Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7281

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
09-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 937
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat eiseres de lening heeft verstrekt binnen het kader van de normale uitoefening van haar onderneming.de lening kwalificeert derhalve niet als ondernemingsvermogen maar behoort tot het privévermogen zodat een afwaardering van deze vordering ten laste van het box 1 inkomen niet aan de orde is. Van een herziening van deze in 2011 gedane keuze kan voorts geen sprake zijn, nu er geen bijzondere omstandigheden gesteld zijn die dit zouden rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2017
FutD 2017-2303

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/937

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: P.J.G. Janssen MIF),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 met dagtekening 30 april 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.584.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 januari 2016 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2017 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.V. Delacourt en mr. drs. H.B. van Houten-Bücker.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres oefent onder de naam [A] in de vorm van een eenmanszaak een onderneming uit in de branche arbeidsbemiddelingsbureaus (exclusief overheid).

2. Eiseres heeft op eigen naam aan de vennootschap onder firma [B] (hierna: [B] ) een lening verstrekt ten bedrage van € 36.000 met een looptijd van 6 jaar, een aflossingsverplichting van € 6.000 per jaar en een rente van 5,3% jaarlijks te voldoen. De leningsovereenkomst is ondertekend op 13 april 2011. Er zijn geen zekerheden gesteld.

3. Er is een herziene overeenkomst van geldlening opgesteld tussen eiseres, handelend onder de naam [A] , en [B] voor een bedrag van € 36.000, een looptijd van 4 jaar, een aflossingsverplichting van € 750 per maand en een rente van 5,3% jaarlijks te voldoen. De herziene leningsovereenkomst is ondertekend op 1 april 2015. Er zijn geen zekerheden gesteld.

4. Eiseres heeft aangifte 2013 gedaan naar een verzamelinkomen van € 31.584.

5. De aanslag IB/PVV 2013 is opgelegd overeenkomstig de aangifte. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag omdat zij een deel van de vordering op [B] , zijnde € 12.000, als oninbaar aanmerkt en ten laste van het box 1 inkomen wil afwaarderen.

6. Tot de dossierstukken behoort een brief van eiseres d.d. 7 december 2014 gericht aan [C] en [D] [E] , de beide vennoten van [B] , waarin onder meer is opgenomen:

“Hoi [D] en [C]

Vorig jaar, 23 juni 2013, heb ik, jullie al gewezen op het in gebreken blijven van de gemaakte afspraken van de lening die ik jullie in 2011 heb gedaan.

(…)

Het geeft mij een rotgevoel en vindt het lastig vanuit de vriendschap en het vertrouwen waarmee ik de uitlening ben aangegaan, het nu zover moet komen, dat ik het bedrag moet gaan opeisen.

(…)

Ik heb deze situatie regelmatig ter sprake gebracht, ik weet niet wat ik er aan kan doen om de lening afbetaald te krijgen.

Mijn betrokkenheid en vertrouwen in jullie beide, de vriendschappelijke relatie voor deze financieel ondersteuning voor [B] geeft mij alleen maar een rotgevoel, buikpijn en ik haal ervan dat ik mijn financiële reserve na 3 jaar niet eens kan gebruiken voor [F] zijn opleiding.

Baal ervan dat ik er steeds opnieuw om moet vragen en ik wil de uitvoering van deze overeenkomst uit handen geven, want ik krijg het met jullie niet voor elkaar.

Graag zie ik voor 31 december 2014. het bedrag van € 5724,00 ( rentebedrag) op rekening nummer: [#] 73 t.n.v. [X] .

(…)”

7. In de aangiftes IB/PVV over de jaren 2012 en 2013 van eiseres is de vordering op [B] onder de box 3 bezittingen opgenomen onder “overige bezittingen”. Uit de aangiftes IB/PVV 2011 en 2012 blijkt dat het saldo op de onder de bank- en spaartegoeden opgenomen [G] in 2012 ten opzichte van 2011 verminderd is met

€ 37.112,= van € 52.484 naar € 15.372,=, bij een totaal waarde aan bezittingen van

€ 162.299,= (2011) respectievelijk € 152.076,= (2012).

