Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7785

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
15/872031-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

o.a. Overval op bloemisterij met wapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/872031-14 (P)

Uitspraakdatum: 10 augustus 2017

Verstek

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juli 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J.G. Hendriks.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 31 oktober 2014 in de gemeente Oostzaan met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een winkel (bloemisterij) gelegen aan het Zuideinde aldaar heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 1.500 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [Bloemisterij] en/of [eigenaar bloemisterij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezelden/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 1] en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2] en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2] , (allen) werkzaam in genoemde winkel, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte in die winkel een (knal)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand heeft genomen en/of dit (knal)pistool, althans dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht en/of gericht gehouden op genoemd(e) perso(o)n(en), in elk geval die perso(o)n(en) dat (knal)pistool, althans dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of voorgehouden en/of met dit (knal)pistool, althans met dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een schot heeft gelost;

feit 2

primair:

hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2014 tot en met 4 augustus 2014 in de gemeente Zaanstad met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Ford, type Fusion, gekentekend [kenteken] ), die stond geparkeerd op of aan de Langestraat te Zaandam, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, een valse sleutel en/of inklimming;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2014 tot en met 15 december 2014 in de gemeente Oostzaan en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, een personenauto (merk Ford, type Fusion, gekentekend [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 3

hij op of omstreeks 18 oktober 2014 in de gemeente Oostzaan met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening bij een tankstation gelegen aan de Coentunnelweg (A-8) heeft weggenomen (ongeveer) 33,94 liter benzine, in elk geval een hoeveelheid benzine, geheel of ten dele toebehorende aan B.P. de Coentunnel, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

feit 4

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen op of omstreeks 25 september 2015 in de gemeente Oostzaan (telkens) een persoon, genaamd [slachtoffer 5] , en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 6] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak jullie allebei af" en/of "Ik pak een mes en ik steek je neer" en/of "Ik ga je vermoorden" en/of "Ik maak je dood" en/of "Ik sla je helemaal in elkaar", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 5

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen op of omstreeks 25 september 2015 in de gemeente Oostzaan (telkens) opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 5] , en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 6] , in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigend door hem/haar/hen de/het woord(en) toe te voegen: Kankerzwarte" en/of "Kankerneger", althans (telkens) (een) woord(en) van gelijke beledigende aard en/of strekking;

feit 6

hij op of omstreeks 25 september 2015 in de gemeente Oostzaan door geweld of enige andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid een ambtenaar, [slachtoffer 7] , brigadier van politie, werkzaam in de functie van wijkagent Oostzaan bij de Eenheid Noord-Holland heeft gedwongen tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting, te weten het instellen van een onderzoek naar verdachte, door toen en daar die [slachtoffer 7] (dreigend) mede te delen: "Jij moet stoppen met dat onderzoek naar mij. Als jij dat niet doet, dan pak ik jou", althans woorden en/of zinnen van een dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

feit 7

hij op of omstreeks 12 november 2015 in de gemeente Oostzaan een persoon, genaamd [slachtoffer 6] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 7] , brigadier van de politie Eenheid Noord-Holland, gezegd: "Luister, als ik nog een keer last heb van die zwarte kankerbuurman van mij (waarmee verdachte doelde op genoemde [slachtoffer 6] ), dan snijd ik zijn strot van oor tot oor open, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 8

hij op of omstreeks 10 januari 2016 in de gemeente Oostzaan een persoon, genaamd [slachtoffer 8] , hoofdagent van de politie Eenheid Noord-Holland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 8] dreigend de woorden toegevoegd: "Kunnen jullie wel tegen iemand

van 1 meter 60? Kankermongolen. Ik onthou jullie kankerkoppen. Ik pak jullie later nog wel een keer. Kankerlijers", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 9

op of omstreeks 10 januari 2016, omstreeks 01.41 uur, zijnde een tijdstip gelegen na zonsondergang en voor zonsopkomst, in de gemeente Oostzaan als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft gereden over de Kolkweg, ter plaatse waar een maximum snelheid gold van 80 kilometer per uur, met een snelheid van (ongeveer) 140 kilometer, althans met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of gekomen bij de kruising of splitsing van die weg met het Zuideinde, toen een (driekleurig) verkeerslicht rood licht straalde in zijn, verdachtes, rijrichting niet is gestopt en/of (vervolgens) zijn weg heeft vervolgd over het Zuideinde en (toen) de verlichting van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto heeft gedoofd en/of (vervolgens) zonder richting aan te geven - rechtsaf - de Burgemeester Swartstraat is ingereden en/of (vervolgens) met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden over de Burgemeester Van Leeuwenstraat en/of de Burgemeester Teerstraat en/of de Kerkstraat en/of een of meer (ander(e)) weg(en) en/of (vervolgens) over het trottoir van de Burgemeester Swartstraat heeft gereden en/of (vervolgens) met (wederom) een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden over de Burgemeester Bratstraat en/of (vervolgens) op de Begoniastraat

(wederom) een trottoir is opgereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van de onder 1 en onder 3 tot en met 9 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Oordeel van de rechtbank

3.2.1.

Vrijspraak feit 2 primair en subsidiair

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet is bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd onder 2 primair (de diefstal van de personenauto van [slachtoffer 4] ) en 2 subsidiair (de heling van die auto). Wat betreft het onder 2 subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank met name niet bewezen dat verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de personenauto wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het een gestolen auto betrof. Dit betekent dat de rechtbank verdachte van feit 2 zal vrijspreken.

3.2.2.

Redengevende feiten en omstandigheden feiten 1 en 3-9

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en onder 3 tot en met 9 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.2.3.

Nadere bewijsoverwegingen feiten 1 en 8

Feit 1: daderschap verdachte bij de overval

Op 31 oktober 2014 omstreeks 17.53 uur heeft een overval plaatsgevonden bij bloemisterij [Bloemisterij] in Oostzaan. Tegen sluitingstijd is de overvaller met een alarmpistool in zijn hand de bloemisterij binnengekomen. Hij heeft dit pistool getoond aan/gericht op de aanwezige medewerksters. De overvaller heeft een schot gelost richting de grond en daarna uit de openstaande kassa een geldbedrag van € 1.500,- gegrist. Direct daarna is de overvaller in een donkere/grijze auto gestapt, vermoedelijk van het merk Ford, met een vierkantige achterkant. De auto is met hoge snelheid weggereden richting Oostzaan.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden bewezen of verdachte zich aan deze overval schuldig heeft gemaakt. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De auto

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de overvaller, nadat hij de bloemisterij had verlaten, is gevlucht met een auto zoals beschreven voorzien van het kenteken [kenteken] .

De rechtbank leidt dit uit het volgende af.

Direct na de overval is door medewerkster [slachtoffer 1] op een papier het kenteken [kenteken] opgeschreven, behorend bij de auto waarin de overvaller was weggereden. Dit kenteken bleek echter niet te zijn uitgegeven. Getuige [getuige 1] heeft vlak voor de overval een auto, een oud model, zien keren in het doodlopende straatje naast de bloemenzaak. Hij verklaarde dat het nummerbord volgens hem begon met [tekens] gevolgd door [tekens] . Door getuige [getuige 2] , die na de overval vlak voor de winkel stond, werd een kleine, donkere auto gezien met als kenteken [tekens] en misschien [tekens] of [tekens] , die snel wegreed na de overval. De rechtbank leidt hieruit af dat de laatste twee letters van het kenteken [kenteken] door mevrouw [slachtoffer 1] moeten zijn verwisseld met de middelste twee letters, te meer nu [kenteken] een grijze Ford betreft, met een vierkantige achterkant, hetgeen overeenkomt met de vluchtauto zoals door de getuigen omschreven.

De rechtbank stelt tevens vast dat verdachte ten tijde van de overval beschikte over deze auto. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij deze personenauto in de periode van september tot en met december 2014 exclusief in gebruik had, dat hij steeds alleen in de personenauto heeft gereden en deze niet aan anderen heeft uitgeleend.

Het signalement

De medewerksters van de bloemisterij hebben de overvaller onder meer omschreven als een licht getinte man, in de zin van een blanke die gebruind is na vakantie, van 30 tot 35 jaar oud, ongeveer 1,80 meter groot, met donker haar, donkere wenkbrauwen, donkerkleurige/licht bruine ogen en een getrimd baardje. Vast staat dat verdachte ten tijde van de overval 33 jaar oud was. Wijkagent [wijkagent] , die hem uit hoofde van zijn werkzaamheden goed kent, heeft verdachte onder meer omschreven als een licht getinte man met donker haar. De buurman van verdachte, [slachtoffer 6] , heeft eveneens verklaard dat verdachte donker haar heeft en daaraan toegevoegd dat verdachte donkerbruine ogen heeft, ongeveer 1,80 meter groot is en soms een klein baardje heeft. Op grond van deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte past in het signalement van de overvaller.

De Nike-schoenen

Op de camerabeelden van de bloemisterij van de overval is te zien dat de overvaller zwart/blauwe sportschoenen droeg. Deze sportschoenen zijn (sterk gelijkend op sportschoenen) van het merk Nike, type Dual Fusion. In de boxruimte van de woning van verdachte is in een boodschappentas de linkerschoen aangetroffen van een paar zwart met blauwe Nike-sportschoenen van het type Dual Fusion. De in de boxruimte aangetroffen schoen komt wat acht verschillende kenmerken betreft in detail overeen met de schoenen die de overvaller droeg. In de aangetroffen Nike-sportschoen is DNA-materiaal aangetroffen, afkomstig van verdachte. De ex-vriendin van verdachte wijst ook de Nike-schoenen overeenkomend met het vorenbedoelde type en die verdachte op een foto van 28 september 2014 draagt op een speeltoestel, aan als de schoenen van verdachte.

Het alarmpistool

Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat de overvaller een patroon heeft afgeschoten met een semi-automatisch gas-/alarmpistool van het kaliber 9mm P.A. Knal. Twee getuigen, [getuige 3] en [getuige 4] , hebben verklaard dat verdachte na de overval in het bezit was van een zwart alarmpistool dat knalpatronen afschoot. Vanwege de gedetailleerdheid van deze getuigenverklaringen gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in het bezit is geweest van een alarmpistool dat tijdens de overval is gebruikt.

Hoewel verdachte heeft ontkend enige betrokkenheid te hebben bij de overval, komt de rechtbank op grond van de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot de slotsom dat wettig en overtuigend is bewezen dat het verdachte is geweest die de bloemisterij heeft overvallen.

Feit 8: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling?

Verbalisant [slachtoffer 8] heeft op 10 januari 2016 in de nachtelijke uren geprobeerd om verdachte na een achtervolging door Oostzaan in de achtertuin van een woning aan de Jacob Corneliszstraat aan te houden. Verdachte heeft daarbij geen gehoor gegeven aan de herhaalde opdracht van verbalisant om zijn handen uit zijn zakken te halen. Verdachte kwam op verbalisant af en schreeuwde meermalen “Wat moet je dan pik. Kom dan”. Verdachte is op een gegeven moment de woning binnengegaan en kwam korte tijd later weer naar buiten, wederom met zijn handen verborgen. Verbalisant en zijn collega hebben verdachte uiteindelijk samen aangehouden. Daarbij heeft verdachte verbalisant [slachtoffer 8] bedreigd door naar hem de woorden te roepen: “Ik onthoud jullie kankerkoppen. Ik pak jullie later nog wel een keer.”

De rechtbank is van oordeel dat deze geuite bedreiging onder de hiervoor geschetste omstandigheden, in combinatie met het bij verbalisant [slachtoffer 8] ambtshalve bekende onberekenbare gedrag van verdachte en de wetenschap dat verdachte te boek staat als vuurwapengevaarlijk en vaak een mes bij zich draagt, bij verbalisant [slachtoffer 8] de redelijke vrees kon doen ontstaan dat hij minstgenomen door toedoen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen. Dit betekent dat de rechtbank bedreiging met zware mishandeling bewezen acht. Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’.

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1

hij op 31 oktober 2014 in de gemeente Oostzaan met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel (bloemisterij) gelegen aan het Zuideinde aldaar heeft weggenomen een geldbedrag van 1.500 euro, toebehorende aan [Bloemisterij] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, genaamd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 2] , allen werkzaam in genoemde winkel, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte in die winkel een knalpistool in de hand heeft genomen en dit heeft gericht op genoemde personen, althans dit heeft getoond, en met dit pistool een schot heeft gelost;

feit 3

hij op 18 oktober 2014 in de gemeente Oostzaan met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij een tankstation gelegen aan de Coentunnelweg (A-8) heeft weggenomen 33,94 liter benzine, toebehorende aan B.P. de Coentunnel;

feit 4

hij op tijdstippen op 25 september 2015 in de gemeente Oostzaan een persoon, genaamd [slachtoffer 5] , en een persoon, genaamd [slachtoffer 6] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak jullie allebei af” en/of “Ik pak een mes en ik steek je neer” en/of “Ik ga je vermoorden” en/of “Ik maak je dood” en een persoon, genaamd [slachtoffer 6] , heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik sla je helemaal in elkaar”;

feit 5

hij op tijdstippen op 25 september 2015 in de gemeente Oostzaan telkens opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 5] , en een persoon, genaamd [slachtoffer 6] , in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem/haar het woord “Kankerzwarte” of “Kankerneger” toe te voegen;

feit 6

hij op 25 september 2015 in de gemeente Oostzaan door bedreiging met geweld een ambtenaar, [slachtoffer 7] , brigadier van politie, werkzaam in de functie van wijkagent Oostzaan bij de Eenheid Noord-Holland, heeft gedwongen tot het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting, door toen en daar die [slachtoffer 7] dreigend mede te delen: “Jij moet stoppen met dat onderzoek naar mij. Als jij dat niet doet, dan pak ik jou”;

feit 7

hij op 12 november 2015 in de gemeente Oostzaan een persoon, genaamd [slachtoffer 6] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 7] , brigadier van de politie Eenheid Noord-Holland, gezegd: “Luister, als ik nog een keer last heb van die zwarte kankerbuurman van mij (waarmee verdachte doelde op genoemde [slachtoffer 6] ), dan snijd ik zijn strot van oor tot oor open”;

feit 8

hij op 10 januari 2016 in de gemeente Oostzaan een persoon, genaamd [slachtoffer 8] , hoofdagent van de politie Eenheid Noord-Holland, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 8] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik onthoud jullie kankerkoppen. Ik pak jullie later nog wel een keer”;

feit 9

hij op 10 januari 2016, omstreeks 01.41 uur, in de gemeente Oostzaan als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmee heeft gereden over de Kolkweg, waar ter plaatse een maximum snelheid gold van 80 kilometer per uur, met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur, en gekomen bij de kruising van die weg met het Zuideinde, toen een driekleurig verkeerslicht rood licht straalde in zijn rijrichting, niet is gestopt, en vervolgens zijn weg heeft vervolgd over het Zuideinde en toen de verlichting van de door hem bestuurde personenauto heeft gedoofd, en vervolgens zonder richting aan te geven rechtsaf de Burgemeester Swartstraat is ingereden, en vervolgens met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden over de Burgemeester Van Leeuwenstraat en de Burgemeester Teerstraat en de Kerkstraat, en vervolgens over het trottoir van de Burgemeester Swartstraat heeft gereden, en vervolgens met wederom een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden over de Burgemeester Bratstraat en op de Begoniastraat een trottoir is opgereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 3

diefstal;

feit 4

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, en

bedreiging met zware mishandeling;

feit 5

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd;

feit 6

door bedreiging met geweld een ambtenaar dwingen tot het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting;

feit 7

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 8

bedreiging met zware mishandeling;

feit 9

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de onder 1 en onder 3 tot en met 8 ten laste gelegde misdrijven zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de onder 9 ten laste gelegde overtreding zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,- en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van één en ander uit het dossier is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op bloemisterij [Bloemisterij] in Oostzaan. Verdachte kwam tegen sluitingstijd de bloemisterij binnen en nam na het lossen van een schot en onder bedreiging van de aanwezigen met een alarmpistool een geldbedrag van € 1.500,- weg. In de bloemisterij waren op dat moment de drie medewerksters aanwezig, alsmede de eigenaar.

Overvallen behoren tot een categorie strafbare feiten die ernstig inbreuk maken op de rechtsorde. Blijkens de slachtofferverklaringen van de drie medewerksters, die zich nabij de toonbank bevonden toen de overval plaatsvond, heeft het handelen van verdachte hun gevoel van veiligheid aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van overvallen zich nog lang onveilig kunnen voelen. Overvallen brengen bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg. Dat verdachte uit kennelijk louter materiële overwegingen heeft gehandeld, is hem ernstig aan te rekenen.

Gelet op de aard en de ernst van dit feit komt slechts een (deels ook) onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking. Voor een overval worden in de regel gevangenisstraffen van lange duur opgelegd. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen hetgeen doorgaans voor een overval met bedreiging met een vuurwapen wordt opgelegd. Verdachte heeft zich behalve aan een dergelijke overval echter ook nog schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten.

Verdachte heeft zijn buren ernstig beledigd en bedreigd. Uit de aangiften is gebleken dat de buren van verdachte zich zijn beledigingen en bedreigingen erg hebben aangetrokken.

Verdachte heeft tevens een verbalisant bedreigd met zware mishandeling. Daarnaast heeft verdachte door bedreiging met geweld een verbalisant getracht te beletten zijn taak uit te oefenen. Verbalisanten handelen ter handhaving van de orde, veiligheid en rust in de samenleving. Dat verdachte zich bedreigend tegen de betreffende verbalisant heeft uitgelaten en een andere verbalisant heeft geprobeerd hem te doen afzien van verder onderzoek, is ernstig en getuigt van gebrek aan respect voor het publieke belang dat opsporingsambtenaren dienen.

Voorts maken deze feiten duidelijk dat verdachte zich snel agressief en gewelddadig kan gedragen. Dat baart de rechtbank zorgen.

Tot slot heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan diefstal van een hoeveelheid benzine en gevaarzetting op de weg.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die onder andere zijn gebleken uit de adviezen van Reclassering Nederland van 26 mei 2016 en 11 juli 2016. Hierin heeft de rechtbank echter geen aanleiding gezien tot strafmatiging of oplegging van een deels voorwaardelijke straf. Daarmee wijkt de rechtbank af van het advies van de reclassering om (tevens) een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarvoor is redengevend dat verdachte nog in een proeftijd loopt van een voorwaardelijke straf met soortgelijke bijzondere voorwaarden als geadviseerd, en de rechtbank geen toegevoegde waarde ziet in het nogmaals opleggen van dergelijke voorwaarden. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte, die niet ter terechtzitting is verschenen en eerder ook niet heeft meegewerkt aan Pro Justitia rapportage, geen blijk heeft gegeven open te staan voor reclasseringscontact.

De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 juni 2017. Daaruit blijkt met name dat verdachte na het plegen van de onderhavige feiten is veroordeeld tot een aanzienlijke gevangenisstraf, waarmee artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Omdat het echter gaat om een veroordeling voor een geheel andersoortig strafbaar feit dan het thans onder 1 bewezenverklaarde, waarvoor oplegging van een langdurige gevangenisstraf is aangewezen, heeft de rechtbank hier in strafmatigende zin weinig rekening mee gehouden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voor de door verdachte begane misdrijven onder 1 en onder 3 tot en met 8, oplegging van een gevangenisstraf als door de officier van justitie gevorderd op zijn plaats is.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor de onder 9 bewezen verklaarde overtreding de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor na te noemen duur. Bij het bepalen van de straf voor deze overtreding heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, te weten in het geval van een first offender, dat verdachte voor dit feit is, een geldboete en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van een aantal maanden. Nu de rechtbank aan verdachte al een langdurige gevangenisstraf zal opleggen, acht zij oplegging van een geldboete niet passend. In plaats daarvan zal de rechtbank een ontzegging van iets langere duur als door de officier van justitie gevorderd, opleggen.

7 Vorderingen van de benadeelde partijen

7.1.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 2.212,88, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 12,88 aan materiële en € 2.200,- aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, te weten de reiskosten naar de psycholoog, rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Deze schadepost, ten aanzien waarvan geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

Vergoeding van de immateriële schade, waartegen evenmin verweer is gevoerd, komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering.

De vordering zal dan ook in haar geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

7.2.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 2.251,57, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 51,57 aan materiële en € 2.200,- aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, te weten de reiskosten naar de psycholoog, rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Deze schadepost, ten aanzien waarvan geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

Vergoeding van de immateriële schade, waartegen evenmin verweer is gevoerd, komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering.

De vordering zal dan ook in haar geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 17,15.

7.3.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 2.220,77, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 20,77 aan materiële en € 2.200,- aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, te weten de reiskosten naar de psycholoog, rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Deze schadepost, ten aanzien waarvan geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

Vergoeding van de immateriële schade, waartegen evenmin verweer is gevoerd, komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering.

De vordering zal dan ook in haar geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 19,56.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 62, 63, 179, 266, 285, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van de onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 bewezen verklaarde misdrijven tot een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt verdachte ter zake van de onder 9 bewezen verklaarde overtreding de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden, met – indien van toepassing – aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 2.212,88 (tweeduizendtweehonderdtwaalf euro en achtentachtig cent), bestaande uit € 12,88 (twaalf euro en achtentachtig cent) als vergoeding voor de materiële en € 2.200,- (tweeduizendtweehonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.212,88 (tweeduizendtweehonderdtwaalf euro en achtentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 2.251,57 (tweeduizendtweehonderdéénenvijftig euro en zevenenvijftig cent), bestaande uit € 51,57 (éénenvijftig euro en zevenenvijftig cent) als vergoeding voor de materiële en € 2.200,- (tweeduizendtweehonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 17,15 (zeventien euro en vijftien cent), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.251,57 (tweeduizendtweehonderdéénenvijftig euro en zevenenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 2.220,77 (tweeduizendtweehonderdtwintig euro en zevenenzeventig cent), bestaande uit € 20,77 (twintig euro en zevenenzeventig cent) als vergoeding voor de materiële en € 2.200,- (tweeduizendtweehonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 19,56 (negentien euro en zesenvijftig cent), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.220,77 (tweeduizendtweehonderdtwintig euro en zevenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Hijink, voorzitter,

mr. S. Jongeling en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 augustus 2017.

Bijlage

[Bijlage]

  • -

    [Bijlage]

  • -

    [Bijlage]

  • -

    [Bijlage]

  • -

    [Bijlage]

  • -

    [Bijlage]