Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7719

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
15/700383-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval. Vrijspraak primair tenlastegelegde artikel 6 WVW. Bewezen is verklaard artikel 5 WVW. GB 500 euro/10 dagen, geheel voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0777

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700383-16

Uitspraakdatum: 21 september 2017

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 september 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,

[adres 1] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie
mr. A.S. Heij en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.C. Daniëls, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 22 december 2015 te Wijdenes, gemeente Drechterland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, merk Citroën, kenteken [kenteken 1] ), daarmede rijdende over de weg, de provincialeweg N506 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, gedurende de nacht achteruit rijdend uit een aan de noordzijde van die weg gelegen uitrit naar de rijbaan van de N506 te rijden en/of de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer (gedeeltelijk) op te rijden, in elk geval zijn motorrijtuig zodanig te draaien, dat de koplampen in de richting van die rijstrook gingen schijnen, zonder dat hij zich er daarvoor in voldoende mate van had vergewist, dat hij deze manoeuvre kon gaan uitvoeren en/of voltooien zonder overige weggebruikers van die N506 in gevaar te brengen, waardoor een hem op die rijstrook tegemoet rijdende bestuurder van een personenauto, (merk Mazda, kenteken [kenteken 2] plotseling geconfronteerd werd met de aanwezigheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig met tegemoet schijnende koplampen, waardoor die bestuurder (van de Mazda) zich genoodzaakt achtte abrupt naar -gezien diens rijrichting- links uit te wijken, waarna die bestuurder (van de Mazda) de controle over zijn voertuig is kwijtgeraakt en is opgebotst of aangereden tegen een of meer aan de noordzijde van die weg staande bo(o)m(en) en/of daarna -zonder verlichting en 180 graden geroteerd- tot stilstand is gekomen op de eerder door hem bereden rijstrook, waarna een (frontale) botsing of aanrijding is ontstaan tussen zijn (onverlichte en geroteerde) personenauto (Mazda) en een aldaar op die rijstrook (tegemoet) rijdende personenauto (merk Renault), door welke (tweede) botsing of aanrijding die (geroteerde) personenauto (Mazda) in een sloot aan de noordzijde van die weg terecht is gekomen,

