Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7646

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
6083555 AO VERZ 17-77 en 6095789 AO VERZ 17-79
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet vernietigd, voorwaardelijk ontbindingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1202

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknrs./rolnrs.: 6083555 AO VERZ 17-77 en 6095789 AO VERZ 17-79

Uitspraakdatum: 26 september 2017

Beschikking in de zaken:

6083555 AO VERZ 17-77 (hierna te noemen: zaak 17-77)

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde: mr. J. de Haan

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Menzies World Cargo (Amsterdam) B.V.

gevestigd te Schiphol

verwerende partij

gemachtigde: mr. L.M. van der Sluis

6095789 AO VERZ 17-79 (hierna te noemen: zaak 17-79):

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Menzies World Cargo (Amsterdam) B.V.

gevestigd te Schiphol

verwerende partij

gemachtigde: mr. L.M. van der Sluis

tegen

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde: mr. J. de Haan

1 Het procesverloop

in zaak 17-77:

1.1.

[werknemer] heeft op 19 juni 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. Menzies heeft daarop gereageerd bij verweerschrift met producties.

in zaak 17-79:

1.2.

Menzies heeft op 23 juni 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. [werknemer] heeft daarop gereageerd bij verweerschrift met producties.

in beide zaken:

1.3.

Ter zitting van 29 augustus 2017 zijn beide zaken gelijktijdig behandeld. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

in beide zaken:

2.1.

[werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1971, is voor het eerst bij Menzies komen werken in 1994, waarna hij op 1 december 1997 zelf ontslag heeft genomen.

2.2.

Vervolgens is [werknemer] op 10 november 1999 weer bij Menzies in dienst getreden.

2.3.

[werknemer] vervulde laatstelijk de functie van Warehouse Agent.

2.4.

Het salaris van [werknemer] bedroeg laatstelijk € 2.302,02 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en onregelmatigheidstoeslag.

2.5.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO van Cargo Service Center Nederland B.V. van toepassing.

2.6.

In de ochtend van 26 mei 2017, aan het einde van de nachtdienst, heeft een incident plaatsgevonden tussen [werknemer] en zijn collega [collega] . In verband daarmee heeft Menzies diezelfde ochtend aan [werknemer] mondeling medegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang is geschorst, hetgeen zij aan [werknemer] heeft bevestigd bij brief van 26 mei 2017. In deze brief is vermeld dat aanleiding voor de schorsing de ‘vechtpartij’ is die tussen [werknemer] en [collega] heeft plaatsgevonden op bovengenoemde ochtend van 26 mei 2017.

2.7.

Na een gesprek op 29 mei 2017 over voornoemd incident met [general manager HR] (General Manager Human Resources), [cargo manager] (Cargo Manager) en [duty manager] (Duty Manager) van Menzies en het horen van een aantal medewerkers, heeft Menzies de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op 29 mei 2017 met onmiddellijke ingang opgezegd. Dit ontslag op staande voet is bij brief van 29 mei 2017 aan [werknemer] bevestigd. In deze brief is vermeld dat de dringende reden voor ontslag ligt in het feit dat [werknemer] tijdens de nachtdienst van donderdag op vrijdag 26 mei 2017 fysiek geweld heeft toegepast bij een collega ( [collega] ). Het toepassen van agressie en fysiek geweld ziet Menzies naar zij in deze brief aangeeft als een zeer ernstige overtreding en als een dermate ernstige breuk in het vertrouwen dat van haar niet meer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

2.8.

Bij brief van zijn gemachtigde van 2 juni 2017 heeft [werknemer] bezwaar gemaakt tegen het gegeven ontslag op staande voet en heeft hij zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

2.9.

Menzies heeft het gegeven ontslag op staande voet gehandhaafd.

2.10.

Ook [collega] is door Menzies (aanvankelijk) op staande voet ontslagen. Nadien heeft Menzies echter een vaststellingsovereenkomst met hem gesloten, zonder toekenning van enige vergoeding en zonder inachtneming van de opzegtermijn. [collega] is inmiddels elders op Schiphol bij een andere werkgever werkzaam.

3 De verzoeken en de verweren

in zaak 17-77:

3.1.

[werknemer] verzoekt, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

- voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door opzegging wegens een dringende reden is geëindigd;

- het op 29 mei 2017 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen;

- veroordeling van Menzies tot blijvende wedertewerkstelling;

- veroordeling van Menzies tot doorbetaling van het loon vanaf 29 mei 2017 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging voor zover het loon te laat is voldaan;

subsidiair: te bepalen dat aan [werknemer] toekomt:

- een bedrag ad € 11.540,48 aan gefixeerde schadevergoeding,

- een transitievergoeding ad (na aanpassing van het verzoek ter zitting) € 23.098,75 bruto,

- een billijke vergoeding ad € 15.000,- bruto,

althans enig ander bedrag dat de kantonrechter billijk acht;

een en ander met veroordeling van Menzies in de proceskosten.

3.2.

Tevens verzoekt [werknemer] de kantonrechter ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding, namelijk – kort gezegd - Menzies te veroordelen [werknemer] onmiddellijk toe te laten tot zijn werkzaamheden en de terreinen en gebouwen van Menzies, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat Menzies dit nalaat en onder doorbetaling van het loon vanaf 29 mei 2017.

3.3.

[werknemer] legt – kort weergegeven – het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag.

Het ontslag op staande voet is ten onrechte gegeven, nu hieraan geen dringende reden ten grondslag ligt. Er is geen sprake geweest van een echte vechtpartij tussen hem en [collega] , maar van een uit de hand gelopen discussie over het werk. [werknemer] was geïrriteerd over de opstelling van [collega] , waarna er, toen er eerst over en weer koffie op elkaars kleding terecht was gekomen, aan beide kanten wat is geduwd en getrokken. [werknemer] erkent weliswaar [collega] op enig moment in bedwang te hebben gehouden door hem tegen een bureau aan te drukken, maar klappen zijn er niet gevallen en niemand heeft letsel opgelopen. [werknemer] sluit niet uit dat mensen van het gebeurde geschrokken zijn, maar niemand heeft zich daarvoor onder behandeling hoeven stellen. Een waarschuwing of disciplinaire schorsing van [werknemer] zou hebben volstaan. Het gegeven ontslag op staande voet is disproportioneel, mede gelet op de lange, onberispelijke staat van dienst van [werknemer] en zijn persoonlijke omstandigheden. In dat verband wijst [werknemer] er op dat hij vader is van 5 kinderen, dat hij kostwinner is, dat hij 45 jaar oud is en nooit ergens anders dan bij Menzies heeft gewerkt, dat hij spanningen ondervindt wegens de geestesgesteldheid van zijn dementerende moeder en dat zijn beheersing hem slechts die ene keer in de steek heeft gelaten wegens stress en oververmoeidheid. Deze oververmoeidheid heeft hij via de bedrijfsarts bij Menzies aangekaart, maar Menzies heeft hem te verstaan gegeven dat hij niet minder kon werken. Subsidiair heeft [werknemer] recht op de door hem verzochte vergoedingen.

3.4.

Menzies verweert zich tegen de verzoeken van [werknemer] . Zij voert - samengevat – het volgende aan. Het ontslag op staande voet is terecht gegeven. De situatie was namelijk ernstiger dan [werknemer] doet voorkomen. [collega] heeft jegens assistant-dutymanager [assistent-dutymanager] (hierna: [assistent-dutymanager] ) verklaard door [werknemer] in het gezicht te zijn geslagen. Bovendien heeft [werknemer] , naar medewerker [medewerker] heeft verklaard, koffie of thee in het gezicht van [collega] gegooid, waardoor de situatie is geëscaleerd. [werknemer] heeft [collega] bij de keel gepakt en de vechtenden moesten door maar liefst twee collega’s uit elkaar worden gehaald. Nadat [collega] was weggelopen heeft [collega] een schroevendraaier gepakt om zichzelf tegen [werknemer] te beschermen. Dat niemand letsel heeft opgelopen is niet doorslaggevend. [werknemer] weet of behoort te weten dat binnen de organisatie van Menzies geweld of agressief gedrag niet wordt getolereerd. De persoonlijke omstandigheden van [werknemer] komen voor zijn eigen rekening. Overigens heeft [werknemer] zelf een aanbod van Menzies om parttime te gaan werken afgewezen, omdat hij niet in het weekend wilde werken aangezien zijn echtgenote in het weekend werkt. Zo [werknemer] al oververmoeid was is dit niet door het werk veroorzaakt. Voor het geval de gefixeerde schadevergoeding toewijsbaar mocht zijn doet Menzies een beroep op matiging daarvan. Bovendien is zij geen transitievergoeding of billijke vergoeding aan [werknemer] verschuldigd, nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] .

in zaak 17-79:

3.5.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst met [werknemer] nog mocht bestaan, verzoekt Menzis deze, op basis van de in zaak 17-77 aangevoerde feiten en omstandigheden, dadelijk te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3 BW, primair onderdeel e (verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] ), subsidiair onderdeel g (een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding) en meer subsidiair onderdeel h (andere omstandigheden die zodanig zijn dat van Menzies in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren), een en ander met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten. Herplaatsing van [werknemer] is volgens Menzies niet mogelijk, nu het vertrouwen in [werknemer] onherstelbaar is geschaad. Op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 7 onder c BW heeft [werknemer] geen recht op toekenning van de transitievergoeding.

3.6.

[werknemer] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Hij stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval het ontbindingsverzoek wordt toegewezen, verzoekt [werknemer] subsidiair om toekenning van de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding zoals hierboven vermeld, met veroordeling van Menzies in de proceskosten.

4 De beoordeling

in zaak 17-77:

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat [werknemer] het verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder a onderdeel 2 BW, tijdig heeft ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst (volgens Menzies) is geëindigd. De arbeidsovereenkomst is immers (in de visie van Menzies) geëindigd op 29 mei 2017 en het verzoek is op 19 juni 2017 ontvangen.

4.2.

Allereerst dient te worden beoordeeld of het op 29 mei 2107 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Op grond van het bepaalde in artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Niet in geschil is dat Menzies de arbeidsovereenkomst op 29 mei 2017 onverwijld heeft opgezegd en dat zij de reden van het ontslag onverwijld aan [werknemer] heeft medegedeeld. Ter discussie staat of sprake is van een dringende reden voor het op 29 mei 2017 gegeven ontslag op staande voet.

4.3.

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 12 februari 1999 ECLI:NL:HR:1999:ZC2849) moeten bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

4.4.

Uit de door Menzies als productie 3 bij het verweerschrift overgelegde getuigenverslagen van een aantal bij het incident aanwezige medewerkers van Menzies (waaronder de verslagen van de verklaringen van [werknemer] en [collega] zelf) komt naar voren dat [werknemer] [collega] in het voorbijgaan een duw heeft gegeven, waarbij [collega] de inhoud van de beker koffie of thee die hij in zijn hand hield over zich heen heeft gekregen. In reactie daarop heeft [collega] de resterende inhoud van die beker over [werknemer] gegooid. Vervolgens heeft [werknemer] [collega] beet gepakt en zijn zij al duwend en trekkend op het bureau terecht gekomen, waarna zij door twee collega’s uit elkaar zijn gehaald.

[assistent-dutymanager] heeft verklaard dat [collega] heeft beweerd door [werknemer] in het gezicht te zijn geslagen, maar in het verslag van de eigen verklaring van [collega] noch in de andere verslagen komt dit terug. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat er niet geslagen is. [assistent-dutymanager] en [medewerker] (medewerker) hebben verklaard dat [werknemer] [collega] (‘naar verluid’ volgens [assistent-dutymanager] ) koffie of thee in het gezicht heeft gegooid, maar aangezien ook dit in het verslag van de eigen verklaring van [collega] noch in de andere verslagen voorkomt acht de kantonrechter dit onvoldoende aannemelijk geworden. Onduidelijk is of [werknemer] [collega] al dan niet bij de keel heeft gepakt. Volgens Menzies is dit wel het geval, maar volgens [werknemer] heeft hij, naar hij ter zitting heeft verklaard, [collega] bij zijn t-shirt vastgepakt ter hoogte van zijn hals. Wat hier ook van zij, vaststaat dat [werknemer] en [collega] geen letsel bij het gebeurde hebben opgelopen en de omstanders evenmin. Ook is niet gebleken dat er schade is ontstaan. Menzies heeft niet betwist dat de schermutseling slechts korte tijd heeft geduurd (minder dan een minuut naar [werknemer] ter zitting heeft verklaard) alsmede dat [werknemer] en [collega] qua werk en rangorde min of meer elkaars gelijke zijn en beiden (zoals door de gemachtigde van [werknemer] ter zitting verwoord) ‘jongens van de straat’ zijn. Uit de overgelegde verklaringen noch anderszins is gebleken dat het gebeurde een grote impact op de omstanders heeft gehad. Het feit de [collega] na afloop van het incident een schroevendraaier heeft gepakt, maakt niet dat het gebeurde zwaarder aan [werknemer] kan worden toegerekend. Gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken gaat de kantonrechter ervan uit dat sprake was van een schermutseling, waarbij kortstondig is geduwd en getrokken zonder dat daarbij schade of letsel is ontstaan. Mede gelet op het feit dat - naar Menzies ter zitting heeft verklaard - binnen haar onderneming geen reglement of protocol is waarin geweld of agressief gedrag wordt gesanctioneerd met ontslag, op het verder onberispelijke en lange dienstverband van [werknemer] , de ernstige gevolgen van het ontslag op staande voet en de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] (met name zijn destijds bestaande spanningsklachten), acht de kantonrechter het gegeven ontslag op staande voet een te zwaar middel.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat de door [werknemer] verzochte verklaring voor recht, de vernietiging van het ontslag en het verzoek tot loondoorbetaling vanaf 29 mei 2017 toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, een en ander zoals hierna vermeld. Nu (naar hierna onder de beoordeling van de zaak 17-79 nader zal worden gemotiveerd) het door Menzies voorwaardelijke ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen, is ook het door [werknemer] ingediende verzoek tot wedertewerkstelling toewijsbaar en komen zijn subsidiaire verzoeken tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding niet aan de orde.

4.6.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over de verzoeken van [werknemer] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.

4.7.

De proceskosten komen voor rekening van Menzies, omdat zij ongelijk krijgt.

in zaak 17-79

4.8.

Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Nu de arbeidsovereenkomst dus nog bestaat, is de voorwaarde waaronder Menzies het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan vervuld, zodat dit verzoek zal worden beoordeeld.

4.9.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

4.10.

Menzies voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] dat zodanig is dat van Menzies in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Menzies in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden (zoals ook uiteengezet in zaak 17-77) geen redelijke grond voor ontbinding op zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW. Weliswaar kan aan [werknemer] worden verweten dat hij op 26 mei 2017 een handgemeen met [collega] heeft gehad (waarin [collega] overigens ook een aandeel heeft gehad), maar dit levert naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de omstandigheden zoals vermeld onder 4.4. van deze beschikking, niet een zodanig verwijtbaar handelen van [werknemer] op dat dit tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst dient te leiden.

4.11.

Ook heeft Menzies geen feiten en omstandigheden gesteld, anders dan het enkele incident op 29 mei 2017, die de subsidiair aan het verzoek ten grondslag gelegde duurzaam verstoorde arbeidsverhouding onderbouwen. Dit geldt temeer nu [werknemer] (onbetwist) heeft aangegeven dat hij een goed contact heeft met zijn collega’s en voorts vaststaat dat [collega] niet meer werkzaam is bij Menzies. Ook op de grond zoals vermeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW is de verzochte ontbinding dus niet toewijsbaar.

4.12.

Evenmin is sprake van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld onder 7:669 lid 3 onderdeel h BW. Deze grond is blijkens de wetsgeschiedenis niet bedoeld om te worden gebruikt ter reparatie van een op de benoemde andere gronden onvoldoende onderbouwd ontslag.

4.13.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat zij geen reden ziet om te oordelen dat herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is.

4.14.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Menzies zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden.

4.15.

Nu het verzoek van Menzies niet is toegewezen, komt het subsidiair door [werknemer] ingestelde tegenverzoek tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding niet aan de orde.

4.16.

Menzies dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in zaak 17-77

5.1.

verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door opzegging wegens een dringende reden is geëindigd;

5.2.

vernietigt het op 29 mei 2017 gegeven ontslag op staande voet;

5.3.

veroordeelt Menzies tot wedertewerkstelling van [werknemer] ;

5.4.

veroordeelt Menzies tot doorbetaling aan [werknemer] van het loon c.a. vanaf 29 mei 2017 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, voor zover te laat betaald te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim tot aan de dag van de gehele betaling en met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

5.5.

veroordeelt Menzies tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 478,-, te weten:

griffierecht € 78,00

salaris gemachtigde € 400,- ;

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

in zaak 17-79

5.8.

wijst de verzochte ontbinding af;

5.9.

veroordeelt Menzies tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 400,- aan salaris gemachtigde;

5.10.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. M.T. Hoogland, kantonrechter en op 26 september 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter