemen met [verdachte] en vandaag ben ik er met mijn schoonzoon [slachtoffer] naar toe gegaan. [verdachte] was helemaal gek en heeft [slachtoffer] doodgestoken voor mijn ogen. Ik heb [verdachte] nog geslagen maar hij viel niet te stoppen. (…) Omstreeks 10.45 uur ging ik samen met [slachtoffer] naar het pand. (…) Via de nooduitgang zijn we aan de achterzijde naar binnen gegaan. (…) Wij wilden nog wat spullen pakken en toen kwam [verdachte] naar beneden gelopen. (…) Ik zag dat [verdachte] in zijn linkerhand een metaalkleurige koevoet had. (…) Toen zag ik dat [verdachte] op [slachtoffer] af dook. (…) Ik zag dat [slachtoffer] de koevoet vastpakte en [verdachte] vastpakte. (…) Ik hoorde [verdachte] toen zeggen: “Ik heb ook nog een mes”. Ik zag toen dat [verdachte] een mes vast had in zijn rechterhand. Het snijvlak was ongeveer 20 cm lang. Ik zag dat [verdachte] met het mes op [slachtoffer] in stak. Ik zag dat [verdachte] stak in de rug van [slachtoffer] . (…) Ik zag dat [verdachte] hakkende bewegingen maakte met het mes op het lichaam van [slachtoffer] . (…) Ik zag toen dat [verdachte] [slachtoffer] in zijn hals en borst stak. (…)

Een schriftelijk stuk, te weten een voorlopig sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 13 december 2016, opgenomen in het dossier forensische opsporing, dossierpagina 204 tot en met 207:

Letsel A: naast de naast de rechtermondhoek was een scherprandige huidperforatie van circa 2,5 cm met zijwaarts een krasvormige uitloper van circa 2 cm. Deze was in relatie met de mondholte. (…)

Letsel B: Vier cm onder het linker oor aan de voorzijde van het gelaat was een scherprandige huidperforatie van circa 2 cm met kruinwaarts een puntig uiteinde en voetwaarts mogelijk een stomp uiteinde. (…)

Letsel F: Hoog aan de borstkas links, zijwaarts was een scherprandige huidperforatie van circa 1,5 cm, waarbij het kruinwaartse uiteinde een puntig aspect had en het voetwaarts gelegen uiteinde een stomp aspect had.

Letsel H: Aan de nek rechts was een scherprandige huidperforatie van circa 2 cm en 1 cm.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , 52 jaren oud geworden, wordt het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen van meervoudig uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld (steekverwondingen). (…)

Het proces-verbaal onderzoek stuk van overtuiging d.d. 13 januari 2017, opgenomen in het dossier forensische opsporing, dossierpagina 161 tot en met 163:

(…)

Op zaterdag 24 december 2016 te 09:30 uur, is door mij forensisch onderzoek verricht aan diverse kledingstukken afkomstig van [verdachte] (geboren [geboortedatum 1] te [geboorteplaats slachtoffer] ). (…)

De volgende sporen/ stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/ of nader onderzoek veiliggesteld:

(…)

SIN : AAGM5612NL

Object: : Mes

(…)

Bijzonderheden : 1x mes (aangetroffen bij de verdachte)

Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het NFI d.d. 21 maart 2017, opgenomen in het dossier forensische opsporing, dossierpagina 270 tot en met 274:

Onderzoek naar biologische sporen

Mes AAGM5612NL (…)

Op het mes zijn enkele bloedsporen aangetroffen. Vier bloedsporen zijn bemonsterd. Deze bemonsteringen zijn als AAGM5612NL#01, #03, #04 en #05 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. (…)

Het heft van het mes is bemonsterd gericht op het verzamelen van diegene(n) die het mes heeft/ hebben gehanteerd. (…) Ondanks deze bemonsteringsstrategie is in deze bemonstering bloed aangetroffen. De bemonstering is AAGM5612NL#06 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN Beschrijving DNA-profiel/ Matchkans

Celmateriaal kan afkomstig zijn van DNA-profiel (…)

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Mes

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

AAGM5612NL#01 DNA-profiel van een man kleiner dan 1 op 1

AAGM5612NL#06 [slachtoffer] miljard

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 december 2016 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door hem met dat opzet meermalen met een mes, in de rug en de zij en de nek en de hals te steken ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