ten gevolge van welke botsing(en) en/of aanrijding(en) aan de bestuurder van die personenauto (Mazda), genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, (te weten een incomplete dwarslaesie, een gebroken nek en twee gebroken ribben), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 december 2015 te Wijdenes, gemeente Drechterland, als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Citroën, kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg, de provincialeweg N506, gedurende de nacht achteruit rijdend uit een aan de noordzijde van die weg gelegen uitrit naar de rijbaan van de N506 is gereden en/of de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer (gedeeltelijk) op is gereden, in elk geval zijn motorvoertuig zodanig heeft gedraaid, dat de koplampen in de richting van die rijstrook gingen schijnen, zonder dat hij zich er daarvoor in voldoende mate van had vergewist, dat hij deze manoeuvre kon gaan uitvoeren en/of voltooien zonder overige weggebruikers van die N506 in gevaar te brengen, waardoor een hem op die rijstrook tegemoet rijdende bestuurder van een personenauto, (merk Mazda, kenteken [kenteken 2] plotseling geconfronteerd werd met de aanwezigheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig met tegemoet schijnende koplampen, waardoor die bestuurder (van de Mazda) zich genoodzaakt achtte abrupt naar -gezien diens rijrichting- links uit te wijken, waarna die bestuurder (van de Mazda) de controle over zijn voertuig is kwijtgeraakt en is opgebotst of aangereden tegen een of meer aan de noordzijde van die weg staande bo(o)m(en) en/of daarna -zonder verlichting en 180 graden geroteerd- tot stilstand is gekomen op de eerder door hem bereden rijstrook, waarna een (frontale) botsing of aanrijding is ontstaan tussen zijn (onverlichte en geroteerde) personenauto (Mazda) en een aldaar op die rijstrook (tegemoet) rijdende personenauto (merk Renault), door welke botsing of aanrijding die (geroteerde) personenauto (Mazda) in een sloot aan de noordzijde van die weg terecht is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, namelijk overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), met dien verstande dat de gedragingen van verdachte naar de mening van de officier van justitie moeten worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op grond van de inhoud van het dossier, waaronder de verkeersongevalsanalyse (VOA), niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat de exacte positie was van het voertuig van verdachte op het moment dat het slachtoffer uitweek. Naar de mening van de raadsvrouw kan niet worden bewezen dat verdachte op dat moment de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer op de N506 al (gedeeltelijk) zou zijn opgereden. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat verdachte dit heeft ontkend en gesteld dat verdachte met zijn voertuig binnen de naast de weg gelegen “parkeerhaven” is gebleven. Uit het dossier blijkt niet dat het doorgaande verkeer, in het bijzonder het slachtoffer, door (de positie van) het voertuig van verdachte werd belemmerd of gehinderd. Naar de mening van de raadsvrouw is sprake geweest van een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar kan niet worden bewezen dat verdachte zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW 1994. Nu niet kan worden vastgesteld dat het uiteindelijk bij het slachtoffer geconstateerde letsel het directe gevolg is van het handelen van verdachte, dient ook om die reden vrijspraak van het primair tenlastegelegde te volgen. De raadsvrouw heeft er in dat verband op gewezen dat het waarschijnlijker is dat dit letsel een gevolg is geweest van het feit dat een andere auto, bestuurd door de getuige [getuige] , tegen de auto van het slachtoffer is aangereden.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op de weg heeft gehinderd, althans dat door het handelen van verdachte dit zou kunnen gebeuren. Ook in dit verband heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte niet met zijn voertuig op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer is gekomen. Voorts heeft de raadsvrouw gesteld dat het enkele feit dat de koplampen van het voertuig van verdachte in de richting van het tegemoetkomende verkeer hebben geschenen, niet een overtreding van artikel 5 WVW 1994 kan opleveren.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte op 22 december 2015 omstreeks 04.15 uur, als bestuurder van een bestelauto, een krant heeft bezorgd op het adres [adres 2] . Dit adres is gelegen buiten de bebouwde kom, aan de N506, een 80km-weg, bestaande uit twee rijstroken, die van elkaar zijn gescheiden door een doorbroken witte streep. Aan weerszijden van de weg bevinden zich eveneens witte strepen. Voorts bevindt zich aan de zijde van [adres 2] een rij bomen. Ter plaatse is geen straatverlichting aanwezig. Ten tijde van de gebeurtenissen was het donker en regenachtig, het wegdek was nat/vochtig. Verdachte is, komende uit de richting van Hoorn, met zijn voertuig linksaf geslagen en met de voorzijde van zijn voertuig de inrit van [adres 2] ingereden. Verdachte is daar tot stilstand gekomen en heeft vanuit zijn auto, door het geopende raam aan de bestuurderszijde, de krant in de brievenbus gedaan. Vervolgens is verdachte met zijn voertuig achteruit gereden. Verdachte wilde zijn weg vervolgen over de N506, in de richting van Enkhuizen. Verdachte is bij het achteruit rijden om een zogenoemde vuilcontainer/kliko heengereden. Op een gegeven moment zag verdachte het voertuig van het slachtoffer, komende uit de richting van Enkhuizen. Hij is toen gestopt.

Op basis van de resultaten van de VOA en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 september 2017 stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op dat moment in ieder geval met het rechterachterwiel van de auto op de streep van de rijbaan stond. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de vuilcontainer op een gegeven moment dicht naast de bestuurdersdeur van zijn bestelauto was, zo dicht dat hij die deur toen niet zou hebben kunnen openen. Voorts heeft verdachte toen hem (als eerste) de bovenste foto op pagina 43 van het dossier werd getoond, verklaard dat hij inderdaad zo stond als op die foto afgebeeld. De rechtbank ziet op die foto dat het rechterachterwiel van de bestelauto op de witte streep staat en dat een deel van de bestelauto zich op/boven de weg bevindt.

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij, bij wijze van “uitwijkmanoeuvre”, naar links heeft gestuurd. Uit onderzoek is gebleken dat het slachtoffer vervolgens de macht over het stuur moet hebben verloren, dat hij met zijn voertuig tegen een of meer bomen terecht is gekomen, waarna hij, met de voorkant van zijn voertuig in de richting van Enkhuizen (dus geroteerd), weer op de weg is gekomen. Vervolgens is bestuurder/getuige [getuige] met zijn voertuig frontaal tegen de auto van het slachtoffer aangereden.

