Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7417

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5313
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. De ligplaatsvergunning voor drie kleine vaartuigen is ten onrechte in duur beperkt, de ligplaatsvergunning valt niet onder de werkingsffeer van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet. Ook de exploitatievergunning voor de drie kleine vaartuigen is ten onrechte in duur beperkt omdat verweerder geen volumebeleid heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5313

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

De besloten vennootschap Post Verkade Cruises B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. P. Nicolaï),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Laros-Van der Jagt en A.A. Limonard).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Haarlem Canal Tours, te Haarlem

(gemachtigde: mr. P.R.C. Ballings)

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een ligplaatsvergunning voor een ponton en een ligplaats- en exploitatievergunning voor drie rondvaartboten en drie vaartuigen voor onbepaalde tijd verleend aan Post Verkade Cruise B.V. voor de locatie Spaarne 11a in Haarlem.

Bij besluit van 19 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd, in die zin dat de ligplaats- en exploitatievergunning voor een termijn van vijf jaar is verleend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door mr. A.C.J. Klaver, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op 19 augustus 2009 heeft verweerder aan Post Verkade Groep een ligplaatsvergunning voor een ponton en een ligplaats- annex exploitatievergunning voor drie rondvaartboten verleend voor onbepaalde tijd voor de locatie Spaarne 11a in Haarlem.

1.2

Op 2 augustus 2017 is aan de rechtbank, naar aanleiding van haar verzoek de aanvraag toe te zenden die aan het primaire besluit is voorafgegaan, mailwisseling toegestuurd. Hieruit blijkt dat verweerder heeft geconstateerd dat de hiervoor genoemde vergunning niet op naam staat van eiseres en dat zij ter plaatse nog drie kleinere vaartuigen exploiteert zonder dat zij over de daartoe benodigde vergunningen beschikt. Verweerder heeft vervolgens - op verzoek van eiseres naar de rechtbank aanneemt naar aanleiding van de mailwisseling tussen eiseres en verweerder op 14 januari 2016 - het primaire besluit genomen.
Onder verwijzing naar artikel 18 Verordening Haarlemse Wateren (VHW) heeft verweerder vergunning verleend voor het ponton op de locatie Spaarne 11a.
Onder verwijzing naar de artikelen 2, 15 en 16 VHW heeft verweerder een exploitatievergunning verleend voor drie rondvaartboten en drie kleinere vaartuigen. Omdat verweerder verwijst naar artikel 15 VHW gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder met dit besluit ook een ligplaatsvergunning voor deze vaartuigen heeft verleend.

1.3

Naar aanleiding van tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschriften door onder meer Haarlem Canal Tours, heeft verweerder het primaire besluit bij het bestreden besluit gewijzigd, door de ligplaatsvergunning voor een ponton en de ligplaats- en exploitatievergunning voor drie rondvaartboten en drie kleinere vaartuigen te verlenen voor vijf jaar, ingaande 10 maart 2016.

2. De rechtbank overweegt ambtshalve Haarlem Canal Tours aan te merken als belanghebbende bij het bestreden besluit nu deze ondernemer in ieder geval voor wat betreft de kleinere vaartuigen werkzaam is in hetzelfde marktsegment binnen hetzelfde verzorgingsgebied. Haarlem Canal Tours exploiteert één kleiner vaartuig op de locatie tegenover Spaarne 17.

3.1

Eiseres betoogt dat het bestreden besluit niet kan strekken tot het verlenen van het recht om drie rondvaartboten te exploiteren en daarmee een ligplaats in te nemen, aangezien dat recht al bestond door het besluit van 19 augustus 2009. Het bestreden besluit strekt slechts tot het rechtsgevolg dat voor de drie kleinere boten het recht tot exploitatie en het recht tot het innemen van een ligplaats in het leven wordt geroepen.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in de plaats is gekomen van het besluit van 19 augustus 2009 en dat het besluit ook ziet op de drie rondvaartboten. De drie kleinere vaartuigen kunnen niet los worden gezien van de drie rondvaartboten, omdat eiseres als één bedrijf ter plaatse haar bedrijf exploiteert.

3.3

Artikel 5 VHW bepaalt dat een vergunning en/ontheffing persoonsgebonden, vaartuiggebonden of anderszins zaaksgebonden is, tenzij bij of krachtens de VHW anders is bepaald. De vergunning of ontheffing is niet overdraagbaar. Blijkens de vergunning van 19 augustus 2009 is deze strikt persoonlijk en niet overdraagbaar. In de vergunning van 10 maart 2016 staat dat de vergunning niet overdraagbaar is op naam.

3.4

Gelet op voorgaande overweging is de rechtbank van oordeel dat het rechtsgevolg van het bestreden besluit zich ook uitstrekt tot het recht tot exploitatie en het recht tot het innemen van een ligplaats voor drie rondvaartboten. Aangezien de vergunning van 19 augustus 2009 is verleend aan Post Verkade Groep en de onderhavige vergunning is verleend aan Post Verkade Cruises B.V. roept het bestreden besluit voor genoemde B.V. (eiseres) rechtsgevolgen in het leven die niet reeds door het besluit van 19 augustus 2009 zijn ontstaan. Dat de aanvraag in januari 2008 is gedaan door Post Verkade Cruises B.V. i.o. (in oprichting), waar de gemachtigde van eiseres ter zitting op heeft gewezen, maakt het oordeel van rechtbank niet anders. Een besloten vennootschap in oprichting is nog geen besloten vennootschap en de vergunning van 2009 is niet aan de besloten vennootschap verleend. De beroepsgrond slaagt niet.

4. De rechtbank stelt vast dat de verdere beroepsgronden van eiseres, ten gevolge van de hiervoor besproken beroepsgrond en blijkens de duidelijke formulering, slechts zien op de verlening van de ligplaats- en exploitatievergunning voor de drie kleinere vaartuigen voor de duur van vijf jaar.

5.1

Eiseres betoogt dat de redenering van verweerder dat artikel 33 van de Dienstenwet van toepassing is op een locatie die is bestemd voor de exploitatie van rondvaartboten en vaartuigen omdat de locaties die hiervoor in de gemeente beschikbaar zijn beperkt zijn door een dwingende reden van algemeen belang, uitsluitend betrekking kan hebben op de beperking van de duur van de ligplaatsvergunning. Echter, volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:235, zijn de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet niet van toepassing op het verlenen van ligplaatsvergunningen, zodat verweerder de ligplaatsvergunning ten onrechte in de duur heeft beperkt.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aantal beschikbare exploitatievergunningen voor bedrijfsvaartuigen op grond van de bestemmingsplannen en de Nota aanwijzing oevers bestemd voor bepaalde categorieën vaartuigen (Nota aanwijzing oevers) is beperkt. Omdat een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig niet kan worden losgezien van een exploitatievergunning - deze wordt immers alleen verleend als ook een exploitatievergunning wordt verleend - heeft verweerder (ook) de ligplaatsvergunning terecht in de duur beperkt.

5.3

De Afdeling heeft in eerdergenoemde uitspraak van 1 februari 2017 overwogen dat ingevolge overweging 9 van de Dienstenrichtlijn deze richtlijn alleen van toepassing is op eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit. Deze richtlijn is derhalve niet van toepassing op - onder meer - voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en evenmin op administratieve sancties wegens het niet naleven van dergelijke voorschriften die de dienstenactiviteit niet specifiek regelen of daarop specifiek van invloed zijn, maar die de dienstverrichters bij de uitvoering van hun economische activiteit in acht dienen te nemen op dezelfde wijze als natuurlijke personen die als particulier handelen. Uit de totstandkoming van de Dienstenwet (Kamerstukken 2, 2007/08, 31 579, nr. 3, blz 13) volgt voorts dat overweging 9 van de Dienstenrichtlijn in essentie stelt dat dergelijke algemene voorschriften die zowel gelden voor particulieren als ondernemers en die een dienstenactiviteit niet specifiek regelen of daarop specifiek van invloed zijn, buiten het bereik van de dienstenrichtlijn vallen. De Afdeling heeft in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 1 februari 2017 voorts geoordeeld dat een ligplaatsvergunning niet noodzakelijk is voor de toegang tot en de uitoefening van de dienstenactiviteiten die appellant wil organiseren. Een ligplaats is voorts feitelijk niet nodig voor het verrichten van deze dienstenactiviteit om passagiers te laten in- en uitstappen. Derhalve is evenmin sprake van een voorschrift dat specifiek van invloed is op de dienstenactiviteit.

5.4

De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande dat de Dienstenrichtlijn alleen van toepassing is op eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit en dat die activiteit in het onderhavige geval, blijkens de op 2 augustus 2017 overgelegde mailwisseling, het verhuren van drie kleine vaartuigen (dagbootjes) betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is voor eiseres een ligplaatsvergunning niet juridisch noodzakelijk voor de toegang tot of de uitoefening van die dienstenactiviteit, daar het hebben van een ligplaatsvergunning geen voorwaarde is voor het verlenen van een exploitatievergunning voor bedrijfsvaartuigen. Voorts is een ligplaatsvergunning feitelijk niet nodig voor het verrichten van de dienstenactiviteit omdat eiseres gebruik zou kunnen maken van openbaar toegankelijke opstapplaatsen. Derhalve is geen sprake van een voorschrift dat specifiek van invloed is op de dienstenactiviteit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ligplaatsvergunning voor de drie kleinere vaartuigen niet onder de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn en daarom ook niet ook onder die van de Dienstenwet valt. Dit betekent dat artikel 33 van de Dienstenwet niet van toepassing is voor het verlenen van een ligplaatsvergunning voor de drie kleinere vaartuigen, zodat verweerder niet bevoegd was de ligplaatsvergunning voor de drie kleinere vaartuigen in de duur te beperken. De beroepsgrond slaagt.

6.1

Eiseres betoogt voorts dat verweerder ook ten onrechte de exploitatievergunning in duur heeft beperkt. Zij voert hiertoe aan dat verweerder voor de verlening van exploitatievergunningen geen volumebeleid heeft vastgesteld. Ook heeft verweerder geen beleidsregel vastgesteld die erin voorziet dat alle verleende en te verlenen exploitatievergunningen niet langer voor onbepaalde tijd zouden mogen gelden.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet bevoegd is een exploitatievergunning voor onbepaalde tijd te verlenen, nu het aantal beschikbare exploitatievergunning voor bedrijfsvaartuigen door de bestemmingsplannen en de Nota aanwijzing oevers is beperkt.

6.3

De rechtbank stelt, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 1 oktober 2015 en de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:160, vast dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op de activiteit waarvoor verweerder een exploitatievergunning heeft verleend, te weten het verhuren van kleinere vaartuigen. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de bestemmingsplannen en de Nota aanwijzing oevers echter geen grond voor het oordeel dat daarmee sprake is van een volumebeleid, dat inhoudt dat het aantal beschikbare exploitatievergunningen voor bedrijfsvaartuigen is beperkt, dan wel dat sprake is van dringende redenen van algemeen belang die een beperking rechtvaardigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte de exploitatievergunning voor de drie kleinere vaartuigen heeft verleend voor vijf jaar. De beroepsgrond slaagt.

7. Gelet op het voorgaande behoeft het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel geen bespreking meer.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij de ligplaats- en exploitatievergunning voor de drie kleinere vaartuigen is verleend voor vijf jaar. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de bezwaren gericht tegen het primaire besluit, voor zover hierop betrekking hebbend, ongegrond te verklaren. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het te vernietigen besluit.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de ligplaats- en exploitatievergunning voor de drie kleinere vaartuigen is verleend voor vijf jaar;

  • -

    verklaart de bezwaren gericht tegen het primaire besluit, voor zover betrekking hebbend op de verlening van een ligplaats- en exploitatievergunning voor de drie kleinere vaartuigen voor onbepaalde tijd, ongegrond;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.