Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7408

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4323
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hulp bij het huishouden. Verlaging normtijden. Onderzoek KPMG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2017-0363

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4323

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigden: mr. S.E.J.M. Bogaarts en H.E. Nieman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor de periode van 30 juni 2016 tot en met 29 juni 2021 hulp bij het huishouden in natura toegekend voor 170 minuten per week.

Bij besluit van 12 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en is dus thans 72 jaar. Eiser heeft onder meer drie hernia’s en drie rugoperaties gehad. Hij verplaatst zich in een rolstoel. Verder heeft hij last van artrose in de handen. Eiser voert een eenpersoonshuishouden. Sinds 2011 ontving eiser hulp bij het huishouden in natura voor 210 minuten per week.

1.2.

Na de inwerkingtreding van de Wmo 2015 heeft verweerder het beleid gewijzigd in die zin dat de normtijden voor huishoudelijke hulp naar beneden zijn bijgesteld. Besloten is om bij de herindicaties op de normtijden die voorheen werden gehanteerd, en die vrijwel overeenkwamen met de normen van het CIZ Protocol huishoudelijke verzorging, een verlaging van 15% toe te passen. De tijdnormering bij een eenpersoonshuishouden voor zwaar huishoudelijk werk gaat van 120 minuten naar 100 minuten, voor licht huishoudelijk werk van 30 minuten naar 25 minuten en voor wasverzorging van 60 minuten naar 50 minuten. Uitgangspunt is dat er maatwerk wordt geleverd wat kan leiden tot de inzet van meer of minder uren.

1.3.

Naar aanleiding van een gesprek dat de heer [naam] op 30 maart 2016 met eiser thuis heeft gehad heeft verweerder beslist zoals hierboven vermeld. Daarbij heeft verweerder voor zwaar huishoudelijk werk en licht huishoudelijk werk de maximale door verweerder gehanteerde normtijd van 100 en 25 minuten toegekend. Voor wasverzorging heeft verweerder - in afwijking van de door verweerder gehanteerde maximale normtijd van 50 minuten - 30 minuten toegekend, omdat eiser in staat is om de was grotendeels te verzorgen en slechts hulp nodig heeft bij het strijkwerk en bij het wassen van het beddengoed. Daarnaast heeft verweerder eiser 15 minuten per week aan extra hulp in verband met knoeien als gevolg van de artrose toegekend, zodat eiser in totaal recht heeft op 170 minuten hulp bij het huishouden per week, waar 175 minuten de maximale norm is.

1.4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat een gewenningstermijn had moeten worden toegepast gedurende drie maanden tot 1 oktober 2016. Daarom heeft eiser tot 1 oktober 2016 alsnog recht op 210 minuten hulp bij het huishouden per week. Verder heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat op basis van het door verweerder gevoerde beleid hulp bij het huishouden wordt afgerond op 5 minuten. Privaatrechtelijk bleek dit met de zorgverlener echter niet te kunnen worden uitgevoerd, zodat nu in het voordeel van eiser over 2016 is afgerond naar kwartieren en hij 180 minuten hulp bij het huishouden ontvangt. Ook in het jaar 2017 is dat het geval.

2.1.

Eiser heeft in de eerste plaats een beroep gedaan op de door de heer [naam] tijdens het gesprek van 30 maart 2016 gedane mededeling dat indien 30 minuten in mindering wordt gebracht hij nog steeds binnen de norm valt. Eiser heeft hieruit opgemaakt dat hij 180 minuten hulp bij het huishouden zou ontvangen in plaats van de toegekende 170 minuten. Hij wenst dan ook alsnog in aanmerking te komen voor de extra 10 minuten.

Eiser stelt dat verweerder verantwoordelijk is voor de gedane mededeling en deze moet volgens eiser worden aangemerkt als een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging, die bij hem gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.

2.2.

Verweerder wijst er op dat in het ondertekende gespreksverslag staat genoemd dat eiser het met een half uur minder zou redden, maar niet hoe men tot dat half uur is gekomen en of dit een toezegging is of dat het binnen de normen zou vallen. Het maximale wat iemand toegekend kan krijgen bij de hantering van de door verweerder gehanteerde standaardnormtijden is 175 minuten. Op basis hiervan stelt verweerder dat de heer [naam] geen toezegging kan hebben gedaan dat aan eiser 180 minuten zal worden toegekend. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat de heer [naam] slechts bevoegd was tot het uitvoeren van het onderzoek in het kader van de Wmo en niet bevoegd was tot het nemen van toekenningsbesluiten en het doen van toezeggingen. Besluiten tot toekenning van hulp bij het huishouden op grond van de Wmo worden altijd genomen door het college van burgemeester en wethouders of namens hen op grond van het mandaatregister.

2.3.

De rechtbank overweegt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als door een tot beslissen bevoegde functionaris ten aanzien van eiser uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan, die bij eiser gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Nog daargelaten dat de heer [naam] niet bevoegd was om toezeggingen namens verweerder te doen, is niet gebleken dat daadwerkelijk is toegezegd dat aan eiser 180 minuten hulp bij het huishouden zou worden toegekend. Uit het beschikbare gespreksverslag kan dat niet worden afgeleid, nu daarin slechts staat vermeld dat eiser heeft aangegeven dat hij het met een half uur minder zou redden om zijn huis leefbaar te houden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.

3.1.

De rechtbank begrijpt het beroep van eiser voorts aldus dat hij betwist dat het toegekende aantal van 170 minuten hulp bij het huishouden per week toereikend is om een schoon en leefbaar huis te bewerkstelligen. De vraag ligt dan ook voor of verweerder voldoende onderbouwd heeft dat dat het geval is en de rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

3.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit genomen met toepassing van de Wmo 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoorn 2015 (Verordening 2015) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoorn 2015 (Besluit 2015). Daarnaast voert verweerder het beleid als hierboven onder 1.2 weergegeven, waarbij verweerder de voorheen gehanteerde normtijden met 15% heeft verlaagd.

3.3.

Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2016 volgt dat aan de vermindering van de normtijden een deugdelijk, op objectieve criteria steunend onderzoek ten grondslag dient te liggen. Gelet hierop is de verlaging van de normtijden uitsluitend op grond van budgettaire redenen niet geoorloofd, zoals deze rechtbank reeds meermaals heeft geoordeeld (onder meer de uitspraak van 29 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9862).

3.4.

Verweerder heeft evenwel naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2016 alsnog onderzoek door KPMG laten verrichten. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in de door verweerder in de beroepsprocedure overgelegde “Eindrapportage van objectief onderzoek naar Hulp bij het huishouden in de gemeente Hoorn” (hierna: de rapportage) van 16 november 2016. Eiser heeft de inhoud van deze rapportage niet betwist. Evenmin is hij, hoewel daartoe uitgenodigd, ter zitting verschenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze rapportage de gehanteerde normtijden weliswaar achteraf, maar alsnog op toereikende wijze heeft onderbouwd. Na kennisname van de rapportage is de rechtbank van oordeel dat het door KPMG verrichte onderzoek als voldoende zorgvuldig en deugdelijk kan worden aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de rapportage tot stand is gekomen door middel van een expertgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van aanbieders, een aanbieder van facilitaire schoonmaak buiten de gemeente, een onafhankelijk expert schoonmaak, een expert hygiëne en infectiepreventie van de GGD en een wijkverpleegkundige. Daarnaast is een klankbordgroep bij het onderzoek betrokken, bestaande uit vertegenwoordigers van onder andere kerken, de ouderenraad, de GGD, Welzijnsinstellingen en zorgaanbieders. Bij het onderzoek zijn resultaten van het onderzoek dat KPMG voor andere gemeente heeft verricht betrokken en is gemeten in de praktijk, waarbij ook gegevens uit onder meer de gemeenten Utrecht, Emmen en Haarlem zijn betrokken. Het onderzoek is verricht aan de hand van duidelijk omschreven objectieve criteria en de uit het onderzoek getrokken conclusies zijn inzichtelijk. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding deze conclusies voor onjuist te houden.

3.5.

Uit de rapportage blijkt dat voor zwaar en licht huishoudelijk werk tezamen

123 minuten per week toereikend moet worden geacht. Gelet hierop is de door verweerder gehanteerde en in het geval van eiser ook toegekende normtijd van 125 minuten niet onredelijk. Niet gebleken dat in het geval van eiser vanwege de bijzondere omstandigheden van zijn geval voor zwaar en licht huishoudelijk werk meer tijd had moeten worden toegekend, te meer nu verweerder in verband met eisers medische beperkingen voor knoeien reeds 15 minuten per week extra heeft toegekend. Eiser heeft overigens ook niet gesteld dat hem voor zwaar en licht huishoudelijk werk meer tijd had moeten worden toegekend of dat de toegekende extra 15 minuten niet toereikend zouden zijn.

3.6.

De rechtbank is evenmin gebleken dat de toegekende 30 minuten per week (60 minuten per twee weken) voor de wasverzorging onvoldoende zouden zijn. Niet in geschil is dat eiser slechts hulp nodig heeft bij het verschonen en wassen van het beddengoed en het strijkwerk. Tot de overige wasverzorging is eiser zelf in staat. De frequentie van het verschonen en wassen van het beddengoed is eenmaal per twee weken. Rekening houdend met het feit dat eiser in het bezit is van een droger is daarmee volgens de rapportage in totaal 12,6 minuten gemoeid (was in de machine stoppen, wasmachine leeghalen, was in de droger stoppen, droger leeghalen en was opvouwen), waarbij van belang is dat het verschonen of opmaken van het bed onder het zwaar huishoudelijk werk moet worden gebracht. Daarnaast wordt in de rapportage voor strijkwerk in totaal 23,1 minuten per week, dus 46,2 minuten per twee weken gerekend. Uitgaande van de tijden zoals opgenomen in de rapportage is er derhalve voor eisers wasverzorging 58,8 minuten per twee weken nodig, terwijl hem 60 minuten per twee weken is toegekend. Eiser heeft niet gesteld dat deze toegekende 60 minuten voor wasverzorging niet toereikend zijn, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve afdoende gemotiveerd dat eiser met de toegekende 170 minuten voor hulp in het huishouden voldoende wordt gecompenseerd als bedoeld in de Wmo 2015.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder eerst in beroep een toereikende onderbouwing heeft geleverd voor de toegekende hulp in het huishouden aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.