3.3.2

Vrijspraak primair ten laste gelegde feit

Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW 1994 te kunnen komen, moet worden bewezen dat een verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” houdt daarbij in dat minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte niet van dien aard en ernst is geweest dat bewezen is dat verdachte (ten minste) aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld. Verdachte is gestopt toen hij het voertuig van het slachtoffer zag en is stil blijven staan totdat dit hem gepasseerd was. Het voertuig van verdachte bevond zich deels op/boven de rijbaan, maar verdachte heeft verder geen andere fout gemaakt. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende duidelijk is geworden of (het licht uit) de koplampen van het voertuig van verdachte van invloed (is) zijn geweest op de gebeurtenissen. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, zodat het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

3.3.3

Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde feit

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. Naar onder 3.3.1 is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de auto van verdachte met zijn rechterachterwiel op de streep stond en dat een gedeelte van die auto – met onder andere het licht uitstralende rechterachterlicht – zich op/boven de voor het tegemoetkomende verkeer bedoelde rijstrook bevond. De rechtbank is van oordeel dat door deze gedraging van verdachte, verricht om 04.15 uur, onder de omstandigheden als eerder geschetst, gevaar op de weg kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op de weg kon worden gehinderd.

Steun hiervoor ontleent de rechtbank aan de bevindingen van de verbalisanten die de zogenaamde dynamische rijproef hebben verricht. Zij relateren immers dat ondanks dat zij bekend waren met de situatie die zou ontstaan, zij tijdens die rijproef schrokken van de plots opdoemende Citroën, de auto die in die proef de auto van verdachte voorstelde.

De rechtbank heeft op basis van de stukken niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen of op 22 december 2015 daadwerkelijk gevaar op de weg is veroorzaakt en/of daadwerkelijk verkeer op de weg is gehinderd. Dit, omdat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk is gebleven waarom het slachtoffer zijn manoeuvre naar links heeft gemaakt.

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Subsidiair

hij op 22 december 2015 te Wijdenes, gemeente Drechterland, als bestuurder van een voertuig, bestelauto, merk Citroën, kenteken [kenteken 1] , daarmee rijdende op de weg, de Provincialeweg N506, gedurende de nacht achteruit rijdend uit een aan de noordzijde van die weg gelegen uitrit naar de rijbaan van de N506 is gereden en de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer gedeeltelijk op is gereden, zonder dat hij zich er daarvoor in voldoende mate van had vergewist dat hij deze manoeuvre kon gaan uitvoeren en voltooien zonder overige weggebruikers van die N506 in gevaar te brengen,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

Hetgeen aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte had anders kunnen en ook moeten handelen, bijvoorbeeld door eerder te letten op mogelijk tegemoetkomend verkeer of door bij het zien van dergelijk verkeer een stukje naar voren te rijden op de inrit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van negentig (90) uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name ook met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn nieuwe baan als vrachtwagenchauffeur. Mocht de rechtbank een geldboete opleggen, heeft de raadsvrouw verzocht termijnbetaling toe te staan.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, als bestuurder van een bestelbus, in het verkeer potentieel gevaarzettend gedragen door, terwijl het donker was, de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer gedeeltelijk op te rijden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd. Het gaat hierbij om een overtreding, en niet om een misdrijf.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 2 augustus 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, waardoor de rechtbank tot een andere strafoplegging zal komen dan is gevorderd.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van na te noemen hoogte moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze geldboete vooralsnog niet hoeft te worden voldaan en zal daaraan een proeftijd verbinden, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Mede gelet op het tijdverloop acht de rechtbank een proeftijd van slechts één jaar aangewezen.

7 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 75.000,- ingediend tegen verdachte, bestaande uit immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast is € 949,12 als vergoeding van proceskosten (advieskosten i.v.m. voeging advocaat) gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit en wat betreft het subsidiair ten laste gelegde feit (enkel) is bewezen verklaard dat – voor zover hier van belang – gevaar kon worden veroorzaakt en/of verkeer kon worden gehinderd. Naar het oordeel van de rechtbank is van rechtstreekse schade zoals bedoeld in de wet dan ook geen sprake.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien (10) dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 september 2017.

mr. L.A. Spoelstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.