Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:7100

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
6082620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 843a RV. Vordering afgewezen. Gewichtige redenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6082620 \ CV EXPL 17-5664 (PA)

Uitspraakdatum: 23 augustus 2017

Vonnis in het incident in de zaak van:

[naam]

wonende te [woonplaats]

eiseres in de hoofdzaak en in het incident

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. M.J. Hamer
[toevoeg.nr: 4MF7618]

tegen

[naam] h.o.d.n. Adviesbureau [naam]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. H.H.A. Lewin

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 13 juni 2017 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld en heeft daarbij tevens een vordering in incident ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. [gedaagde] heeft een conclusie van antwoord in het incident genomen.

2 De vordering in het incident

2.1.

[eiseres] vordert in het incident dat de kantonrechter [gedaagde] verplicht de rapporten die toezien op het op 9 oktober 2014 door [eiseres] overkomen ongeluk bij Tata Steel (hierna: het ongeluk) binnen 48 uur na het door de kantonrechter te wijzen vonnis te overhandigen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen.

2.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij bij het ongeluk mogelijk giftige stoffen heeft ingeademd. [eiseres] was ten tijde van haar werkzaamheden bij Tata Steel op de dag van het ongeluk echter in dienst bij [gedaagde] . Indien blijkt dat [eiseres] als gevolg van dit ongeluk letsel heeft opgelopen, is [gedaagde] als haar werkgever aansprakelijk. [gedaagde] heeft weliswaar aangeboden het rapport op zijn kantoor in te zien, maar [eiseres] stelt dat zij niet is opgeleid als deskundige op dit gebied en dat zij daarom het rapport aan een deskundige wil laten zien. [eiseres] stelt dat zij een rechtmatig belang heeft bij deze vordering, dat het voldoende bepaalde bescheiden betreft en dat zij partij is bij een rechtsbetrekking hieromtrent, zodat haar vordering kan worden toegewezen.

3 Het verweer in het incident

3.1.

[gedaagde] voert verweer. Hij stelt daartoe – kort samengevat – dat een rechtmatig belang ontbreekt omdat het een rapport betreft over een ongeluk (door [gedaagde] aangeduid als een incident) dat zich drie jaar geleden, in 2014, al heeft voorgedaan en niet is gebleken dat [eiseres] op dit moment klachten heeft die met het ongeluk kunnen samenhangen, zodat er geen reële verwachting is dat er in de toekomst een juridisch geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] zal kunnen ontstaan over het ongeluk. Daarnaast ontbreekt een nauwkeurige beschrijving van de opgevraagde documenten, aangezien [eiseres] spreekt van “rapporten”, terwijl [gedaagde] slechts één rapport bekend is, is [gedaagde] niet verantwoordelijk voor het ongeluk, terwijl Tata Steel geen partij is in deze procedure, en is er ook geen noodzaak tot het gevorderde met het oog op de rechtsbedeling.

3.2.

[gedaagde] stelt verder dat het om een vertrouwelijk, intern rapport van Tata Steel gaat dat niet bestemd is voor derden en dat geen eigendom is van [gedaagde] . Tata Steel heeft het [gedaagde] ook verboden om het rapport aan derden te verstrekken. Gelet op de rechtsverhouding met Tata Steel, een bestaande opdrachtgever van [gedaagde] , de bescherming van de privacy van de overige bij het ongeluk betrokken personen en het feit dat er ook bedrijfsinformatie van Tata Steel in het rapport staat dat niet met de buitenwereld gedeeld behoort te worden, zijn er gewichtige redenen aan de zijde van Tata Steel en [gedaagde] , die aan verstrekking aan [eiseres] in de weg staan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat artikel 843a Rv vier cumulatieve voorwaarden verbindt aan de toewijsbaarheid van een vordering tot overlegging van stukken: 1) degene die de vordering instelt, moet daarbij op het moment dat hij de vordering instelt een rechtmatig belang hebben, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, 3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en 4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd, moet deze te zijner beschikking of onder zijn berusting hebben. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan volgt uit artikel 843a leden 3 en 4 Rv dat er in een aantal situaties desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden bestaat, waaronder de situatie dat er gewichtige redenen bestaan om dat niet te doen.

4.2.

Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat wel voldaan is aan de vereisten van artikel 843a Rv. Het rechtmatig belang van [eiseres] bij het rapport is gelegen in het feit dat uit dat rapport kan blijken of de blootstelling aan SO2 op 9 oktober 2014 (toekomstig) letsel bij [eiseres] kan hebben veroorzaakt. De vraag of [eiseres] vervolgens naar aanleiding van het rapport een procedure tegen [gedaagde] aanhangig gaat maken, doet daarbij niet terzake. Noch uit de tekst van artikel 843a Rv, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel vloeit voort dat voor toewijsbaarheid van de vordering tevens noodzakelijk is dat over de rechtsbetrekking waaromtrent afschrift van bescheiden wordt verlangd een procedure aanhangig is of naar verwachting zal worden gemaakt, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV8510). Verder is voldoende duidelijk welk rapport [eiseres] wil hebben, ook al wordt in het petitum over rapporten gesproken, staat vast dat [eiseres] partij is bij de rechtsbetrekking die ziet op eventueel letsel als gevolg van het ongeluk en staat vast dat [gedaagde] het rapport tot zijn beschikking heeft. In beginsel kan de vordering dan ook worden toegewezen.

4.3.

[gedaagde] heeft echter een beroep gedaan op gewichtige redenen die aan verstrekking in de weg staan. Om te beoordelen of deze gewichtige redenen ertoe moeten leiden dat [gedaagde] de stukken niet hoeft te verstrekken, dient een belangenafweging plaats te vinden. Tegenover het belang van [eiseres] bij verstrekking van het rapport zodat zij kan beoordelen of zij letsel heeft opgelopen en of zij daar iemand voor aansprakelijk kan stellen, staat het belang van [gedaagde] om de rechtsverhouding met zijn opdrachtgever Tata Steel goed te houden. Daarbij komt dat [gedaagde] geen eigenaar van het rapport is dat o.a. bedrijfsinformatie van Tata Steel bevat waardoor Tata Steel [gedaagde] heeft verboden het rapport aan [eiseres] te verstrekken, terwijl ook niet is gebleken dat [eiseres] heeft geprobeerd het rapport van Tata Steel zelf te verkrijgen. Verder is [gedaagde] [eiseres] al een eind tegemoet gekomen door haar in de gelegenheid te stellen het rapport in te zien en door haar de notulen van de besprekingen over het ongeluk en diverse mails met inhoudelijk informatie te verstrekken. Ten slotte weegt de kantonrechter mee dat de onderhavige procedure geen betrekking heeft op het mogelijke letsel als gevolg van het ongeluk maar op loonvorderingen, zodat [eiseres] in de onderhavige procedure in ieder geval niet benadeeld wordt. Onder deze omstandigheden wegen de door [gedaagde] opgevoerde gewichtige redenen zwaarder dan het belang van [eiseres] bij verstrekking door [gedaagde] van het rapport.

4.4.

De conclusie is dat er sprake is van gewichtige redenen die zich er tegen verzetten dat [gedaagde] gehouden is het rapport te overleggen, zodat de kantonrechter van oordeel is dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.

4.5.

De proceskosten in het incident komen voor rekening van [eiseres] omdat zij ongelijk krijgt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten in het incident, die tot en met vandaag worden vastgesteld op een bedrag van € 60,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

in de hoofdzaak:

5.3.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 20 september 2017 te 10.00 uur voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter