Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7424

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
6062172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ. Ontslag op staande voet. Billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1119 met annotatie van P. Kruit

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6062172 \ AO VERZ 17-65 en 6093543 \ AO VERZ 17-72 (PA)

Uitspraakdatum: 12 september 2017

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij, tevens verwerende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. S. Vrij

tegen

de Stichting voor Interconfessioneel Voortgezet Onderwijs in Oostelijk West-Friesland, h.o.d.n. Martinuscollege Christelijke Scholengemeenschap voor LYC, HAVO, MAVO, VBO, LWOO,

gevestigd te Grootebroek

verwerende partij, tevens verzoekende partij

verder te noemen: Martinuscollege

gemachtigde: mr. A.C. Ranke

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft in de zaak met zaaknummer 6062172 \ AO VERZ 17-65 een verzoek gedaan om ten laste van het Martinuscollege een billijke vergoeding toe te kennen. [verzoekster] heeft daarnaast een verzoek gedaan om het Martinuscollege te veroordelen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding te betalen. Martinuscollege heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Martinuscollege heeft in de zaak met zaaknummer 6093543 \ AO VERZ 17-72 een voorwaardelijk verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verzoekster] heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 15 augustus 2017 heeft een zitting plaatsgevonden in beide zaken. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoekster] bij brief van 20 juli 2017 nog stukken toegezonden. Daarnaast heeft [verzoekster] in de zaak met 6062172 \ AO VERZ 17-65 een vermeerdering van verzoek genomen.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren [geboortedag] 1965, is op 21 september 1998 in dienst getreden bij Martinuscollege. De laatste functie die [verzoekster] vervulde, is die van docent LB, met een salaris van € 3.058,56 bruto per maand.

2.2.

[verzoekster] verzorgt lessen voor het vak economie en M&O aan de klassen g3a en a3a en M&O aan HAVO 5 en VWO 6.

2.3.

Het vakantieverlof voor leraren in het VO is geregeld in de CAO VO 2016-2017 (hierna: de cao). In artikel 15.1 lid 1 is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

De werknemer die behoort tot de functiecategorie (…) leraar, geniet:
a. gedurende de schoolvakanties en vijf extra, door de werkgever in overleg met de (G)MR vastgestelde, dagen vakantieverlof met behoud van bezoldiging;
b. buiten de in lid a genoemde periodes geen vakantieverlof.

2.4.

De meivakantie in het schooljaar 2016/2017 was van 24 april 2017 tot en met 5 mei 2017.

2.5.

[verzoekster] zag een kans een reis naar Zuid-Amerika te maken. Bij e-mail van 29 september 2016 schrijft [verzoekster] aan een vriendin onder andere het volgende:

ALS ik vrij krijg, heb jij dan zin om mee te gaan? (…) Volgende week is mijn bazin weer terug, kan ik mijn overwerk-uren laten tellen en kan ik uitzoeken hoe de laatste toetsweek precies valt. (…) Hoop dat jij meegaat, als ik vrij krijg.

2.6.

Bij e-mail van 29 september 2016 heeft [verzoekster] zich aangemeld voor de reis. In haar e-mail aan de reisorganisatie schrijft zij onder meer het volgende:

Mits ik van mijn werkgever toestemming krijg om uren op te nemen (ik werk op een school), ga ik graag mee op reis naar Ecuador en de Galapagos eilanden. De tweede reis is voor mij de enige mogelijkheid, aangezien die voor een klein gedeelte in een schoolvakantie valt.

2.7.

Op 4 oktober 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en [naam 1] , de toenmalig leidinggevende van [verzoekster] .

2.8.

Bij e-mail van 4 oktober 2016 schrijft [verzoekster] aan de reisorganisatie onder meer het volgende:

Mijn baas heeft zichzelf overtroffen in snelheid en ik heb vandaag al te horen gekregen dat ik mijn te veel gewerkte dagen van dit schooljaar in april mag compenseren. Dus ik mag mee naar Ecuador en de Galapagos eilanden (…)

2.9.

[verzoekster] is in de periode 12 april 2017 tot en met 28 april 2017 met vakantie gegaan

2.10.

Op 13 april 2017 is [verzoekster] door Martinuscollege op staande voet ontslagen. In de brief staat, voor zover relevant, het volgende:

U wordt op staande voet ontslagen op grond van artikel 10.a.6 lid 2 sub e (…) van de CAO VO onder de ontbindende voorwaarde dat u zodra u terug bent, zich meldt bij de bestuurder (…) om tekst en uitleg te geven over uw handelwijze. (…)

Op woensdag 12 april 2017 bent u zonder enig bericht niet op uw werk verschenen. De leerlingen (…) zaten te wachten op de geplande lessen of examentraining. Als leraar van een examenklas is examentraining uw verantwoordelijkheid. Toen uw afwezigheid bij de directie bekend werd, werd verondersteld dat u ziek was.

Toen donderdag 13 april 2017 nog steeds geen bericht was gekomen over de reden van uw afwezigheid, heeft de sectordirecteur naar uw huis gebeld. Uit het telefoongesprek bleek dat u zonder enig bericht, laat staan zonder om verlof te vragen, op vakantie bent vertrokken tot eind april 2017. De directie was verbijsterd over deze gang van zaken.

De verbijstering was des te groot daar u al eerder, in september 2015, verlof hebt opgenomen zonder de juiste procedure te volgen. (…)

U heeft voor 1 februari 2016 geen verlof aangevraagd voor een verlofperiode in april 2017 (…)

Nu u geen verlof heeft aangevraagd, noch tijdig, noch later, heeft er geen afweging kunnen plaatsvinden tussen uw individuele belang en het schoolbelang. Ik maak u erop attent dat in deze zaak het schoolbelang voor zou gaan. De periode waarbinnen u zonder toestemming, zonder zelfs te berichten, verlof heeft opgenomen, april 2017, is de periode vlak voor de eindexamens en de leerlingen examentraining behoren te krijgen van hun leraar. (…)

2.11.

Op 8 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en Martinuscollege.

2.12.

Bij brief van 10 mei 2017 heeft Martinuscollege aan [verzoekster] medegedeeld dat zij “op juiste gronden tot het ontslag op staande voet op grond van de geconstateerde dringende reden hebt besloten” en “(…) dat het ontslag in stand blijft.

3 Het verzoek en het verweer


in de zaak met zaaknummer 6062172 \ AO VERZ 17-65

3.1.

[verzoekster] heeft ter zitting berust in het einde van de arbeidsovereenkomst en een verzoek gedaan om ten laste van Martinuscollege een billijke vergoeding toe te kennen van € 198.000,- bruto, op grond van artikel 7:681 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [verzoekster] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en het ontslag dus in strijd is met artikel 7:671 BW. In dat kader heeft [verzoekster] onder meer aangevoerd dat zij bij haar toenmalige leidinggevende heeft aangegeven 12 april 2017 met vakantie te willen en dat [naam 1] daarmee heeft ingestemd. Daarvoor had [verzoekster] de reis voorwaardelijk geboekt. Na verkregen toestemming is de reis definitief geboekt. Daarbij is [verzoekster] er vanuit gegaan dat [naam 1] haar vakantie zou opnemen in het rooster. [verzoekster] stelt verder dat haar leerlingen geen hinder hebben ondervonden van haar vakantie omdat zij voor haar vertrek de leerlingen heeft geïnformeerd en ter oefening oude examens heeft achtergelaten aan de onderwijsassistente. Zelfs indien juist zou zijn dat [naam 1] nooit toestemming heeft gegeven voor het opnemen van verlof, dan geldt dat er op 4 oktober 2016 sprake is geweest van een miscommunicatie tussen [verzoekster] en [naam 1] . [naam 1] heeft de indruk gewekt akkoord te gaan met de verlofaanvraag. [verzoekster] stelt verder dat zij op 13 april 2017 is ontslagen onder een ontbindende voorwaarde, dat hoor en wederhoor ten tijde van de eerste brief niet is toegepast en het [verzoekster] niet duidelijk is op welke gronden zij nu exact is ontslagen.

3.2.

[verzoekster] heeft daarnaast ook een verzoek gedaan om voor recht te verklaren dat Martinuscollege de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet rechtsgeldig en zonder dringende reden heeft opgezegd. Verder heeft [verzoekster] een verzoek gedaan om Martinuscollege te veroordelen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding te betalen. Volgens [verzoekster] is Martinuscollege op grond van artikel 7:672 lid 10 BW een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd, gelijk aan het bedrag aan loon over de opzegtermijn, te weten € 11.346,27 bruto. [verzoekster] stelt verder dat Martinuscollege op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd is van € 26.252,65 bruto. [verzoekster] heeft voorts verzocht om betaling van het loon over de periode 13 april 2017 tot en met 10 mei 2017 en verstrekking van een gewijzigde eindafrekening.

3.3.

Martinuscollege verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat [verzoekster] zonder verlof te vragen, zonder dat aan haar verlof is verleend, zonder haar leidinggevende te informeren en zonder de schoolleiding te informeren is vertrokken voor een vakantie buiten de schoolvakanties. De cao biedt hiertoe geen mogelijkheid. Martinuscollege vindt derhalve dat er een dringende reden was om [verzoekster] op staande voet te ontslaan.

4 Het verzoek en het verweer

in de zaak met zaaknummer 6093543 \ AO VERZ 17-72

4.1.

Martinuscollege verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW. Het verzoek is voorwaardelijk, namelijk voor het geval het ontslag op staande voet vernietigd wordt.

4.2.

[verzoekster] heeft ter zitting aangevoerd dat zij heeft besloten om haar verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet te laten vervallen en dat dit betekent dat zij zich neerlegt bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verzoekster] dient dan over het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding geen uitspraak meer te worden gedaan.

5 De beoordeling

het verzoek in de zaak met zaaknummer 6062172 \ AO VERZ 17-65

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoekster] een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daarbij moet worden beoordeeld of [verzoekster] al dan niet terecht op staande voet is ontslagen.

5.2.

[verzoekster] stelt zich primair op het standpunt dat dient te worden uitgegaan van het door Martinuscollege gegeven ontslag op staande voet van 10 mei 2017 en niet van 13 april 2017. Zij stelt daartoe dat het onmogelijk is een ontslag op staande voet onder een ontbindende voorwaarde te geven en dat derhalve de brief van 10 mei 2017 dient te gelden. De kantonrechter stelt voorop dat de opzegging een eenzijdige rechtshandeling gericht jegens de werknemer is, die alleen kan worden herroepen met instemming van de werknemer. Een ontslag op staande voet kan niet worden ontbonden, zodat een ontbindende voorwaarde niet mogelijk is. De kantonrechter is echter van oordeel dat [verzoekster] uit de ontslagbrief van 13 april 2017 had kunnen en moeten begrijpen dat bij het noemen van deze ‘ontbindende voorwaarde’ werd gedoeld op de mogelijkheid van wederhoor, nu dit niet eerder kon omdat [verzoekster] met vakantie was. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [verzoekster] op 13 april 2017 op staande voet is ontslagen. De kantonrechter merkt daarbij op dat het kernverwijt aan [verzoekster] in beide brieven hetzelfde is, namelijk dat [verzoekster] zonder verlof te vragen en zonder toestemming buiten de schoolvakanties met vakantie is gegaan.

5.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.4.

Volgens artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In artikel 7:678 lid 2, onderdeel k, BW is bepaald dat een dringende reden onder andere aanwezig kan zijn wanneer de werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt.

5.5.

Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor betrokkene zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeids-overeenkomst gerechtvaardigd is (zie: HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436; NJ 2000/190; JAR 2000/45 (Prins/Hema)).

5.6.

Uit de ontslagbrief van 13 april 2017 begrijpt de kantonrechter dat de dringende reden voor het ontslag volgens Martinuscollege is gelegen in de omstandigheid dat [verzoekster] op 12 april 2017 zonder enig bericht niet op het werk is verschenen, dat [verzoekster] niet de juiste procedure voor het opnemen van verlof heeft gevolgd en dat [verzoekster] geen verlof heeft aangevraagd. Martinuscollege stelt dan ook dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

5.7.

De kantonrechter stelt voorop dat de aard van de functie van [verzoekster] met zich brengt dat er een aanwezigheidsplicht geldt. Immers kern van haar werk bestaat uit het lesgeven aan leerlingen. [verzoekster] stelt dat zij op 4 oktober 2016 aan [naam 1] toestemming heeft gevraagd en dat zij die toestemming heeft gekregen. Zij verwijst daarbij naar e-mails van 29 september 2016 die zij aan een vriendin en een reisorganisatie heeft gestuurd waarin staat dat zij eerst aan haar leidinggevende vrij moest vragen om op reis te kunnen en een e-mail van 4 oktober 2016 verstuurd aan de reisorganisatie dat zij akkoord heeft gekregen van haar leidinggevende. Voorts verwijst [verzoekster] naar de omstandigheid dat zij collega’s openlijk over haar afwezigheid heeft verteld, dat zij haar leerlingen heeft voorbereid op haar afwezigheid en dat zij op 11 april 2017, toen [verzoekster] erachter kwam dat het verlof niet was verwerkt in het rooster, naar [naam 1] is gegaan om te vragen of zij haar afwezigheid nog helder op haar netvlies had. Martinuscollege betwist dat [verzoekster] verlof heeft aangevraagd en toestemming heeft verkregen en verwijst daarbij naar een verklaring van [naam 1] van 8 mei 2017 waarin staat dat ‘er geen één op één overleg tussen mij (de kantonrechter: [naam 1] ) en mevrouw [verzoekster] (…) is geweest waarin vastgesteld is dat er verlof in april 2017 mocht worden opgenomen.

5.8.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat voldoende vast dat [verzoekster] op 4 oktober 2016 haar vakantie heeft besproken met [naam 1] . Immers uit de verklaring van [naam 1] blijkt niet dat [verzoekster] geen verlof zou hebben aangevraagd. Uit de verklaring van [naam 1] volgt wel dat zij ontkent toestemming te hebben gegeven voor verlof in april 2017. De bewijslast van de dringende reden rust op degene die de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden heeft beëindigd, derhalve op Martinuscollege. De enkele stelling dat [naam 1] ontkent toestemming te hebben gegeven voor verlof is echter onvoldoende om een dringende reden aan te nemen. Het lag op de weg van Martinuscollege om feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen wat er wel in het gesprek van 4 oktober 2016 is besproken tussen [naam 1] en [verzoekster] . Dit heeft Martinuscollege nagelaten. Voorts weegt de kantonrechter mee dat [verzoekster] een voorwaardelijke boeking van haar reis in het geding heeft gebracht en vervolgens de definitieve omzetting van de reis. Weliswaar zijn de voorwaardelijke boeking en definitieve omzetting van de reis niet gericht aan Martinuscollege maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk waarom [verzoekster] eerst een voorwaardelijke boeking zou maken en na een gesprek met haar leidinggevende de reis zou omzetten naar een definitieve boeking. Daarnaast staat als onbetwist vast dat [naam 1] aan [verzoekster] in het gesprek op 11 april 2017 heeft gevraagd of zij ‘af en toe een fotootje wilde sturen’ vanaf haar vakantieadres, terwijl ook als onbetwist vast staat dat [verzoekster] in hetzelfde gesprek aan [naam 1] heeft gevraagd of [naam 1] de verlofaanvraag van [verzoekster] nog op haar netvlies had. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk waarom [naam 1] in dat gesprek niet heeft gezegd dat zij aan [verzoekster] geen toestemming heeft verleend. De enkele stelling van Martinuscollege dat [naam 1] dacht dat [naam 2] , de huidige leidinggevende van [verzoekster] , toestemming had verleend is onvoldoende. Immers ten tijde van de aanvraag van het verlof was [naam 1] de leidinggevende van [verzoekster] .

5.9.

Waar het vervolgens kennelijk is misgegaan, is dat het verlof van [verzoekster] niet in het rooster is verwerkt. Daarbij is tussen partijen debat ontstaan over de verschillende vormen van verlof. Ter zitting is door partijen naar voren gebracht dat er in het Martinuscollege gewerkt wordt met een halfjaarlijkse rooster die per week wordt geactualiseerd. Als onbetwist staat vast dat in de halfjaarlijkse roosters de verlofaanvragen niet zijn verwerkt. Het verwijt dat Martinuscollege [verzoekster] maakt, is dat [verzoekster] geen actie heeft ondernomen toen zij zag dat haar verlof niet in het rooster was verwerkt. [verzoekster] stelt echter dat in die week het rooster op donderdag was verwerkt en zij op zondag heeft gezien dat het verlof niet was verwerkt. De omstandigheid dat zij één dag voor haar reis pas zag dat haar verlofaanvraag niet in het rooster was verwerkt, vormt echter onvoldoende grond voor een ontslag op staande voet.

5.10.

Aan het verwijt van Martinuscollege dat zij de procedure met betrekking tot het aanvragen van spaarverlof niet in acht heeft genomen, gaat de kantonrechter voorbij. Immers Martinuscollege heeft erkend dat geen sprake was van opnemen van spaarverlof. Dit rechtvaardigt derhalve geen ontslag op staande voet.

5.11.

Bij de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet terecht is gegeven, weegt de kantonrechter, naast het voorgaande mee dat [verzoekster] ongeveer 19 jaar in dienst is als docent en dat dat dienstverband volgens beide partijen naar (volle) tevredenheid is verlopen. Niet gebleken is van onvoldoende functioneren. Voorts staat vast dat tussen haar nieuwe leidinggevende en [verzoekster] de verstandhouding niet optimaal is. Wat [verzoekster] eventueel valt te verwijten, is dat zij niet heeft geverifieerd of hetgeen zij aan [naam 1] heeft medegedeeld omtrent haar geplande vakantie was verstrekt aan de collega’s die zich bezighouden met de planning van het rooster. Gelet op voornoemde aard van de functie had dit in de rede gelegen. Dit handelen vormt echter onvoldoende grond voor een ontslag op staande voet. Ook speelt bij de beoordeling mee de persoonlijke situatie van [verzoekster] en de voor haar verstrekkende gevolgen van een ontslag op staande voet. Een minder zwaar middel zou naar het oordeel van de kantonrechter passender zijn geweest, zoals een officiële waarschuwing. De kantonrechter gaat voorbij aan het ‘incident’ uit 2015, nu [verzoekster] onbetwist heeft gesteld dat de brief van Martinuscollege niet meer bevat dan een overzicht van de regels die op spaarverlof van toepassing zijn.

5.12.

Gelet op het voorgaande is er geen sprake geweest van een dringende reden voor een ontslag op staande voet, zodat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW in combinatie met artikel 7:677 BW. De door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat Martinuscollege de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet rechtsgeldig en zonder dringende reden heeft opgezegd, zal derhalve worden toegewezen.

5.13.

[verzoekster] heeft gesteld in de opzegging te berusten omdat voortzetting van het dienstverband van haar onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gevergd. Zij maakt daarom aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, alsmede op een transitievergoeding en een billijke vergoeding.

5.14.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter in dat geval op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Gelet op de wetsgeschiedenis is (ook) in het kader van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, maar is in een geval als bedoeld in dat artikel reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, is dus als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen.

5.15.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) volgt evenwel dat dit niet hoeft te betekenen dat de gevolgen van een beëindiging van het dienstverband bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding geen rol mogen spelen in een geval waarin de wet een werknemer een aanspraak geeft op zo'n vergoeding omdat de werkgever een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de reden dat de arbeidsovereenkomst eindigt. In voormeld arrest gaat het over de billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW, waar, gelijk als in het onderhavige geval, sprake is van een direct verband tussen de beëindiging van het dienstverband en het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens de wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever in de toekomst te voorkomen. Een specifiek punitief gehalte heeft de wetgever evenwel niet aan de billijke vergoeding willen toekennen, zo volgt ook uit voormeld arrest van de Hoge Raad. Bij de begroting van de billijke vergoeding komt het aan op alle omstandigheden van het geval. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid.

5.16.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 80.000,- bruto. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat, zoals hiervoor al is overwogen, sprake is van een niet rechtsgeldig gegeven ontslag. Daarmee is de ernstige verwijtbaarheid van Martinuscollege een gegeven. Ook de wijze waarop [verzoekster] is ontslagen verdient allerminst een schoonheidsprijs en kan Martinuscollege worden aangerekend. Van [verzoekster] kan redelijkerwijs niet worden verwacht terug te keren naar Martinuscollege. Zonder hoor-wederhoor toe te passen is [verzoekster] bij brief van 13 april 2017 op staande voet ontslagen.

5.17.

De kantonrechter weegt voorts mee dat [verzoekster] een 52-jarige vrouw is met een lichamelijke beperking en eenzijdige werkervaring, waardoor haar carrièreperspectief niet rooskleurig is, zeker ook gelet op de smet die als gevolg van het ontslag aan haar zal kleven. De kantonrechter houdt er rekening mee dat zij geen inkomsten zal verwerven uit dienstverband. Anderzijds is een dienstverband ook geen levensverzekering en kan er niet zonder meer van uitgegaan worden dat [verzoekster] , bij voortduren van het dienstverband, tot haar pensioengerechtigde leeftijd voor Martinuscollege werkzaam zou zijn gebleven. Vermoedelijk is de kans op een voortijdige beëindiging van een dienstverband als docent wegens bijvoorbeeld een reorganisatie of faillissement klein maar is in dit geval de kans op uitval wegens arbeidsongeschiktheid aanzienlijk groter. Tenslotte speelt mee dat de reële kans bestaat dat, indien [verzoekster] gekozen zou hebben voor vernietiging van het ontslag op staande voet, zij derhalve weer werkzaam zou zijn voor Martinuscollege, een van partijen zich vroeg of laat toch weer bij de kantonrechter zou hebben gemeld met een verzoek tot ontbinding.

5.18.

Alles overwegende gaat de kantonrechter uit van een periode van 8 jaar dat het dienstverband anders nog voortgeduurd zou hebben. De loonderving die [verzoekster] dan lijdt als gevolg van het ontslag bedraagt 96 maanden x € 3.058,56 bruto is € 293.621,76. [verzoekster] heeft onbetwist gesteld dat zij gedurende 28 maanden een WW-uitkering zal genieten van € 54.006,- bruto, waardoor de te derven inkomsten zakken naar € 239.651,76. Ook heeft [verzoekster] op basis van de CAO-VO mogelijk gedurende tien maanden recht op een reparatie-uitkering van € 21.409,- bruto. Dit betekent dat de loonderving van [verzoekster] een bedrag van € 218.206,76 bedraagt. Tot slot heeft [verzoekster] gesteld dat zij op basis van de CAO-VO mogelijk tot haar 65e levensjaar recht heeft op een aanvullende uitkering van € 266.561 bruto. De kantonrechter gaat er vanuit dat dit bedrag gebaseerd is op de door haar gestelde 176 maanden. Nu de kantonrechter uitgaat van 96 maanden, betekent dit dat [verzoekster] recht zou hebben op een aanvullende uitkering van € 145.396,91. De te derven inkomsten zakken dan naar € 72.809,85.

5.19.

Deze schade wordt echter deels gecompenseerd door de transitievergoeding ad

€ 26.252,65 bruto. De transitievergoeding is bedoeld als een tegemoetkoming in de kosten van activiteiten om weer een baan te vinden en de inkomensschade. De kantonrechter vindt het redelijk dat het deel van de transitievergoeding dat betrekking heeft op de inkomensschade in mindering wordt gebracht op de hiervoor becijferde gevolgschade. Dat geldt echter niet voor dat deel dat voor verwervingskosten is bedoeld omdat anders inbreuk wordt gemaakt op de doelstelling van de transitievergoeding. Juist een persoon als [verzoekster] zal naar verwachting een behoorlijk deel van de transitievergoeding moeten aanwenden om nog enige kans te maken op de arbeidsmarkt. De kantonrechter zal van de transitievergoeding een deel groot € 20.000 bestempelen als een bijdrage in de kosten van verwerving. Het restant ad € 6.252,65 komt in mindering op de hiervoor becijferde schade als gevolg van het ontslag zodat een schade resteert van € 66.557,20. Dit bedrag zal de kantonrechter meenemen in de hoogte van de billijke vergoeding.

5.20.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, mede in aanmerking genomen de mate van verwijtbaarheid van Martinuscollege, stelt de kantonrechter de billijke vergoeding vast op € 80.000,- bruto.

5.21.

[verzoekster] heeft ook verzocht om Martinuscollege te veroordelen een transitievergoeding te betalen van € 26.252,65 bruto. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De werkgever heeft met een beroep op dit artikel betaling van de transitievergoeding geweigerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer gaat om bijvoorbeeld de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt, of de situatie waarin de werknemer controlevoorschriften bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 39). De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] , valt bij gebreke aan een dringende reden en de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden niet in te zien dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Dat betekent dat Martinuscollege de transitievergoeding verschuldigd is en zal worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding tot een bedrag van € 26.252,65 bruto. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 mei 2017.

5.22.

Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is Martinuscollege die vergoeding verschuldigd aan [verzoekster] , omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 11.010,82 bruto. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 april 2017.

5.23.

De door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat, indien Martinuscollege voldoet aan de voorwaarden voor de bovenwettelijke aanvulling op grond van de CAO-VO heeft [verzoekster] ter zitting ingetrokken, zodat op dit deel van het verzoek niet hoeft te worden beslist.

5.24.

Martinuscollege heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [verzoekster] om een concrete eindafrekening en deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken. De kantonrechter zal deze vordering dan ook toewijzen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat Martinuscollege zich niet aan deze veroordeling zal houden.

5.25.

[verzoekster] heeft verder verzocht om betaling van een bedrag van € 1.056,39 wegens gemaakte en gedeclareerde onkosten. Martinuscollege stelt dat zij dit bedrag reeds heeft voldaan. Dit is betwist door [verzoekster] . Nu Martinuscollege geen betaalbewijs heeft overgelegd, gaat de kantonrechter er vanuit dat de door [verzoekster] verzochte onkostenvergoeding niet is betaald, zodat dit deel van de vordering toewijsbaar is.

5.26.

De proceskosten komen voor rekening van Martinuscollege, omdat zij ongelijk krijgt. [verzoekster] heeft verzocht om veroordeling van Martinuscollege van de werkelijke proceskosten. Behalve hier niet aan de orde zijnde wettelijke uitzonderingen is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, zoals misbruik van procesrecht, plaats voor vergoeding van werkelijke proceskosten Gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is, zodat er geen reden is om af te zien van toepassing van het forfaitaire liquidatietarief.

het tegenverzoek

5.27.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW.

5.28.

[verzoekster] verzoekt niet om vernietiging van het ontslag op staande voet, maar om toekenning van een billijke vergoeding. Gelet daarop staat vast dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op de datum van het ontslag op staande voet. Dat betekent dat Martinuscollege geen belang meer heeft bij een (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.29.

De proceskosten komen voor rekening van Martinuscollege, omdat zij ongelijk krijgt. Vanwege de samenhang met het verzoek van [verzoekster] , zullen die kosten op nihil worden vastgesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

verklaart voor recht dat Martinuscollege de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet rechtsgeldig en zonder dringende reden heeft opgezegd en dus in strijd met artikel 7:671 BW alsook met artikel 7:670 lid 4 BW;

6.2.

veroordeelt Martinuscollege om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 80.000,-;

6.3.

veroordeelt Martinuscollege om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 26.252,65 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 mei 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt Martinuscollege om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 11.010,82 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 april 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.5.

veroordeelt Martinuscollege tot verstrekking binnen twee weken na betekening van deze beschikking van een gewijzigde – correcte – eindafrekening, in die zin dat rekening wordt gehouden met het feit dat [verzoekster] per 14 november 2016, en niet per 9 januari 2017, een dienstverband van 0,64 fte heeft, en een nabetaling naar aanleiding van die wijzigingen, eveneens binnen twee weken na betekening van deze beschikking, en ter zake de nabetaling te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20%, en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag van de gehele betaling;

6.6.

veroordeelt Martinuscollege tot verstrekking van een deugdelijke salarisspecificatie binnen twee weken nadat de nabetaling heeft plaatsgevonden;

6.7.

veroordeelt Martinuscollege om binnen 48 uur na betekening van deze beschikking tot betaling aan [verzoekster] van € 1.056,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.8.

veroordeelt Martinuscollege tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op € 1.539,00, te weten:

griffierecht € 939,00

salaris gemachtigde € 600,00 ;

6.9.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.10.

wijst het meer of anders verzochte af;

het tegenverzoek

6.11.

wijst de verzochte ontbinding af;

6.12.

veroordeelt Martinuscollege tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op nihil.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.G. Vroom, kantonrechter en op 12 september 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter