Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7791

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2583
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De overheid is niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, (in zijn geheel) te vergoeden.

NADEELCOMPENSATIE. Afwijzing verzoek toekenning nadeelcompensatie. Ontbreken causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/2583

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eisers om toekenning van nadeelcompensatie als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie en de herinrichting van de Wandelweg ter hoogte van Plein ’13 te Wormerveer afgewezen.

Bij besluit van 12 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017. Namens eisers is [eiser 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. K. Ouggaali en H. Meegdes. Ter zitting was tevens aanwezig mr. [naam 2] , werkzaam bij Thorbecke B.V. (hierna: Thorbecke).

Overwegingen

1. De Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is voor wat betreft het onderdeel nadeelcompensatie (titel 4.5 van de Awb) nog niet in werking getreden. Verweerder heeft het verzoek terecht opgevat als een verzoek gebaseerd op de op
24 januari 2013 door de gemeenteraad van Zaanstad vastgestelde Algemene Verordening Nadeelcompensatie Zaanstad 2013.

2. Eisers zijn sinds september 2005 eigenaar van de begane grond van het pand gelegen op het perceel aan [perceel] . Het pand is gelegen op de hoek van [straat 1] en [straat 2] . Eisers hebben op 7 april 2015 verzocht om een tegemoetkoming in schade als gevolg van de herinrichting van Plein ‘13 waardoor het pand verminderd bereikbaar is geworden. De schade is door makelaar Van Velze & Co geraamd op € 122.187,50.

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De herinrichting van de Wandelweg ter hoogte van Plein ’13 (hierna ook: de herinrichting) heeft plaatsgehad in de periode vanaf maart 2010 tot begin september 2010. De Wandelweg is in de periode van juni 2010 tot begin september 2010 (deels) afgesloten geweest. Bij de herinrichting is op de Wandelweg ter hoogte van Plein ‘13 een verhoogde middenberm aangelegd, waardoor de Insulindelaan vanuit zuidelijke en oostelijke richting niet langer direct voor gemotoriseerd verkeer bereikbaar is. In de oude situatie was het pand vanuit alle richtingen bereikbaar. Voor langzaam verkeer is de bereikbaarheid niet verminderd. De route om het pand te bereiken die loopt via de Delistraat tussen de Biltonkade en de Insulindelaan (de zogenoemde omrijdroute) was tijdens de herinrichting niet toegankelijk. In die periode was het pand bereikbaar via de Riouwstraat.

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat, nu het verzoek om nadeelcompensatie van eisers zich heeft beperkt tot schade gesteld als gevolg van de herinrichting, de mogelijke schade vanwege de gestelde verminderde bereikbaarheid van het pand anders dan door de herinrichting van Plein ’13, buiten bespreking blijft.

4. De rechtbank overweegt als volgt. De overheid is niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, (in zijn geheel) te vergoeden. Dat overheidsingrijpen voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is onvermijdelijk en tot op zekere hoogte moeten deze gevolgen worden geaccepteerd. Onder bijzondere omstandigheden is de overheid echter wel verplicht tot vergoeding van door rechtmatig handelen veroorzaakte schade. Deze verplichting wordt gebaseerd op het beginsel van gelijkheid voor de publieke lasten. Dit égalitébeginsel strekt ertoe de lasten van overheidsoptreden gelijkelijk te verdelen over de burgers. Burgers die door het overheidsoptreden in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar worden getroffen, dienen op grond daarvan een redelijke compensatie te ontvangen. De vraag of in een bepaald geval de gevolgen van een overheidshandelen buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kan hierbij onder meer zijn enerzijds de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang alsmede in hoeverre die handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor de derde die als gevolg daarvan schade lijdt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade (zie HR 17 september 2004, AB 2006, 41). Verder moet er een causaal verband bestaan tussen de gestelde schade en het schadeveroorzakend handelen van de overheid.

5.1.