- doodslag

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweerexces

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van (extensief) noodweerexces. Volgens de raadsvrouw wilde de verhuurder, [benadeelde 1] , al enige tijd dat verdachte uit het pand zou vertrekken waardoor er een conflict tussen hem en verdachte is ontstaan. [benadeelde 1] deed er vervolgens alles aan om verdachte zo snel mogelijk uit de woning te krijgen, door onder meer gas, water en licht af te sluiten. Volgens de raadsvrouw valt niet uit te sluiten dat slachtoffer [slachtoffer] op de dag van 11 december 2016 al in het pand aanwezig was om verdachte een lesje te leren, reeds voordat [benadeelde 1] daar was. [slachtoffer] zou verdachte te kennen hebben gegeven dat hij uit het pand moest vertrekken en heeft daarbij klaarblijkelijk verdachte aangevallen. Daarom kon verdachte niets anders dan zich verdedigen met de middelen die hij op dat moment in zijn handen had. Deze lezing sluit aan bij de uitspraken die verdachte voorafgaand aan het incident heeft gedaan, te weten dat hij herhaaldelijk werd lastig gevallen door knokploegen. [benadeelde 1] is vervolgens binnen gekomen op het moment dat [slachtoffer] en verdachte verwikkeld waren in een gevecht. [benadeelde 1] heeft gezien dat [slachtoffer] werd gestoken, heeft verdachte geslagen met een lat en is daarna naar buiten gevlucht, aldus de raadsvrouw. Deze mogelijkheid wordt volgens haar ondersteund door de verklaring van [getuige] waarin is te lezen dat zij een man hoorde schreeuwen en vervolgens het busje van [benadeelde 1] aan zag komen rijden. Zij zag [benadeelde 1] vervolgens het bedrijfspand betreden door de deur in het rolluik en zag hem vijf seconden later rennend naar buiten komen.

De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsvrouw geopperde scenario op geen enkele wijze steun vindt in het dossier. Het enkele feit dat de getuigenverklaring van [getuige] niet op alle punten rijmt met die van [benadeelde 1] , maakt dat niet anders. Dat sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding, is dan ook niet aannemelijk geworden. Dit betekent dat het beroep op noodweerexces faalt.

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Deze lager dan gebruikelijke strafeis is ingegeven door het feit dat de behandeling van verdachte voor zijn psychische problematiek niet te lang op zich zou moeten laten wachten, aldus de officier van justitie. Daarnaast heeft hij gevorderd de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte alleen de maatregel terbeschikkingstelling moet worden opgelegd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft zij verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vorderingen te ingewikkeld en te vergaand zijn om in deze strafzaak te behandelen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft op zeer gewelddadige wijze [slachtoffer] van het leven beroofd door hem vijftien maal te steken met een mes, waarna hij vervolgens de plaats van het misdrijf is ontvlucht. Dit misdrijf, het benemen van iemands leven, is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, en wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent.

De nabestaanden is met deze daad een onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. De samenleving ervaart een doodslag als in dit geval, mede gezien de wijze waarop deze is gepleegd, als een zeer schokkend en bijzonder ernstig feit dat gevoelens van onveiligheid, verbazing en verafschuwing met zich brengt.

Rapport Pieter Baan centrum

Omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde hebben F.R. Kruisdijk, psychiater en E.J. Muller, klinisch psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (PBC), Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team na inzage van de gerechtelijke stukken, een onderzoek in gesteld naar de geestvermogens van verdachte. De deskundigen hebben op 28 juni 2017 als volgt over hun bevindingen gerapporteerd.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het onderzoek in het PBC, waardoor het onderzoek werd beperkt tot een samenvatting van de reeds uitgebrachte stukken, een beperkt milieuonderzoek en eigen klinische indrukken van de gedragskundigen, naast de observaties van de groepsleiding. Verdachte gaf geen inzicht in zijn redenen waarom hij niet in gesprek wilde met de gedragskundigen. Uit enkele psychotisch gekleurde uitlatingen, met een grote mate van vijandigheid, kan worden afgeleid dat hij waarschijnlijk niet (enkel) uit procespositionele overwegingen het contact vermijdt. Vastgesteld is dat verdachte de situatie waarin hij verkeert niet kan (volledig) overzien waardoor hij zijn belangen ook niet voldoende kan (laten) vertegenwoordigen.

Het toestandsbeeld dat werd geobserveerd, vertoonde diverse kenmerken van een zogenaamde katatonie (zijnde psychomotorische geremde kenmerken, zoals bewegingsarmoede, bewegingsloosheid, geen spraak, het lang vasthouden van een pose, het niet opvolgen van instructies en stereotype bewegingen), een klassiek beeld bij een onbehandelde onderliggende psychiatrische stoornis.

Het klinische beeld kenmerkte zich verder door een grote mate van territoriale vijandigheid. Verdachte reageerde vijandig met psychotische uitspraken als werd gepoogd zijn beenwond te onderzoeken. De psychotische uitspraken waren over het algemeen paranoïde van aard. Er zijn aanwijzingen voor vergiftigingsideeën, homoseksuele, drugs- en justitiële complotten, ‘mutanten’ die mogelijk bedreigend voor hem zijn en ook voelde verdachte zich kennelijk bedreigd door ‘nazi’s’. Gezien de katatonie in combinatie met de psychotische uitspraken van verdachte is het vrijwel zeker dat er een psychotisch toestandsbeeld onderliggend is aan de katatonie.

Gelet op de verklaringen van [benadeelde 1] , de verhuurder, lijken er al symptomen van psychotische aard aanwezig te zijn geweest voor het ten laste gelegde, zoals druggerelateerde uitspraken en vergiftigingsideeën. Uit het dossier blijkt dat vlak na het incident verdachte een verwarde en verwilderde indruk maakte en niet op aanwijzingen reageerde die de agenten hem gaven op het moment dat ze hem wilden aanhouden. Ook reageerde hij niet op de pepperspray die twee maal in zijn gezicht werd gespoten. Dit vormt een aanwijzing voor een vergaand psychotisch toestandsbeeld, waarbij pijnsensaties niet meer als dusdanig werden gevoeld.

Het vermoeden ontstaat, zeker het huidige geobserveerde psychotische toestandsbeeld meewegend, dat verdachte voor het incident al onderhevig was aan psychotische beeldvorming, in ieder geval richting [benadeelde 1] . Verder valt tijdens de huidige observatie van het (onbehandelde) psychotische toestandsbeeld op dat verdachte sterk territoriaal gericht is. Bij aandringen of bij een poging hem te benaderen treedt een heftige verbale en vijandige reactie op met bedreiging van de vermeende belager. In de aanloop naar het incident voelde verdachte zich, zo valt op te maken uit het dossier, bedreigd en onder druk gezet door [benadeelde 1] en waarschijnlijk ook door het slachtoffer. Vanuit het geobserveerde beeld in het PBC is het goed mogelijk dat het slachtoffer binnendrong in het territorium van verdachte en dat verdachte, hoogst waarschijnlijk beïnvloed door paranoïde gekleurde overtuigingen en een tekort schietende realiteitstoetsing, zich zodanig bedreigd voelde dat er een hevige agressiedoorbraak optrad. Uit het dossier maken onderzoekers verder op dat verdachte beperkt in staat was om de escalerende problematiek met de verhuurder [benadeelde 1] op een andere wijze op te lossen. Zonder een exacte delict reconstructie te kunnen maken, wijzen veel elementen in het gedrag van verdachte op een impulsieve reactie vanuit vermeende bedreiging of belaging met territoriale kleuring, waarbij een vertekende realiteit en een verkeerde interpretatie heeft geleid tot het (…) incident. Vanuit een gebrek aan een volledige reconstructie van het incident en een gebrek aan verdachtes (pathologische) motieven en gedachtegang, kan op dit moment alleen worden gesteld dat verdachte in ieder geval zijn vrije wil in beperkte mate tot zijn beschikking had en dat hij als gevolg hiervan in verminderde mate zijn gedrag kon sturen.

Op grond van het onderzoek wordt derhalve een verband aanwezig geacht tussen een ziekelijke stoornis, zijnde een psychotisch toestandsbeeld, en het ten laste gelegde. Door de deskundigen Kruisdijk en Muller wordt geadviseerd om verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De deskundigen hebben tevens vastgesteld dat het recidiverisico met betrekking tot een soortgelijk delict op dit moment groot is en op korte termijn zou kunnen optreden. Verdachtes psychose is onbehandeld en hij vertoont een agressieve reactie naar personen die hem zorg trachten te verlenen en naar personen die door hem worden gezien als belagers, zoals zijn familie of de onderzoekers. De risicotaxatie en het klinisch geobserveerde beeld wijzen allen in de richting van een hoog risico op korte termijn voor soortgelijke delicten als waarvan hij nu wordt verdacht.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank maakt deze conclusies tot de hare. Dit maakt dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.

Straf

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat als straf hiervoor alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Uit de hiervoor genoemde rapportage van het Pieter Baan Centrum blijkt weliswaar dat het huidige psychiatrisch toestandsbeeld van verdachte zorgwekkend is, hetgeen voor de officier van justitie reden is geweest een gevangenisstraf van twee jaren te vorderen. Echter, uit het dossier en uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum is niet gebleken dat de realiteitszin van verdachte ten tijde van het delict dusdanig was verstoord dat zijn handelen in zeer beperkte mate strafwaardig is geweest. Bovendien kan de psychose waarin verdachte verkeert, ook in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum behandeld worden. Voorts zal op grond van artikel 13, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht en artikel 42 van de Penitentiaire Maatregel op regelmatige tijdstippen worden beoordeeld of de dringende medische noodzaak bestaat dat verdachte dient te worden geplaatst in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden. De rechtbank ziet in het psychiatrisch toestandsbeeld van verdachte en ook overigens geen aanleiding om in grote mate af te wijken van de straffen die in gelijksoortige gevallen worden opgelegd.

De rechtbank acht, alles afwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaar passend en geboden.

Maatregel

De rechtbank acht – ter bescherming van de maatschappij – naast een op te leggen vrijheidsstraf en overeenkomstig het advies van voornoemde deskundigen de oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk en geboden. Gelet op met name het als hoog ingeschatte recidiverisico ten aanzien van soortgelijke feiten is de rechtbank van oordeel dat het niet verantwoord is verdachte te laten terugkeren in de maatschappij zonder dat dit risico is weggenomen dan wel in belangrijke mate is gereduceerd. Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

7 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 408.506,20 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

materiële schade:

- gederfde inkomsten/ gederfd levensonderhoud € 370.367,40

- uitvaartkosten € 6.095,80

- eigen bijdrage € 385,00

- kilometervergoeding € 71,82

- notariskosten € 665,50

- verhuiskosten [bedrijf] € 400,00

- urn- en asbestemming € 388,00

- overlijdensadvertentie € 132,68

----------------

totaal materiële schade € 378.506,20

immateriële schade € 30.000,00

(bestaande uit affectieschade)

totaal gevorderd schadebedrag € 408.506,20

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de materiële schade de uitvaarkosten, de eigen bijdrage, de kilometervergoeding, de notariskosten, de verhuiskosten van [bedrijf] , de urn- en asbestemming en de overlijdensadvertentie rechtstreeks voortvloeien uit het bewezen verklaarde feit. Daartegen is ook geen verweer gevoerd. De vordering zal dan ook betreffende die schadeposten (in totaal € 8.138,80) worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de post gederfd inkomen/ levensonderhoud is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering zodanig ingewikkeld is dat beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien heeft – gelet op het late moment van indienen van de vordering – de verdediging daar nog niet voldoende inhoudelijk op kunnen reageren, zodat dienaangaande geen sprake is geweest van voldoende hoor en wederhoor. Om die redenen zal de rechtbank de vordering voor dat deel niet ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade van € 30.000,00 overweegt de rechtbank het volgende. Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die zijn veroorzaakt door het overlijden of ernstig letsel van iemand tot wie men in een nauwe en affectieve relatie stond. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat slechts indien er voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft, zoals volgt uit artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In zijn arrest van 22 februari 2002, opgenomen onder ECLI:NL:HR:2002:AD5356 heeft de Hoge Raad bevestigd dat het stelsel van de wet meebrengt dat nabestaanden geen vordering tot affectieschade geldend kunnen maken. Ook heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een vergoeding toe te kennen. Binnenkort zal in de Eerste Kamer een wetsvoorstel met betrekking tot affectieschade worden behandeld. Het feit dat een wetsvoorstel aanhangig is, maakt echter niet dat op dit moment een wettelijke grondslag bestaat tot vergoeding van affectieschade. Derhalve zal dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tot slot dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3.3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 56.488,72 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

materiële schade:

- kilometervergoeding € 82,70

- eigen risico € 406,02

- gederfde inkomsten € 26.000,00

immateriële schade:
(bestaande uit shockschade) € 30.000,00

totaal gevorderd schadebedrag € 56.488,72

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de materiële schade de kilometervergoeding en het eigen risico rechtstreeks voortvloeien uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van deze schade komt de rechtbank voor wat betreft deze schadeposten billijk voor. De vordering zal dan ook voor wat betreft die schadeposten worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de post gederfde inkomsten is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering zodanig ingewikkeld is dat beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien heeft – gelet op het late moment van indienen van de vordering – de verdediging daar nog niet voldoende inhoudelijk op kunnen reageren, zodat dienaangaande geen sprake is van hoor en wederhoor. Om die redenen zal de rechtbank de vordering voor dat deel niet ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt:

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad opgenomen onder ECLI:NL:HR:2016:2241 kan vergoeding van immateriële schade (shockschade) plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Anders dan door de officier van justitie en de verdediging betoogd, valt een dergelijke vergoeding onder artikel 6:162 juncto 6:106 en niet onder artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat de pleger van het feit in het geval van shockschade een directe onrechtmatige daad jegens de benadeelde pleegt (en de schadebron niet gelegen is in een onrechtmatige daad jegens het overleden slachtoffer zoals bij artikel 6:108 BW).

In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de hierboven genoemde vereisten. Bij de benadeelde partij heeft het waarnemen van het jegens zijn schoonzoon uitgeoefende dodelijke geweld – waarbij hij nog vergeefs heeft getracht zijn schoonzoon te helpen door verdachte met een lat op zijn hoofd te slaan – geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een medisch vastgesteld, in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten: een posttraumatisch stress syndroom. De aanwezigheid van dit ziektebeeld is voldoende onderbouwd in de vordering en de toelichting daarop met een brief van de psychiater.

De rechtbank komt een vergoeding van de shockschade tot een bedrag van € 15.000,00 billijk voor. Voor welk bedrag de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3.3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.3

Vordering benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 60.603,12 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

materiele schade

- gederfd levensonderhoud € 30.603,12

immateriële schade € 30.000,00

totaal gevorderd schadebedrag € 60.603,12

Met betrekking tot de post gederfd levensonderhoud is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering zodanig ingewikkeld is dat beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien heeft – gelet op het late moment van indienen van de vordering – de verdediging daar nog niet voldoende inhoudelijk op kunnen reageren, zodat dienaangaande geen sprake is geweest van hoor en wederhoor. Om die redenen zal de rechtbank de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

Voor het deel affectieschade verwijst de rechtbank naar de overwegingen die daarover bij [benadeelde 2] zijn opgenomen. Gelet op die overwegingen wordt dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

7.4

Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 54.755,28 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit :

materiële schade

- gederfd levensonderhoud € 24.755,28

immateriële schade € 30.000,00

totaal gevorderd schadebedrag € 54.755,28

Met betrekking tot de post gederfd levensonderhoud is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering zodanig ingewikkeld is dat beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien heeft – gelet op het late moment van indienen van de vordering – de verdediging daar nog niet voldoende inhoudelijk op kunnen reageren, zodat dienaangaande geen sprake is geweest van hoor en wederhoor. Om die redenen zal de rechtbank de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

Voor het deel affectieschade verwijst de rechtbank naar de overwegingen die daarover bij [benadeelde 2] zijn opgenomen. Gelet op die overwegingen wordt dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 37a, 37b, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 8.138,80 bestaande uit vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.138,80, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 75 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 15.488,72, bestaande uit € 488,72 als vergoeding voor de materiële en € 15.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.488,72, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 112 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

mr. C.E. Voskens en mr. J.J. Maarleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 september 2017.