Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7721

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4724
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nieuw feit rechtvaardigt navorderingsaanslag

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2209
V-N 2018/7.2.3
Viditax (FutD), 21-09-2017
FutD 2017-2340 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/2679 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/4724

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2017 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eisers

(gemachtigde: drs. R.K. Zoethout),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op naam van mevrouw [A] (erflaatster) voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017 te Haarlem.

Namens eisers is verschenen [B] , bijgestaan door zijn gemachtigde

drs. R.K. Zoethout. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Lodder en mr. K. Soekhlal.

Overwegingen

Feiten

1. Erflaatster is geboren op [A DATUM] en overleden op [B DATUM] . Zij was in algehele gemeenschap gehuwd met [B] (de echtgenoot en/of eiser). Erflaatster heeft haar echtgenoot tot erfgenaam benoemd.

2. Tot de gemeenschap van goederen behoorden alle aandelen in [A BEDRIJF] B.V. (de BV). De BV heeft als doel ‘het uitoefenen van het beroep van accountant-administratieconsulent met inachtneming van alle daarop van toepassing zijnde regels; het deelnemen in, het voeren van beheer over, het financieren van andere ondernemingen en vennootschappen.’ Het aantal werknemers per einde boekjaar 2010 bedraag 0 (2009:1). De BV beheert de pensioenaanspraak van de echtgenoot. De akte van oprichting van de BV werd notarieel gepasseerd op 27 maart 1997. De verkrijgingsprijs van de aandelen is

€ 18.000.

3. Aan de echtgenoot is voor het belastingjaar 2010 een specifiek aangiftebiljet inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) in verband met overlijden uitgereikt, een zogenoemd F-biljet. Tevens is om een aangifte erfbelasting verzocht. De echtgenoot heeft op 28 maart 2011 namens erflaatster een regulier aangiftebiljet ingediend. In die aangifte is geen inkomen aangegeven en is de rubriek “het gehele jaar gehuwd J” aangekruist en is tevens aangegeven dat sprake is van een aanmerkelijk belang.

De echtgenoot heeft op diezelfde datum ook zijn eigen aangifte ib/pvv over 2010 ingediend waarin hij de rubriek “het gehele jaar gehuwd J” heeft aangekruist en waarin hij heeft aangegeven dat sprake is van een aanmerkelijk belang.

4. De aanslag ib/pvv ten name van eiseres is op 21 september 2011 vastgesteld en berekend naar een verzamelinkomen van nihil.

5. Verweerder heeft eiser op 10 februari 2015 vragen gesteld over het niet aangeven van winst uit aanmerkelijk belang in verband met een (fictieve) vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen ten gevolge van het overlijden van erflaatster.

6. Daarop heeft eiser op 23 maart 2015 gereageerd. In die reactie is opgenomen, voor zover van belang:

“(…)

Op het moment van overlijden van zijn echtgenote dreef cliënt vanuit [A BEDRIJF] B.V. een onderneming. De omzet die cliënt uit de onderneming genereerde was in de periode dat mevrouw leed aan kanker gedaald omdat cliënt genoodzaakt was zich intensief bezig te houden met de verzorging van mevrouw, maar in die periode inclusief het hier relevante moment van overlijden van mevrouw had cliënt de intentie en wil om de onderneming te blijven drijven. De bv voldeed hierbij aan de criteria die gelden voor ondernemerschap, te weten:

  1. er is sprake van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid,

  2. die deelneemt aan het economische verkeer, en

  3. die winst beoogt, of waarbij winst redelijkerwijs valt te verwachten.

Bovendien worden privaatrechtelijke rechtspersonen zoals de bv bij fictie geacht met hun gehele vermogen een onderneming te drijven.

Op grond van artikel 4.17a lid 1 Wet IB 2001 is hier dus geen sprake van een fictieve vervreemding in de zin van artikel 4.16 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001 en heeft cliënt gemeend dit niet te hoeven aangeven in de aangifte inkomstenbelasting van zijn echtgenote.(…)”

7. Op 16 april 2015 heeft verweerder zijn voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag ib/pvv over 2010 ten name van erflaatster aan eiser kenbaar gemaakt. Eiser heeft daarop gereageerd en onder meer gesteld dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt.

8. In een telefoongesprek tussen partijen heeft eiser een compromisvoorstel gedaan inhoudende het akkoord met het opleggen van een navorderingsaanslag, mits er geen heffingsrente in rekening zou worden gebracht en mits alsnog artikel 4.12a van de

Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zou worden toegepast. Ook wordt een beroep gedaan op het overgangsrecht dat gold tot 31 december 2014, zoals neergelegd in het besluit van 17 september 2014, BLKB 2014/1321M.

9. Verweerder heeft dit compromisvoorstel afgewezen omdat een dergelijke afspraak in strijd zou zijn met de wet. Met dagtekening 22 augustus 2015 is de navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een inkomen uit aanmerkelijk belang, tevens verzamelinkomen, van € 128.343. Dit is het vervreemdingsvoordeel uitgaande van een verkrijgingsprijs van

€ 9.000 en een overdrachtsprijs van € 137.343.

Geschil
10. In geschil is of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en zo ja, of recht op doorschuiving ex artikel 4.17a. eerste lid, van de Wet IB 2001 bestaat en/of alsnog een verzoek ex artikel 4.12a van de Wet IB 2001 kan worden gedaan.

Beoordeling van het geschil

Nieuw feit

11. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (Awr) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

12. Volgens vaste rechtspraak (vergelijk onder meer de uitspraak van 21 juli 2016 van de rechtbank Zeeland-West Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2016:5738) mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. De Hoge Raad spreekt ook van ‘een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’. Met andere woorden, de inspecteur is alleen dan verplicht de aangifte op een punt nader te onderzoeken wanneer het onwaarschijnlijk is dat de aangifte op dit punt juist is.

13. In het onderhavige geval mocht de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van de juistheid van de aangifte ib/pvv over 2010 nu de aangifte een verzorgde indruk maakte en de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openliet juist te zijn.

Gelet op de aard en de hoogte van de inkomsten zoals vermeld in de aangifte en het feit dat de echtgenoot heeft verklaard dat hij de aangifte stellig en zonder voorbehoud heeft ingevuld, behoefde verweerder na normale zorgvuldige kennisneming van de aangifte geen nadere gegevens en informatie in te winnen alvorens de primitieve aanslag vast te stellen.

14. Anders dan de casus die speelde in de door de echtgenoot aangehaalde uitspraak van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:371) was in dit geval geen sprake van één enkel signaal dat blijkbaar reeds voldoende was voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag. Verweerder heeft immers vragen gesteld over de inhoud van de aangifte ib/pvv over 2010 en er is ook overigens meermalen gecorrespondeerd voordat hij de navorderingsaanslag heeft vastgesteld.

15. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de inspecteur toch op de hoogte was van het overlijden van erflaatster, overweegt de rechtbank als volgt. Voor de inspecteur bestaat niet de verplichting tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor de echtgenoot of voor andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen welke voor het regelen van bedoelde aanslag van belang zijn (vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166).

Het gaat in het algemeen te ver om de eis te stellen dat verweerder, bij de regeling van de aanslag ib/pvv over het jaar van overlijden van een erflaatster, het dossier voor de aanslag erfbelasting of de aangifte van de echtgenoot moet raadplegen. Derhalve is het niet-raadplegen van het dossier aangaande de aanslag erfbelasting of de aangifte van de echtgenoot hem niet als een ambtelijk verzuim aan te rekenen. In dit verband merkt de rechtbank ook nog op dat de kennis van de inspecteur die de aangifte erfbelasting van erflaatster heeft geregeld, niet wordt toegerekend aan de inspecteur die de aanslag ib/pvv over 2010 van erflaatster regelt. Voor het antwoord op de vraag of een nieuw feit aanwezig is, is slechts van belang of de inspecteur of een persoon voor wiens handelen hij verantwoordelijk is met dat feit bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn (vgl. HR 29 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2235, BNB 1998/108 en HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151, BNB 2004/62).

Doorschuiving ex artikel 4.17a van de Wet IB 2001

16. Nu sprake is van een nieuw feit dat de navorderingsaanslag rechtvaardigt ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of recht bestaat op toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17a van de Wet IB 2001.

17. Aangezien de aandelen in de BV deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap tussen erflaatster en haar echtgenoot, was erflaatster voor de onverdeelde helft van de aandelen aanmerkelijkbelanghouder (vgl. HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, BNB 2007/15). Ten gevolge van het overlijden van erflaatster was sprake van een fictieve vervreemding van haar helft van de aandelen op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 4.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt het vervreemdingsvoordeel gesteld op het verschil tussen de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs van de aandelen. Daarbij wordt de overdrachtsprijs op grond van artikel 4.22, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaald op de waarde in het economische verkeer.

18. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001 is evenwel geen sprake van een vervreemding voor het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben. Ter zitting heeft de echtgenoot het nadere standpunt ingenomen dat er geen sprake is van het drijven van een onderneming, zodat de vraag of een beroep kan worden gedaan op artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001 geen behandeling behoeft.

Verzoek artikel 4.12a van de Wet IB 2001

19. Ingeval aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht zijn verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater (m/v) inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen op verzoek, in afwijking van artikel 4.12 Wet IB 2001, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen of winstbewijzen. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij de erflater ingevolge artikel 2.8 van de Wet IB 2001 als te conserveren inkomen is aangemerkt en waarvoor ten tijde van het genieten van de reguliere voordelen nog uitstel van betaling loopt, buiten beschouwing.

20. Voornoemd artikel wordt toegepast op verzoek van de erfgenamen van erflaatster en ziet op dividenduitkeringen die de erfgenamen genieten. Gelet op het feit dat deze bepaling betrekking heeft op de aangiften van de erfgenamen in plaats van de aangifte van erflaatster kan de toepassing van deze bepaling in deze procedure niet aan de orde komen.

Heffingsrente

21. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekende heffingsrente. Ook overigens is niet gebleken dat de rente ten onrechte of in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr in rekening is gebracht.

22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Gooijer, voorzitter, mr. B. van Walderveen en

mr. A.A. Fase, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017.

griffier voorzitter

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te tekenen. In zijn plaats tekent de oudste rechter.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.