Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7800

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3314
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Hulp bij het huishouden. Rapport KPMG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/3314

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Abalhaj),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigden: mr. S.E.J.M. Bogaarts en H.E. Nieman).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2021 een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden toegekend voor 175 minuten per week.

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en vanwege het in acht nemen van een gewenningstermijn de periode gewijzigd in 1 augustus 2016 tot en met 30 juni 2021. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is geboren op [geboortedatum] en is dus thans 78 jaar. Eiseres is bekend met onder meer hart- en vaataandoeningen, osteoporose, artrose en fibromyalgie. Eiseres voert een eenpersoonshuishouden. Laatstelijk ontving eiseres met ingang van 1 januari 2013 een pgb voor hulp bij het huishouden voor 4 uur en 45 minuten per week.

1.2.

Na de inwerkingtreding van de Wmo 2015 heeft verweerder het beleid gewijzigd in die zin dat de normtijden voor huishoudelijke hulp naar beneden zijn bijgesteld. Besloten is om bij de herindicaties op de normtijden die voorheen werden gehanteerd, en die vrijwel overeenkwamen met de normen van het CIZ Protocol huishoudelijke verzorging, een verlaging van 15% toe te passen. De tijdnormering bij een eenpersoonshuishouden voor zwaar huishoudelijk werk gaat van 120 minuten naar 100 minuten, voor licht huishoudelijk werk van 30 minuten naar 25 minuten en voor wasverzorging van 60 minuten naar 50 minuten. Uitgangspunt is dat er maatwerk wordt geleverd wat kan leiden tot de inzet van meer of minder uren.

1.3.

Naar aanleiding van een gesprek dat op 25 januari 2016 met eiseres thuis heeft plaatsgevonden heeft verweerder beslist zoals hierboven vermeld. Vanwege de fysieke beperkingen van eiseres dienen volgens verweerder alle huishoudelijke taken van haar te worden overgenomen. Om die reden heeft verweerder voor zwaar huishoudelijk werk en licht huishoudelijk werk de maximale door verweerder gehanteerde normtijd van 100 en 25 minuten toegekend. Voor wasverzorging heeft verweerder eveneens de door verweerder gehanteerde maximale normtijd van 50 minuten toegekend, zodat eiseres in totaal recht heeft op 175 minuten (2 uur en 55 minuten) hulp bij het huishouden per week.

1.4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat een gewenningstermijn had moeten worden toegepast gedurende drie maanden tot 1 augustus 2016. Daarom heeft eiseres tot 1 augustus 2016 alsnog recht op 4 uur en 45 minuten hulp bij het huishouden per week.

2.1.

Partijen zijn in de eerste plaats verdeeld over de vraag of het bestreden besluit berust op voldoende deugdelijk onderzoek. In dat verband stelt eiseres dat ten onrechte slechts een keukentafelgesprek heeft plaatsgevonden en geen medisch onderzoek. Verweerder had het bestreden besluit dienen te baseren op het in het kader van de eerdere toekenning van hulp bij het huishouden verrichte sociaal-medisch onderzoek door [bedrijf 1] van

5 november 2012, nu dat volgens eiseres een gedegen onderzoek vormde. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de herindicatie geen nieuw medisch onderzoek behoefde te worden uitgevoerd, omdat niet in geschil is dat alle huishoudelijke taken dienen te worden overgenomen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de medische beperkingen die eiseres heeft geen aanleiding vormen om te veronderstellen dat zij meer huishoudelijke hulp nodig heeft, omdat het huis extra schoon moet zijn of omdat er meer was wordt gegenereerd dan normaal.

2.2.

De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit berust op onvoldoende onderzoek. Wat eiseres nu over haar medische situatie naar voren heeft gebracht, verschilt niet van de medische situatie zoals deze naar voren komt in het advies van [bedrijf 1] van 5 november 2012. Eiseres heeft volstaan met de algemene stelling dat sprake is van een verslechtering in haar medische situatie en heeft deze stelling niet onderbouwd met objectieve, medische stukken. Daar komt bij dat [bedrijf 1] in zijn advies van 5 november 2012 concludeerde tot overname van alle huishoudelijke taken, behoudens de wasverzorging. Op dat punt werd afgeweken van de normtijd, omdat eiseres daarvan destijds een deel zelf kon uitvoeren. Verweerder heeft thans geconcludeerd tot overname van alle huishoudelijke taken, inclusief de volledige wasverzorging. Dat destijds door [bedrijf 1] geconcludeerd werd tot hulp bij het huishouden in een omvang van 4 uur en 45 minuten was het gevolg van de toen geldende fors hogere normtijden, en niet het gevolg van de specifieke medische situatie van eiseres. Verweerder kon bij de besluitvorming derhalve volstaan met het gesprek van 25 januari 2016 en behoefde niet opnieuw een medisch onderzoek te (laten) verrichten.

3.1.

Eiseres betoogt voorts dat het toegekende aantal van 175 minuten hulp bij het huishouden per week niet toereikend is om een schoon en leefbaar huis te bewerkstelligen. De vraag ligt dan ook voor of verweerder dat voldoende onderbouwd heeft. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

3.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit genomen met toepassing van de Wmo 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoorn 2015 (Verordening 2015) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoorn 2015 (Besluit 2015). Daarnaast voert verweerder het beleid als hierboven onder 1.2 weergegeven, waarbij verweerder de voorheen gehanteerde normtijden met 15% heeft verlaagd.

3.3.

Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 mei 2016 volgt dat aan de vermindering van de normtijden een deugdelijk, op objectieve criteria steunend onderzoek ten grondslag dient te liggen. Gelet hierop is de verlaging van de normtijden uitsluitend op grond van budgettaire redenen niet geoorloofd, zoals deze rechtbank reeds meermaals heeft geoordeeld (onder meer de uitspraak van 29 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9862).

3.4.

Verweerder heeft evenwel naar aanleiding van de uitspraken van de CrvB van 18 mei 2016 alsnog onderzoek door [bedrijf 2] laten verrichten. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in de door verweerder in de beroepsprocedure overgelegde “Eindrapportage van objectief onderzoek naar Hulp bij het huishouden in de gemeente Hoorn” (hierna: de rapportage) van 16 november 2016. Eiseres heeft de inhoud van deze rapportage niet gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze rapportage de gehanteerde normtijden weliswaar achteraf, maar alsnog op toereikende wijze heeft onderbouwd. Na kennisname van de rapportage is de rechtbank van oordeel dat het door [bedrijf 2] verrichte onderzoek als voldoende zorgvuldig en deugdelijk kan worden aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de rapportage tot stand is gekomen door middel van een expertgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van aanbieders, een aanbieder van facilitaire schoonmaak buiten de gemeente, een onafhankelijk expert schoonmaak, een expert hygiëne en infectiepreventie van de GGD en een wijkverpleegkundige. Daarnaast is een klankbordgroep bij het onderzoek betrokken, bestaande uit vertegenwoordigers van onder andere kerken, de ouderenraad, de GGD, Welzijnsinstellingen en zorgaanbieders. Bij het onderzoek zijn resultaten van het onderzoek dat [bedrijf 2] voor andere gemeente heeft verricht betrokken en is gemeten in de praktijk, waarbij ook gegevens uit onder meer de gemeenten Utrecht, Emmen en Haarlem zijn betrokken. Het onderzoek is verricht aan de hand van duidelijk omschreven objectieve criteria en de uit het onderzoek getrokken conclusies zijn inzichtelijk. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding deze conclusies voor onjuist te houden.

3.5.

Uit de rapportage blijkt dat voor zwaar en licht huishoudelijk werk tezamen

123 minuten per week toereikend moet worden geacht. Gelet hierop is de door verweerder gehanteerde en in het geval van eiseres ook toegekende normtijd van 125 minuten niet onredelijk. Niet gebleken dat in het geval van eiseres vanwege de bijzondere omstandigheden van haar geval voor zwaar en licht huishoudelijk werk meer tijd had moeten worden toegekend.

3.6.

Dat ligt evenwel anders ten aanzien van de toegekende 50 minuten voor de wasverzorging. In de rapportage van [bedrijf 2] wordt weliswaar geconcludeerd dat 50 minuten voldoende is voor het uitvoeren van één wasbeurt, omdat de gemeten benodigde tijd per wasbeurt 42,5 minuten betreft, maar wordt tevens geconcludeerd dat om het resultaat “schone kleding en linnengoed” te bereiken voor een eenpersoonshuishouden, zoals dat van eiseres, twee wasbeurten per week, derhalve in totaal (afgerond) 85 minuten, nodig zijn. De normtijd van 50 minuten is derhalve, gezien de bevindingen uit het onderzoek van [bedrijf 2] , niet toereikend. Het bestreden besluit dient op dit onderdeel dan ook te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiseres recht heeft op 85 minuten hulp bij het huishouden voor wasverzorging, zodat eiseres met ingang van 1 augustus 2016 in totaal recht heeft op hulp bij het huishouden in een omvang van 210 minuten (2 uur en 30 minuten).

4.1.

Tot slot is de hoogte van het uurtarief van € 15,75 in geschil. Eiseres stelt zich in dat verband op het standpunt dat het aan verweerder is om een zodanig pgb aan te bieden dat eiseres in staat wordt gesteld om ten opzichte van zorg in natura vergelijkbare zorg in te kopen bij onder meer particulieren. Met een uurtarief van € 15,75 kan geen zorg worden ingekocht van dezelfde kwaliteit als de gecontracteerde zorg.

4.2.

Verweerder heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar uitspraken van de CRvB, toegelicht dat in beginsel kan worden uitgegaan van functiegroep 15 van de cao thuiszorg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Dit houdt in dat het cao-loon behorend bij de hoogste treden van functiegroep 15 wordt verhoogd met 20%. In het geval van eiseres resulteert dat in een bedrag van € 15,45, zodat het gehanteerde uurtarief van € 15,75 volgens verweerder toereikend moet zijn. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat via diverse websites als huishoudelijkehulp.nl en ikzoekeenwittewerkster.nl voor € 12,50 per uur huishoudelijke hulp kan worden ingekocht.

4.3.

Hoewel verweerder desgevraagd ter zitting niet heeft kunnen toelichten hoe het gehanteerde uurtarief van € 15,75 tot stand is gekomen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel om dit uurtarief voor ontoereikend te houden, gezien de door verweerder gegeven toelichting in het verweerschrift die in overeenstemming is met de rechtspraak op dit punt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij met dit uurtarief geen kwalitatief goede - met zorg in natura vergelijkbare - hulp kan inkomen. Met dit uurtarief wordt zij dus voldoende gecompenseerd.

5. Gelet op hetgeen hierboven onder 3.6 is overwogen is het beroep gegrond, dient het bestreden besluit wat betreft de omvang van de toegekende hulp voor de wasverzorging te worden vernietigd en zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien op de hierboven vermelde wijze.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,00 aan haar vergoedt.

7.1.

Tot slot heeft eiseres verzocht om vergoeding van de door haar geleden schade. Zij heeft in dat verband naar voren gebracht dat zij met ingang van september 2016 op eigen kosten één uur per week extra hulp bij het huishouden heeft ingekocht. Deze hulp heeft zij

€ 15,75 per uur betaald. Uitgaande van 52 weken per jaar, resulteert dat in een bedrag van

€ 68,25 per maand. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor vergoeding van schade geen plaats is, omdat eiseres de uitkomst van de onderhavige procedure had kunnen afwachten alvorens extra hulp in te kopen.

7.2.

Onder 3.6 is overwogen dat eiseres met ingang van 1 augustus 2016 recht heeft op 210 minuten hulp bij het huishouden in plaats van de toegekende 175 minuten, dus 35 minuten per week meer. Op dat onderdeel voorziet de rechtbank zelf in de zaak. Dat betekent dat verweerder gehouden is om alsnog met terugwerkende kracht per 1 augustus 2016 eiseres een hoger pgb uit te betalen. De bedoelde 35 minuten dient verweerder daarom alsnog te vergoeden, nu eiseres voldoende heeft aangetoond dat zij deze kosten ook daadwerkelijk heeft gemaakt (zij heeft immers een uur extra per week ingekocht). Nu de door eiseres geleden schade derhalve op andere wijze wordt vergoed, komt om die reden het verzoek om schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij 50 minuten per week voor hulp bij de wasverzorging is toegekend;

- bepaalt dat eiseres recht heeft op 85 minuten per week voor de wasverzorging en derhalve 2 uur en 30 minuten huishoudelijke hulp per week over de periode van

1 augustus 2016 tot en met 30 juni 2021 met een uurtarief van € 15,75;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van

E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.