8. [B] heeft op 14 maart 2012 € 1.377,= aan rente over 2011 aan eiseres betaald, op 29 december 2014 € 3.816,= aan rente over 2012 en 2013, en verder zijn in de periode van 15 juni 2015 tot en met 22 september 2015 maandelijkse bedragen van € 750,=, € 750,=, € 775,= respectievelijk € 700,= aan rente en aflossing op de lening door [B] aan eiseres betaald. Deze bedragen zijn overgemaakt op de privérekening van eiseres.

9. Eiseres heeft [B] in februari 2016 bij de kantonrechter gedagvaard voor de achterstand in betaling van rente en aflossing. De vordering van eiseres is toegewezen, maar de beide vennoten zitten inmiddels in de schuldsanering, zodat betaling van rente en aflossing niet meer te verwachten is.

Geschil

10. In geschil is of de vordering moet worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, houdt partijen verdeeld of deze vordering gedeeltelijk kan worden afgeschreven.

11. Eiseres stelt dat de lening op zakelijke gronden verstrekt is. Aan de voorwaarden om een voorziening oninbaar in mindering te brengen als ondernemingsverlies is voldaan.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.584.

12. Verweerder neemt het standpunt in dat de lening is verstrekt vanuit het privévermogen. Subsidiair, voor zover de lening zou zijn verstrekt vanuit middelen behorend tot het ondernemingsvermogen, neemt verweerder het standpunt in dat deze lening kwalificeert als verplicht privévermogen. Meer subsidiair stelt verweerder dat voor zover sprake zou zijn van ondernemingsvermogen voor een afwaardering geen reden is. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

14. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de vordering kwalificeert als ondernemingsvermogen. Hiervoor is beslissend of eiseres de lening al dan niet heeft verstrekt binnen het kader van de normale uitoefening van haar onderneming. Binnen bedoeld kader valt niet de verstrekking uit liquide middelen van de onderneming voor doeleinden welke aan de onderneming vreemd zijn, tenzij sprake is van een belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige wijze dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aldus belegde middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zullen zijn.

15. Uit de hiervoor weergegeven feiten, en met name dat de vordering op [B] in de aangiftes IB/PVV over 2012 en 2013 niet is opgenomen onder het box 1 vermogen van eiseres maar onder het box 3 vermogen, dat de waarde van de box 3 bezittingen in 2012 niet gestegen is ten opzichte van 2011, dat de lening oorspronkelijk op eigen naam en - naar de rechtbank aannemelijk acht - uit vriendschap is verstrekt, en dat de betalingen van rente en aflossingen door [B] hebben plaatsgevonden op de privébankrekening van eiseres, concludeert de rechtbank dat de lening aan [B] niet tot het ondernemingsvermogen van eiseres behoort, maar tot het privévermogen zodat een afwaardering van deze vordering ten laste van het box 1 inkomen niet aan de orde is.

16. Indien en voor zover de vordering al verstrekt is uit liquide middelen afkomstig uit de onderneming van eiseres, hetgeen overigens niet aannemelijk is gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat eiseres deze middelen in 2011 aan de onderneming heeft onttrokken en overgebracht naar haar privévermogen, zoals ook blijkt uit het feit dat de eerste lening overeenkomst uit 2011 slechts op naam van eiseres zelf als crediteur is gesteld, de weergave van de vordering onder het box 3 vermogen in de aangiftes IB/PVV 2012 en 2013, en het feit dat rente en aflossing op de lening zijn overgemaakt naar de privérekening van eiseres. Vergelijk hetgeen hiervoor onder 7. door de rechtbank is vastgesteld.

17. Van een herziening van deze in 2011 gedane keuze kan voorts geen sprake zijn, nu er geen bijzondere omstandigheden gesteld zijn die dit zouden rechtvaardigen. Voor zover eiseres stelt dat die bijzondere omstandigheid is dat haar voormalige adviseur de vordering in de aangiftes 2011, 2012 en 2013 ten onrechte als privévermogen heeft gekwalificeerd, kan dit haar niet baten omdat het handelen van haar voormalige adviseur aan eiseres dient te worden toegerekend en voor haar rekening en risico dient te komen en geen bijzondere omstandigheid vormt die aanleiding zou kunnen zijn voor wijziging van de kwalificatie van de vordering, zo daar al grond voor zou zijn.

18. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Bij deze uitkomst van de procedure is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en mr. B. van Walderveen, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.