Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7211

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
C/15/253318 / FA RK 16-7874
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de man om de bij beschikking vastgestelde partnerbijdrage op nihil te stellen wordt afgewezen. De man heeft zijn standpunt dat hij geen draagkracht heeft volstrekt onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/253318 / FA RK 16-7874

beschikking van 30 augustus 2017 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C. Ravesteijn, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.J.E. op de Weegh, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 23 december 2016;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 28 februari 2017;

- de akte wijziging verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 25 juli 2017;

- de berichten van de advocaat van de vrouw, d.d. 31 juli 2017 en 8 augustus 2017, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 augustus 2017 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. C. Ravesteijn en de vrouw bijgestaan door mr. T.J.E. op de Weegh, die pleitaantekeningen heeft overgelegd

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 28 mei 2014.

2.2

Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .

2.3

Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 324,00 per maand per kind moet voldoen en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.714,00 per maand.

2.4

Deze beschikking is nadien gewijzigd door deze rechtbank bij beschikking van 1 juli 2015. Daarbij is de kinderbijdrage, met inachtneming van de Wet hervorming kindregelingen, met ingang van 1 juli 2015 nader vastgesteld op € 275,52 per maand per kind. Het verzoek van de man om de partnerbijdrage op nihil te stellen is daarbij afgewezen.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht de beschikking van 28 mei 2014 te wijzigen in die zin, dat de

partnerbijdrage wordt bepaald op nihil, dan wel wordt verlaagd met inachtneming van de berekening van het LBIO tot een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie billijk zal achten, één en ander met terugwerkende kracht vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van 1 januari 2016

3.2

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het einde van zijn financiële verplichtingen is bereikt en dat hij aan zijn alimentatieverplichting slechts kan voldoen door de schuld aan zijn vennootschap verder te vergroten. Hij heeft daartoe het LBIO een actuele berekening laten maken. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw nog steeds geen aantoonbare inspanning verricht om (deels) in eigen levensonderhoud te voorzien.

4 Verweer

4.1

De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn verzoek. Dat het LBIO een berekening heeft opgesteld aan de hand van door de man aangeleverde gegevens levert geen wijzigingsgrond op. Daarnaast heeft de vrouw het standpunt van de man dat zij geen inspanningen verricht om deels in haar eigen levensonderhoud te voorzien gemotiveerd bestreden.

5 Beoordeling

5.1

Omtrent de brief van het LBIO van 23 november 2016 overweegt de rechtbank het volgende. Het LBIO heeft op verzoek van de man een advies gegeven over de hoogte van de partneralimentatie. Het LBIO adviseert voor de partneralimentatie een bedrag van

€ 1.064,00. Nu de man geen inzage heeft gegeven in de stukken aan de hand waarvan het LBIO tot een advies is gekomen, kan het advies van het LBIO niet dienen als grondslag voor een wijziging van de partneralimentatie. Daarbij dient de rechtbank tot een eigen beoordeling van de behoefte en de draagkracht te komen. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

behoefte

5.2

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw deels in haar eigen behoefte moet kunnen voorzien. In het inleidend verzoekschrift gaat de man er van uit dat de vrouw met een dienstverband van 20 uur per week een inkomen kan verdienen van € 775,00 bruto per maand. De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij momenteel een inkomen heeft tussen de € 557,00 en € 628,00 bruto per maand. Ook indien de vrouw een inkomen zou gaan ontvangen van € 775,00 bruto per maand, is de vrouw niet in staat om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien.

De rechtbank wijst er op dat behoefte van de vrouw in de beschikking waarvan de man wijziging verzoekt onweersproken is vastgesteld op € 5.580,00 bruto per maand. Ook in onderhavige procedure moet worden uitgegaan van deze behoefte. Zelfs als de vrouw fulltime gaat werken tegen een minimumloon, dan heeft zij nog behoefte aan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 1.714,00 per maand.

draagkracht

5.3

De man heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen. De man verzoekt om de bijdrage op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2016.

Nu de man om nihilstelling per 1 januari 2016 verzoekt had het op zijn weg gelegen om stukken te overleggen waaruit zijn inkomen over de jaren vòòr 2016 blijkt. De man heeft dit nagelaten, hij heeft ter onderbouwing van zijn verzoek slechts een concept rapport inzake jaarstukken 2016 overgelegd.

De rechtbank overweegt in algemene zin dat artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met zich brengt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Deze verplichting geldt ook in onderhavige procedure.

Gelet op het partijdebat had het op de weg van de man moeten liggen om de jaarstukken van 2013, 2014, 2015 en 2016 volledig te overleggen alsmede de beschikbare aangiften en aanslagen IB, waaronder ook voorlopige aanslagen. Verder heeft de man nagelaten om een draagkrachtberekening met onderliggende stukken in het geding te brengen. Voorts heeft de man nagelaten om inzicht te geven in de vraag of en zo ja in welke mate hij in privé dan wel via de besloten vennootschap [BV] deelneemt in andere vennootschappen. Ten slotte heeft de man niet kunnen uitleggen waaraan hij de management fee van € 182.000,00 (2016) heeft besteed.

De man heeft zijn standpunt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen volstrekt onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

6 Beslissing

De rechtbank:

Wijst af het verzoek van de man

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, rechter, in tegenwoordigheid van

D.J. Witsen, griffier, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.