Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7277

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
17/298
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij het toepassen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid ten onrechte een belangenafweging achterwege gelaten. Ook dient een tijdelijk bouwwerk dat voor een bepaald seizoen geplaatst mag worden te worden beoordeeld aan de welstand.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2016-07-01
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12, geldigheid: 2014-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/298

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E.J. Jansen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort, verweerder

(gemachtigde: T. van der Kleij).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: KMG events, te Wenum Wiesel, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van drie tijdelijke verkoopkiosken (de kiosken).

Bij besluit van 30 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar voor zover dat is gericht tegen de motivering van het primaire besluit gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit onder aanvullende motivering in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, aanhef en ten eerste, van de Wabo, in verbinding met artikel 9.4, onder b, van de planregels, voor het plaatsen van de kiosken op de Boulevard de Favauge te Zandvoort. De kiosken mogen in de periode van 2016 tot en met 2018 van 1 mei tot 1 oktober opgericht zijn.

2. Hangende beroep heeft verweerder naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van vergunninghouder bij besluit van 16 mei 2017 (het gewijzigde besluit) het primaire besluit gewijzigd. Verweerder heeft met dit besluit de locatie van de kiosk ter hoogte van De Favaugeplein [#] gewijzigd. Tegen dit besluit hebben verscheidene personen bezwaar gemaakt. Eiser heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Ter zitting heeft eiser verklaard tegen het gewijzigde besluit geen bezwaar te hebben. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van eiser daarom niet van rechtswege mede betrekking op het gewijzigde besluit.

3.1.

Verweerder betoogt dat eiser door het gewijzigde besluit geen procesbelang meer heeft, omdat de kiosk die met het primaire besluit recht tegenover de woning van eiser kon worden gerealiseerd daarmee is verplaatst.

3.2.

De rechtbank volgt het betoog van verweerder niet. De kiosk heeft ingevolge het primaire besluit één seizoen recht tegenover de woning van eiser mogen staan en het gewijzigde besluit is nog niet onherroepelijk. Eiser heeft dus procesbelang.

4. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat zijn beroep alleen ziet op de kiosk die volgens het primaire besluit mag worden geplaatst op de locatie Boulevard de Favauge, ter hoogte van De Favaugeplein [#] (de kiosk), en bij het gewijzigde besluit daar niet meer mag staan.

5. De locatie van de kiosk rust op grond van het bestemmingsplan “Middenboulevard” op de bestemming “Verkeer-Verblijfsgebied”.

Op grond van artikel 9.4, onder b, van de planregels, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor het toestaan van maximaal 5 kleinschalige kiosken langs de boulevard met dien verstande dat de oppervlakte van een kiosk niet meer mag bedragen dan 100 m2. De hoogte van een kiosk mag niet meer bedragen dan 4 meter.

6.1.

Ter zitting heeft eiser betoogd dat de kiosk volgens het primaire besluit op de boulevard mag worden geplaatst en niet langs de boulevard. Op grond van artikel 9.4, onder b, van de planregels, had derhalve verweerder niet de bevoegdheid de omgevingsvergunning te verlenen.

6.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het woord “langs” als “in de lengte van” moet worden gelezen.

6.3.

De rechtbank overweegt dat het begrip "langs de boulevard" niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2013:2055, kan voor de betekenis van begrippen aansluiting worden gezocht bij de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven. In het "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" is de term "langs" omschreven als, voor zover hier van belang, "aan de zijde van en parallel met". Het gaat bij het begrip "langs de boulevard" bij dit artikel derhalve om kiosken die aan de zijde van, en dus op de boulevard kunnen worden geplaatst, mits deze parallel worden geplaatst aan de richting van de boulevard. Daar ziet het primaire besluit op. Derhalve was verweerder bevoegd deze binnenplanse ontheffingsbevoegdheid te gebruiken.

7.1.

Eiser betoogt dat verweerder voor het oprichten van de kiosk geen omgevingsvergunning heeft mogen verlenen op grond van artikel 9.4, onder b, van de planregels. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid ziet alleen op permanente kiosken en niet op tijdelijke seizoensgebonden kiosken.

7.2.

De rechtbank volgt het betoog van eiser, dat artikel 9.4, onder b, van de planregels, alleen ziet op permanente kiosken, niet. Uit deze bepaling is niet af te leiden dat deze uitsluitend ziet op permanente kiosken. Verweerder is dan ook bevoegd op grond van deze bepaling ontheffing te verlenen voor tijdelijke seizoensgebonden kiosken. Dat verweerder in het bestreden besluit te kennen heeft gegeven dat met deze binnenplanse bevoegdheid ook ontheffing kan worden verleend voor permanente kiosken, maakt dat niet anders. Derhalve treft deze beroepsgrond geen doel.

8.1.

Eiser betoogt dat ten onrechte het bouwplan niet is getoetst aan de redelijke eisen van welstand.

8.2.

Verweerder betoogt dat de omgevingsvergunning is verleend voor een periode van drie jaren en dat daardoor de kiosken moeten worden aangemerkt als tijdelijke bouwwerken. Alleen in geval dat de tijdelijkheid van het bouwwerk enkel wordt bepaald door een seizoen, dient een welstandsbeoordeling plaats te vinden. Ook op grond van het bestemmingsplan is geen sprake van seizoensgebonden bouwwerken. De bouwwerken mogen ook maar een bepaalde periode aanwezig zijn.

8.3.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid en onder d, van de Wabo, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

8.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of de kiosk in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De kiosk betreft namelijk een tijdelijk bouwwerk dat voor een bepaald seizoen, te weten van 1 mei tot 1 oktober, gedurende drie achtereenvolgende jaren, geplaatst mag worden. Daarmee is de kiosk een seizoensgebonden bouwwerk waarvoor de uitzondering op de welstandtoets niet geldt. De wetsgeschiedenis van artikel 2.10, eerste lid en onder d, van de Wabo biedt geen aanknopingspunten voor de in 5.2 weergegeven uitleg van verweerder, zodat de rechtbank de tekst van de wet als uitgangspunt neemt. De beroepsgrond slaagt.

9.1.

Eiser betoogt dat de kiosk voor zijn woning mag worden geplaatst en dat daardoor zijn uitzicht wordt belemmerd. De kiosk kan ook ergens anders worden geplaatst, zodat zijn uitzicht niet wordt belemmerd en het zicht van andere bewoners niet dusdanig wordt belemmerd, zoals dat bij eiser het geval is. Het terras van eiser ligt namelijk lager dan bij zijn buren. De medewerkers van de kiosk hebben ook vrije inkijk in de woning van eiser. Vergunninghouder heeft aangegeven dat de kiosk kan worden verplaatst en bereid is dit te doen. Toch wil verweerder niet overleggen met eiser, omdat verweerder denkt dat dan meer bewoners gaan klagen en dat de kiosken dan niet meer geplaatst gaan worden. Er heeft derhalve geen goede belangenafweging plaatsgevonden.

9.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad bij het vaststellen van het bestemmingsplan al een belangenafweging heeft gemaakt. De gemeenteraad vindt het acceptabel dat de kiosken overal op de boulevard geplaatst kunnen worden, omdat in het bestemmingsplan geen concrete locaties zijn gegeven. Verweerder betoogt dat het uitgangspunt van de structuurvisie is dat de Middenboulevard meer een verblijfsgebied moet worden. De wens is met zogenaamde quick-wins de sfeer van de boulevard te verbeteren, mede omdat deze boulevard is uitgeroepen tot de lelijkste boulevard van Nederland. De kiosken zijn verspreid geplaatst om het gebied meer tot een verblijfsgebied te maken. Op grond hiervan mocht de omgevingsvergunning worden verleend.

Voorts wordt onderzocht of de kiosken niet elders kunnen staan. De kiosk waar het beroep op ziet is ook bij het gewijzigde besluit verplaatst.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte een belangenafweging achterwege heeft gelaten. In tegenstelling tot wat verweerder stelt, heeft de gemeenteraad in beginsel juist niet bedoeld dat de kiosken overal op de boulevard geplaatst kunnen worden. Hij heeft immers in de planregels bepaald dat kiosken uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ geplaatst mogen worden. Met artikel 9.4, onder b, van de planregels heeft de planwetgever verweerder een discretionaire bevoegdheid gegeven om ontheffing te verlenen. Bij het gebruik van deze bevoegdheid dient verweerder de in geding zijnde belangen af te wegen. Met name bestond er voor verweerder aanleiding, op grond van wat in bezwaar tegen het primaire besluit was aangevoerd, af te wegen of eiser door de plaatsing van de kiosk in de directe nabijheid van zijn woning onevenredig werd getroffen. Ook deze beroepsgrond slaagt.

10. Verweerder heeft bezwaarschriften in behandeling tegen het gewijzigde besluit waarin een andere locatie van de kiosk is bepaald. De rechtbank ziet daarin aanleiding verweerder op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser. Verweerder kan dan in samenhang een afgewogen beslissing nemen over de bezwaren die zijn gerezen tegen beide locaties van de kiosk.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de kiosk op de locatie Boulevard de Favauge, ter hoogte van De Favaugeplein [#] ;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.