Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7139

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
AWb 17/1213 en 17/1214
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verzetrechter deelt het oordeel in de uitspraak waarvan verzet, dat de Orde van Advocaten de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De feitelijke schrapping van het tableau en de plaatsing op een openbare lijst waarop melding wordt gemaakt van deze schrapping zijn feitelijke handelingen en geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 36
Wet bescherming persoonsgegevens 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2017/67

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/1213 en 17/1214 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van op het verzet van

[opposante] (hierna: [opposante] ), te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij beslissing van [datum] heeft het Hof van Discipline te Amsterdam - voor zover hier van belang - [opposante] de maatregel van schrapping van het tableau met onmiddellijke ingang opgelegd. De administratieve verwerking van de maatregel is vervolgens op [datum] uitgevoerd door de afdeling Beheer Advocaten Registratie (BAR), een afdeling van de Nederlandse Orde van Advocaten. Daarnaast zijn de gegevens van eiseres op [datum] geplaatst op de (openbare) “Lijst geschorste en geschrapte advocaten”. Tot slot heeft de Nederlandse Orde van Advocaten bij brief van 15 november 2016 gereageerd op diverse brieven van [opposante] .

[opposante] heeft bij brieven van 27 november 2016 bezwaar gemaakt tegen de schrapping van het tableau op [datum] , de plaatsing op de “Lijst geschorste en geschrapte advocaten” en tegen de brief van 15 november 2015 van de Nederlandse Orde van Advocaten. Bij het bestreden besluit van 20 januari 2016 heeft de Nederlandse Orde van Advocaten de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren niet gericht zijn tegen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegen heeft [opposante] beroepen ingesteld.

Op 13 april 2017 heeft de rechtbank de beroepen met toepassing van het bepaalde in artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard.

[opposante] heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2017. [opposante] is niet verschenen. Namens de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (Orde van Advocaten) is verschenen mr. [naam] .

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.

2. In deze verzetzaken beoordeelt de rechtbank of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen ongegrond zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.

3. In wat [opposante] daarover heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter geen aanleiding de behandeling van de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank. Zo is er, anders dan [opposante] bij herhaling naar voren heeft gebracht, geen sprake van dat vanwege betrokkenheid van de rechtbank behandeling door een andere rechtbank gewenst is. Deze betrokkenheid gaat niet verder dan dat de rechtbank beslist in door of tegen [opposante] aanhangig gemaakte zaken.

4. Naar aanleiding van wat [opposante] in verzet heeft aangevoerd overweegt de verzetrechter als volgt.

5. Anders dan [opposante] stelt, voldoet de uitspraak waartegen verzet is ingesteld, aan de eisen van artikel 8:77, eerste lid, van de Awb. Evenmin is de uitspraak in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Dat de uitspraak is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Awb maakt niet dat de rechtbank zich heeft schuldig gemaakt aan rechtsweigering, belemmeren van de toegang tot de rechter, onrechtmatig handelen of machtsmisbruik. Ook is een dergelijke wijze van afdoening niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Het dictum in de uitspraak waarvan verzet, is in overeenstemming met de dicta die in artikel 8:70 van de Awb limitatief zijn opgesomd. Het standpunt van [opposante] dat de Orde van Advocaten de gelegenheid had moeten worden geboden een verweerschrift in te dienen is onjuist. Bij de vereenvoudigde behandeling met toepassing van artikel 8:54 van de Awb geldt een dergelijke verplichting niet.

6. De verzetrechter deelt het oordeel in de uitspraak waarvan verzet, dat de Orde van Advocaten de bezwaren van [opposante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De feitelijke schrapping van het tableau en de plaatsing op een openbare lijst waarop melding wordt gemaakt van deze schrapping zijn feitelijke handelingen en geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat aan deze handelingen meerdere beslissingen ten grondslag liggen, zoals [opposante] heeft gesteld, maakt dat niet anders. Evenmin kunnen deze handelingen als bestuurlijke rechtsoordelen worden aangemerkt. Ook de brief van 15 november 2016 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Deze brief heeft een informatief karakter en is niet gericht op rechtsgevolg.

7. [opposante] is in eerste instantie bij de Orde van Advocaten opgekomen tegen haar schrapping van het tableau en de vermelding van de schrapping op een openbare lijst van gegevens over advocaten. Omdat het in beide gevallen gaat over de verwerking van [opposante] betreffende persoonsgegevens, rijst nog de vraag naar de betekenis van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) voor deze zaak. De verzetrechter is echter van oordeel dat de brief van 15 november 2016 niet kan worden opgevat als een beslissing op een verzoek op grond van artikel 36 van de Wbp. Een zodanige beslissing geldt op grond van artikel 45 van die wet als een besluit in de zin van de Awb wanneer de beslissing is genomen door een bestuursorgaan. Uit de brief van 15 november 2016 blijkt niet dat de Orde van Advocaten de brieven van [opposante] heeft opgevat als verzoeken op grond van de Wbp en daarop met toepassing van de Wbp heeft willen beslissen. Gelet op de bewoordingen van de brieven van [opposante] waarop de brief van 15 november 2016 een antwoord is, heeft de Orde van Advocaten deze brieven ook niet als een verzoek in de zin van artikel 36 Wbp hoeven aanmerken.

8. In de uitspraak waarvan verzet heeft de rechtbank op goede gronden aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep van [opposante] ongegrond te verklaren. Voor zover in die uitspraak onjuiste feiten en of omstandigheden zijn vermeld, zoals [opposante] heeft betoogd, doet dat niet af aan de verdere juistheid van de dragende overwegingen van de uitspraak. Ook de stelling van [opposante] dat de rechtbank beroepsgronden onbesproken heeft gelaten, wat hier verder ook van zij, kan niet leiden tot gegrondverklaring van het verzet.

9. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van I. Broekhuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.