Ter beoordeling van het verzoek om nadeelcompensatie heeft verweerder advies ingewonnen bij Thorbecke. In het advies van 16 december 2015 heeft Thorbecke verweerder geadviseerd het verzoek af te wijzen. Thorbecke stelt dat, vanwege het feit het pand voor en tijdens de herinrichting niet werd verhuurd, niet kan worden onderzocht in hoeverre de (huur)waarde van het object gedaald is ten gevolgde van de herinrichting. Volgens Thorbecke laat de hoogte van de waardevermindering zich bepalen door een beoordeling van de waarde van het object ten tijde van de oude en ten tijde van de nieuw verkeerssituatie. De in de aanvraag vermelde schade en gederfde huuropbrengsten vormen daarin volgens Thorbecke geen goed uitgangspunt. Het door eisers gemaakte vergelijk van de feitelijke huuropbrengst van ruim na de herinrichting met een theoretische maximale huuropbrengst in de periode daarvoor, volgt Thorbecke niet, onder andere omdat economische omstandigheden ertoe hebben geleid dat vergelijkbare objecten minder gemakkelijk en voor lagere bedragen verhuurd worden. Thorbecke stelt verder dat er geen causaal verband is tussen de gewijzigde verkeerssituatie en de gemaakte kosten voor het wijzigen van de inrichting van het pand. Ook kosten met betrekking tot het verkrijgen van vergunningen of het wijzigen van de bestemming zijn geen direct gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie. Volgens Thorbecke is het nadeel voor eisers gelegen in een waardevermindering van het object als gevolg van verminderde bereikbaarheid. Er moet weliswaar gebruik worden gemaakt van een omrijdroute, maar die route maakt het pand voor gericht bezoek door leveranciers en bestaande klanten niet minder bereikbaar. De zichtlocatie is niet gewijzigd waardoor potentiële klanten het pand zullen blijven opmerken. De omrijdroute is bovendien zeer gering en verder is gebleken dat in de periode voor de herinrichting van Plein ’13 volgens de verkeersregels ook van deze route gebruik moest worden gemaakt bij het verlaten van het pand. Thorbecke heeft de huurwaarde verdisconteerd in de waarde van het object en aldus de waardevermindering van het pand begroot op € 3.500. Op grond van het normaal maatschappelijk risico blijft dit nadeel voor rekening van eisers.

5.2.

Op basis van dit advies heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. In aanvulling heeft verweerder gesteld dat eisers hebben verzuimd redelijke maatregelen te treffen ter voorkoming of beperking van het nadeel.

6.1.

Eisers stellen dat ten onrechte niet de schade is beoordeeld door de langere leegstand van het pand als gevolg van de herinrichting.

6.2.

Op grond van het aanvraagformulier, de door eisers ingebrachte stukken, waaronder de zienswijze op het conceptadvies van Thorbecke en het beroepschrift en naar ter zitting door eisers desgevraagd is bevestigd, stelt de rechtbank vast dat eisers zich op het standpunt stellen dat als gevolg van de herinrichting ten eerste schade is geleden in de vorm van een permanent waardeverlies van het object, ten tweede vanwege permanent lagere verhuuropbrengsten en ten derde vanwege een langere periode van leegstand van hun winkelruimte. In de advisering is Thorbecke wel ingegaan op de gestelde schade in de vorm van permanent waardeverlies van het object alsmede de lagere verhuuropbrengsten, maar niet op de gestelde schade vanwege een langere leegstandperiode. In het definitief advies van Thorbecke zijn de reacties op het conceptadvies opgenomen. Onder 6.1 is Thorbecke namens verweerder verzocht om te verduidelijken waaruit de gestelde schade bestaat en deze aan te passen naar verminderde huurinkomsten door lagere huurwaarde en verminderde huurinkomsten door een extra periode van leegstand. Hoewel Thorbecke in reactie op dit verzoek heeft aangegeven dat in het definitieve advies de genoemde gestelde schadeoorzaken zijn aangevuld en ter verduidelijking is opgenomen dat deze passage een samenvatting van het verzoek betreft, ziet de rechtbank in het advies niet terug dat de stelling van eisers dat hun pand als gevolg van de herinrichting langer heeft leeggestaan, is beoordeeld en tot welke schade dit zou hebben geleid. Nu ook in de besluitvorming niet op deze door eisers gestelde schadepost is ingegaan, ontbeert het besluit een zorgvuldige motivering. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.1.

Teneinde het geschil mogelijk finaal te kunnen beslechten onderzoekt de rechtbank of aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

7.2.

Thorbecke heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat, indien de derde schadepost, te weten de langere periode van leegstand van het bedrijfspand, zou zijn beoordeeld, dat van een causaal verband tussen de gesteld langere periode van leegstand en de herinrichting geen sprake is. In dat verband heeft Thorbecke gewezen op de korte periode die met de herinrichting was gemoeid en heeft Thorbecke aangegeven dat ook andere mogelijke oorzaken voor de langere dan gebruikelijke leegstand zijn aan te wijzen, zoals bijvoorbeeld de economische crisis en de vraagprijs. Verweerder heeft ter zitting voorts aangegeven dat een aldus aangevuld advies door verweerder in de besluitvorming zou zijn overgenomen.

7.3.

De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat het pand van eisers juist als gevolg van de herinrichting langer leeg heeft gestaan dan doorgaans gebruikelijk is. Uit de door eisers verstrekte informatie is gebleken dat de in het pand gevestigde [winkel] in de loop van het jaar 2009 failliet is gegaan en dat het pand al vanaf november 2009 te huur heeft gestaan. De rechtbank wijst er ook op dat het pand tijdens de herinrichting op zich wel bereikbaar is gebleven. Het pand is voorts eerst verhuurd nadat een bestemmingswijziging en een verbouwing de verhuur aan een opslagbedrijf mogelijk heeft gemaakt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de door eisers gestelde schade als gevolg van langere leegstand een samenloop is van diverse omstandigheden. Die verschillende oorzaken, zoals de economische crisis en de door eisers gevraagde huurprijs waarop Thorbecke ter zitting heeft gewezen en mogelijk ook de gewijzigde vraag naar panden op locaties als die van het pand van eisers, kunnen bij de langere dan gebruikelijke leegstand een rol hebben gespeeld. Vanwege het ontbreken van causaal verband tussen de herinrichting van Plein ’13 en de door eisers gestelde langere leegstand kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank voor de daaruit mogelijk voortgevloeide schade niet aansprakelijk worden gehouden.

8. De stelling van eisers dat het pand als gevolg van de herinrichting niet meer van alle richtingen bereikbaar is, hetgeen heeft geleid tot permanent waardeverlies van het object en lagere verhuuropbrengsten, doet aan de juistheid van verweerders besluitvorming verder geen afbreuk. Deze omstandigheid is immers in het advies van Thorbecke, waarop verweerder zich heeft gebaseerd, betrokken. De schade is berekend op € 3.500. Voor zover eisers onder verwijzing naar het door hen bij de aanvraag overgelegde advies van Van Velze stellen dat het nadeel te laag is vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat Thorbecke in het advies van 16 december 2015 onder 6.2 afdoende inzichtelijk en concludent heeft gemotiveerd waarom het door eisers ingebrachte advies niet kan worden opgevolgd, namelijk dat uitgegaan dient te worden van de situatie voor de herinrichting en de situatie na de herinrichting, waarbij voor het overige is uitgegaan van de feitelijke bereikbaarheid en dat het causale verband tussen de (tijdelijke) afzetting en de gestelde ontstane waardevermindering ontbreekt.

9. Ook hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd, te weten dat de uitnodiging voor de inloopavond is gestuurd naar hun leegstaande pand en dat verweerder de herinrichting niet heeft uitgevoerd na het nemen van een daartoe strekkend verkeersbesluit, wat daar overigens ook van zij, doet verder geen afbreuk aan het bestreden besluit

10. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Verweerder hoeft dus niet opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. Voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. M.E. Fortuin en mr. drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.