Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7278

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
17/167
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij het toepassen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid ten onrechte een belangenafweging achterwege gelaten. Ook dient een tijdelijk bouwwerk dat voor een bepaald seizoen geplaatst mag worden te worden beoordeeld aan de welstand.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2016-07-01
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10, geldigheid: 2013-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/167

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.R. van Buiten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort, verweerder

(gemachtigde: T. van der Kleij).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: KMG events, te Wenum Wiesel, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van drie tijdelijke verkoopkiosken (de kiosken).

Bij besluit van 30 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar voor zover dat is gericht tegen de motivering van het primaire besluit gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit onder aanvullende motivering in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, aanhef en ten eerste, van de Wabo, in verbinding met artikel 9.4, onder b, van de planregels, voor het plaatsen van de kiosken op de Boulevard de Favauge te Zandvoort. De kiosken mogen in de periode van 2016 tot en met 2018 van 1 mei tot 1 oktober opgericht zijn.

2. Hangende beroep heeft verweerder naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van vergunninghouder bij besluit van 16 mei 2017 (het gewijzigde besluit) het primaire besluit gewijzigd. Verweerder heeft met dit besluit de locatie van de kiosk ter hoogte van De Favaugeplein 49 gewijzigd. Tegen dit besluit hebben verscheidene personen bezwaar gemaakt. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Ter zitting heeft eiseres verklaard tegen het gewijzigde besluit geen bezwaar te hebben. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van eiseres daarom niet van rechtswege mede betrekking op het gewijzigde besluit.

3.1.

Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat haar beroep alleen ziet op de kiosk die vlakbij haar woning is gelegen. Dit betreft de kiosk die volgens het primaire besluit mag worden geplaatst op de locatie Boulevard de Favauge, ter hoogte van De Favaugeplein 49 (de kiosk), en bij het gewijzigde besluit daar niet meer mag staan.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres ondanks het gewijzigde besluit procesbelang heeft. Zo heeft de kiosk er ingevolge het primaire besluit reeds één seizoen mogen staan en is het gewijzigde besluit nog niet onherroepelijk.

4. De locatie van de kiosk rust op grond van het bestemmingsplan “Middenboulevard” op de bestemming “Verkeer-Verblijfsgebied”.

Op grond van artikel 9.4, onder b, van de planregels, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor het toestaan van maximaal 5 kleinschalige kiosken langs de boulevard met dien verstande dat de oppervlakte van een kiosk niet meer mag bedragen dan 100 m2. De hoogte van een kiosk mag niet meer bedragen dan 4 meter.

5.1.

Eiseres betoogt dat ten onrechte het bouwplan niet is getoetst aan de redelijke eisen van welstand.

5.2.

Verweerder betoogt dat de omgevingsvergunning is verleend voor een periode van drie jaren en dat daardoor de kiosken moeten worden aangemerkt als tijdelijke bouwwerken. Alleen in geval dat de tijdelijkheid van het bouwwerk enkel wordt bepaald door een seizoen, dient een welstandsbeoordeling plaats te vinden. Ook op grond van het bestemmingsplan is geen sprake van seizoensgebonden bouwwerken. De bouwwerken mogen ook maar een bepaalde periode aanwezig zijn.

5.3.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid en onder d, van de Wabo, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of de kiosk in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De kiosk betreft namelijk een tijdelijk bouwwerk dat voor een bepaald seizoen, te weten van 1 mei tot 1 oktober, gedurende drie achtereenvolgende jaren, geplaatst mag worden. Daarmee is de kiosk een seizoensgebonden bouwwerk waarvoor de uitzondering op de welstandtoets niet geldt. De wetsgeschiedenis van artikel 2.10, eerste lid en onder d, van de Wabo biedt geen aanknopingspunten voor de in 5.2 weergegeven uitleg van verweerder, zodat de rechtbank de tekst van de wet als uitgangspunt neemt. De beroepsgrond slaagt.

6.1.

Eiseres betoogt dat er geen juiste belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat haar belangen ook niet zijn betrokken in de besluitvorming. Dat sprake is van een binnenplanse afwijking en dat de belangenafweging daarom al heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van het bestemmingsplan, houdt niet in dat er geen belangenafweging hoeft plaats te vinden voor het bouwplan. Zo is geen onderzoek uitgevoerd waar de kiosk het beste geplaatst kan worden en is ook geen rekening gehouden met de status van de Middenboulevard.

Ter zitting heeft eiseres nog betoogd dat het bouwplan in strijd is met de structuurvisie en de daarop gebaseerde beeldkwaliteitsnotitie. Hier verwijst het bestemmingsplan ook naar. Deze belangen hadden ook meegewogen moeten worden.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad bij het vaststellen van het bestemmingsplan al een belangenafweging heeft gemaakt. De gemeenteraad vindt het acceptabel dat de kiosken overal op de boulevard geplaatst kunnen worden, omdat in het bestemmingsplan geen concrete locaties zijn gegeven. Verweerder betoogt dat het uitgangspunt van de structuurvisie is dat de Middenboulevard meer een verblijfsgebied moet worden. De wens is met zogenaamde quick-wins de sfeer van de boulevard te verbeteren, mede omdat deze boulevard is uitgeroepen tot de lelijkste boulevard van Nederland. De kiosken zijn verspreid geplaatst om het gebied meer tot een verblijfsgebied te maken. Op grond hiervan mocht de omgevingsvergunning worden verleend.

Voorts wordt onderzocht of de kiosken niet elders kunnen staan. De kiosk waar het beroep op ziet is ook bij het gewijzigde besluit verplaatst.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte een belangenafweging achterwege heeft gelaten. In tegenstelling tot wat verweerder stelt, heeft de gemeenteraad in beginsel juist niet bedoeld dat de kiosken overal op de boulevard geplaatst kunnen worden. Hij heeft immers in de planregels bepaald dat kiosken uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ geplaatst mogen worden. Met artikel 9.4, onder b, van de planregels heeft de planwetgever verweerder een discretionaire bevoegdheid gegeven om ontheffing te verlenen. Bij het gebruik van deze bevoegdheid dient verweerder de in geding zijnde belangen af te wegen. Met name bestond er voor verweerder aanleiding, op grond van wat in bezwaar tegen het primaire besluit was aangevoerd, af te wegen of eiseres door de plaatsing van de kiosk in de directe nabijheid van haar woning onevenredig werd getroffen. Ook deze beroepsgrond slaagt.

7. Verweerder heeft bezwaarschriften in behandeling tegen het gewijzigde besluit waarin een andere locatie van de kiosk is bepaald. De rechtbank ziet daarin aanleiding verweerder op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres. Verweerder kan dan in samenhang een afgewogen beslissing nemen over de bezwaren die zijn gerezen tegen beide locaties van de kiosk.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres, om een wegingsfactor van zwaar of zeer zwaar te hanteren overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) af, omdat, anders dan eiseres stelt, het gewijzigde besluit de zaak niet zwaar of zeer zwaar maakt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de kiosk op de locatie Boulevard de Favauge, ter hoogte van De Favaugeplein 49;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.