Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7750

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
C/15/252871 / FA RK 16-7643
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onnodige procedure tot vaststelling kinderbijdrage. De vrouw en de man hebben beiden een uitkering krachtens de Participatiewet bij dezelfde gemeente. De gemeente heeft dit gegeven blijkbaar niet getoetst. De advocaten hebben nagelaten bij de gemeente hiernaar te informeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/252871 / FA RK 16-7643

beschikking van 20 september 2017 betreffende bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

in de zaak van:

1 [de vrouw] ,

2. [naam],

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw respectievelijk [naam] ,

advocaat mr. J. de Haan, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P. van Lingen, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 5 december 2016;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 20 januari 2017;

- de brief van de advocaat van de vrouw en [naam] , ingekomen op 29 augustus 2017, met als bijlage onder meer een aangepast verzoekschrift, waaruit blijkt dat [naam] zelfstandig procespartij is omdat zij inmiddels jongmeerderjarig is.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 september 2017 in aanwezigheid mr. J. de Haan namens de vrouw en [naam] , en de man bijgestaan door mr. P. van Lingen. De vrouw noch [naam] zijn verschenen.

1.3

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

De vrouw en de man zijn op [huwelijksdatum] in [plaats] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 11 juni 2015 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 25 februari 2015.

2.2

Vóór het huwelijk zijn geboren de destijds minderjarige [naam] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

alsmede de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .

De man heeft [naam] , [minderjarige] en [minderjarige] erkend. De vrouw en de man zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] en [minderjarige] .

2.3

In voormelde beschikking is bepaald dat:

- [naam] , [minderjarige] en [minderjarige] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;

- het ouderschapsplan dat partijen hebben gesloten, deel uitmaakt van die beschikking en dat volgens dit ouderschapsplan de man aan de vrouw geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam] , [minderjarige] en [minderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) verschuldigd is, omdat bij de man daartoe de draagkracht ontbreekt vanwege zijn afhankelijkheid van bijstand.

3 Verzoek

3.1

De vrouw en [naam] hebben verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man te betalen kinderbijdrage voor [naam] , [minderjarige] en [minderjarige] vast te stellen op € 130,-- per maand per kind, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek is het volgende aangevoerd. Er is geen overleg tussen partijen en een regeling in der minne ligt niet binnen bereik. De huidige draagkracht van de man is onbekend. Aanvankelijk had hij geen werk, maar inmiddels schijnt hij wel te werken. De man weigert echter openheid van zaken te geven en staat evenmin open voor overleg. De man heeft niet gereageerd op een brief van de advocaat van de vrouw en [naam] . Van enige zorg van de man voor [naam] , [minderjarige] en [minderjarige] is geen sprake, zodat zorgkorting niet aan de orde is.

4 Verweer

4.1

De man heeft verweer gevoerd en verzocht de vrouw en [naam] niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek, althans dat verzoek af te wijzen.

4.2

De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt het volgende aangegeven. Zijn huidige situatie is niet gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de echtscheiding in die zin dat hij geen draagkracht heeft. Hij ontvangt nog steeds een bijstandsuitkering. Hij is afgekeurd wegens gezondheidsproblemen aan rug en benen en hij heeft om deze reden ook geen sollicitatieplicht. Sinds september 2016 verricht hij soms wat werkzaamheden voor het bedrijf van een kennis, te weten [bedrijf] . Die werkzaamheden bestaan uit het begeleiden van het personeel van deze kennis bij het verwerken van vis. Voor een periode van zeven maanden, van 1 september 2016 tot 1 april 2017, is de man daartoe een 0-urencontract aangegaan. Deze werkzaamheden zijn niet meer dan drie uur per week vanwege voormelde gezondheidsproblemen. De gemiddelde inkomsten bedragen € 80,-- netto per maand, welke inkomsten worden verrekend met zijn bijstandsuitkering, zodat hij er per saldo niet op vooruit gaat.

Partijen hebben samen een grote schuld van € 100.000,-- aan de gemeente [plaats] . De man lost daarop af met € 70,-- per maand.

De man heeft geen contact met [naam] en [minderjarige] , maar wel met [minderjarige] . Daarvoor worden kleine onkosten gemaakt.

5 Beoordeling

5.1

Mr. De Haan heeft namens de vrouw en [naam] ter zitting nog het volgende verklaard. De vrouw ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een aanvullende bijstandsuitkering. De vrouw ging ervan uit dat de man aan het werk was en inkomen genereerde. De man had daarvan geen stukken gestuurd toen daarom gevraagd werd. Daarom is zijdens de vrouw een verzoekschrift ingediend. Uit de thans voorhanden stukken blijkt dat de man een uitkering krachtens de Participatiewet ontvangt.

5.2

De man heeft ter zitting nog het volgende aangegeven. De financiële situatie is niet gewijzigd in die zin dat de man nog steeds een bijstandsuitkering ontvangt. Omdat de viswinkel vorige maand een andere eigenaar heeft gekregen, is de man overigens gestopt met die werkzaamheden. De vrouw is voor de berekening van de behoefte uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 1.875,-- per maand. Dat is onjuist, omdat partijen toen ook al allebei een bijstandsuitkering ontvingen.

5.3

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast. De vrouw heeft het verzoekschrift ingediend, omdat de gemeente [plaats] haar daartoe opdracht had gegeven, gelet op het feit dat zij een (aanvullende) uitkering krachtens de Participatiewet ontvangt. De man heeft gedurende een relatief korte periode enkele werkzaamheden verricht bij een kennis. Die werkzaamheden waren vanwege de gezondheidsproblemen van de man beperkt tot enkele uren per week. De inkomsten die de man daarmee genereerde werden telkens verrekend met zijn bijstandsuitkering, die hij van de gemeente [plaats] ontvangt. Inmiddels zijn die werkzaamheden beëindigd.

5.4

Met inachtneming van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de huidige financiële positie van de man niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de echtscheiding in 2015. De man had destijds een bijstandsuitkering en ook thans heeft de man een dergelijke uitkering. Daarmee wordt de man niet in staat geacht enige onderhoudsbijdrage van betekenis te betalen. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

5.5

Tenslotte overweegt de rechtbank nog dat de onderhavige procedure achterwege had kunnen blijven, omdat de gemeente [plaats] als uitkerende instantie op de hoogte zou moeten zijn van de financiële positie van zowel de vrouw als de man. Nu de gemeente [plaats] kennelijk deze toets niet doet, had het logisch geleken dat (één van) de advocaten contact had opgenomen met de gemeente. Ook dat is kennelijk niet gebeurd.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

wijst het verzoek van de vrouw en [naam] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.