Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6963

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
15/080852-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 51f lid 2 Sv. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 25 juli 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2933) is de rechtbank echter van oordeel dat de erfgenamen van een slachtoffer zich ook, namens het slachtoffer, als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen in het geval (I) het slachtoffer overlijdt nadat hij zich als benadeelde partij heeft gevoegd, maar voordat op de vordering is beslist en (II) het slachtoffer overlijdt voordat hij zich formeel als benadeelde partij heeft kunnen voegen, mits duidelijk is dat het slachtoffer de geleden schade op de verdachte wilde verhalen en zich daartoe in het strafproces zou hebben gevoegd. Deze opvatting doet recht aan de belangen van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank doet laatstgenoemde situatie zich in de onderhavige zaak voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0698
JERF 2018/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/080852-16 (P)

Uitspraakdatum: 7 augustus 2017

Tegenspraak (artikel 279 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 juli 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. drs. G. Visser en van hetgeen de raadsman van verdachte, mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

zij, op of omstreeks 15 juli 2015, te Purmerend, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten € 500, althans enig geldbedrag, door zich voor te doen als [naam 1] en/of onder deze naam voornoemde [slachtoffer] te overtuigen dat ze € 1000, althans enig geldbedrag, nodig heeft ten behoeve van de reparatie van haar auto, waardoor deze [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 2

zij, in of omstreeks de periode 16 juli 2015 tot en met 17 juli 2015 te Amsterdam en/of Haarlem en/of Aalsmeer en/of Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse geldbedragen (een totaal geldbedrag van € 2060,68), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door de pinpas te ontvreemden van deze [slachtoffer] en/of mee te lezen met de pincode tijdens een geldopname van deze [slachtoffer] en/of met deze ontvreemde pinpas geld op te nemen bij de pinautomaat en/of in diverse winkels producten te kopen en/of deze producten vervolgens te retourneren voor contant geld;

feit 3

zij, op of omstreeks 16 juli 2015, te Purmerend, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een personenauto [kenteken] (hierin tevens liggende een zonnebril en/of een leesbril en/of een zuurstofcilinder en/of een invalidenparkeerkaart) en/of autopapieren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen personenauto en/of autopapieren onder haar bereik heeft gebracht door zich toegang te verschaffen tot de woning van deze [slachtoffer] en hierbij de autopapieren zich toe te eigenen en/of door middel van een valse sleutel door de autosleutel van deze [slachtoffer] zich toe te eigenen en/of met deze autosleutel zich toegang te verschaffen tot voornoemde auto en/of deze vervolgens door te verkopen aan [ondernemer] .

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit bepleit. De raadsman heeft daarbij vooropgesteld dat met de aangifte van [slachtoffer] prudent moet worden omgegaan, omdat uit deze aangifte blijkt dat aangever – destijds 85 jaar – zich niet alles meer goed wist te herinneren, dingen door elkaar haalde en de volgorde van de gebeurtenissen niet meer goed voor ogen had. Daarbij komt dat aangever bij zijn aangifte is geholpen door zijn dochter en schoonzoon. De aangifte moet daarom meer als reconstructie achteraf worden gezien, aldus de raadsman. Verdachte heeft over feit 1 verklaard dat er inderdaad € 500,- voor haar is gepind, maar dat dit in ruil was voor bepaalde diensten. Deze verklaring is volgens de raadsman niet onaannemelijk. Er is naar de mening van de raadsman dan ook te weinig bewijs voorhanden om feit 1 bewezen te kunnen verklaren.

De verdediging heeft geen opmerkingen over de feiten 2 en 3 gemaakt, nu deze feiten door verdachte zijn erkend.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen.

3.4.

Bewijsoverweging feit 1

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangever op 15 juli 2015 rond 23.00 uur een bedrag van € 500 heeft gepind en aan verdachte heeft gegeven. Aangever heeft verklaard dat hij tot de afgifte van dit geldbedrag was bewogen doordat verdachte, die zich aan hem had voorgesteld als [naam 1] , had gezegd dat zij geld nodig had voor de reparatie van haar auto. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Dat aangever in verband met zijn vergevorderde leeftijd bij het opnemen van de aangifte werd bijgestaan door zijn dochter en schoonzoon, doet hier niet aan af. Op grond van deze verklaring van aangever en de inhoud van de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot de afgifte van het geldbedrag.

Het door verdachte bij de politie geschetste alternatieve scenario, dat zij met ene [naam 2] bij aangever was en dat [naam 2] had gezegd dat ze geld moest vragen voor seksuele handelingen die aangever bij haar wilde verrichten, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verdediging heeft dit scenario niet onderbouwd en het dossier biedt – afgezien van de verklaring van verdachte – geen enkel aanknopingspunt dat bij de ten laste gelegde feiten een ander dan verdachte betrokken is geweest.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1

zij op 15 juli 2015 te Purmerend met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten € 500, door zich voor te doen als [naam 1] en onder deze naam voornoemde [slachtoffer] te overtuigen dat ze € 1000 nodig heeft ten behoeve van de reparatie van haar auto, waardoor deze [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 2

zij in de periode van 16 juli 2015 tot en met 17 juli 2015 te Amsterdam en Haarlem en Aalsmeer en Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse geldbedragen (een totaal geldbedrag van € 2060,68), toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 3

zij op of omstreeks 16 juli 2015 te Purmerend met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto [kenteken] (hierin tevens liggende een zonnebril en een leesbril en een zuurstofcilinder en een invalidenparkeerkaart) en autopapieren, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte die weg te nemen personenauto onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Oplichting;

Ten aanzien van feit 2

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3

Diefstal

en

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van 19 oktober 2016. Daarnaast heeft de officier van justitie een geldboete gevorderd van € 3.500,-

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze zijn beschreven in het reclasseringsadvies en haar daarom een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting en meerdere (gekwalificeerde) diefstallen. Het slachtoffer van al deze feiten betrof een kwetsbare bejaarde man van destijds 85 jaar. Verdachte heeft kennelijk eerst het vertrouwen van de man gewonnen, waarna zij hem met een smoes heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 500, waarbij zij mee is geweest om dit bedrag te pinnen. Hierbij heeft zij kennelijk de pincode meegelezen en onthouden. Vervolgens heeft zij met de door haar gestolen pinpas en de pincode een aanzienlijk geldbedrag bij een geldautomaat gepind en in diverse winkels goederen betaald (en aldus gelden van de bankrekening van het slachtoffer gestolen), tot een totaalbedrag van ruim € 2.000. Ook heeft verdachte uit de woning van het slachtoffer de autosleutel en autopapieren weggenomen, waarna zij de auto van het slachtoffer heeft gestolen om deze vrijwel direct door te verkopen.

Verdachte heeft zichzelf hiermee financieel bevoordeeld zonder zich op enig moment te bekommeren om de financiële en psychische gevolgen voor het slachtoffer. Het handelen van verdachte is manipulatief geweest en getuigt van een grote lafheid. Dit rekent de rechtbank verdachte ernstig aan. De rechtbank neemt het verdachte voorts kwalijk dat zij, ook door niet ter terechtzitting te verschijnen, geen (volledige) verantwoordelijkheid voor haar handelen neemt.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een (gedeeltelijke) onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 juni 2017, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten, namelijk op 14 november 2013, ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de proeftijd op het moment van het plegen van de onderhavige feiten nog niet was verstreken. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting. Anderzijds heeft de rechtbank geconstateerd dat toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 19 oktober 2016 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland. De reclassering acht het opleggen van een reclasseringstoezicht noodzakelijk om het recidiverisico, dat als hoog/gemiddeld wordt ingeschat, te beperken.

Gelet op de ernst van de feiten in combinatie met het strafrechtelijk verleden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal, gelet op het reclasseringsadvies, bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met Reclassering Nederland noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en zal daarom een hogere straf opleggen dan gevorderd.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [nabestaande] , nabestaande en wettelijk erfgenaam van het slachtoffer, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.949,28 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou zijn geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 6.449,28 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hoewel het slachtoffer niet als gevolg van de ten laste gelegde feiten is overleden, de nabestaande van het slachtoffer zich toch kan voegen als benadeelde partij nu het slachtoffer in zijn aangifte bij de politie duidelijk heeft aangegeven dat hij de schade op verdachte wenst te verhalen. De officier van justitie heeft verwezen naar het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 25 juli 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2933) en het vonnis van de rechtbank Limburg van 9 augustus 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:6930).

Voor toewijzing vatbaar is volgens de officier van justitie de materiële schade, bestaande uit de weggenomen bedragen, de kosten voor vervanging van de gehandicaptenparkeerkaart en het rijbewijs, de benzinekosten en de waarde van de goederen die later niet meer in de auto zijn aangetroffen. De uitvaartkosten komen naar de mening van de officier van justitie in dit strafgeding niet voor vergoeding in aanmerking, evenals de immateriële schade. Ten aanzien van die posten dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de nabestaande van het slachtoffer zich niet in het strafgeding kan voegen als benadeelde partij omdat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook de uitzonderingssituatie zoals kennelijk omschreven in de door de officier van justitie genoemde uitspraken, acht de raadsman niet aan de orde, nu uit de aangifte niet blijkt dat het slachtoffer zich heeft willen voegen als benadeelde partij.

In het geval de rechtbank oordeelt dat de nabestaande van het slachtoffer zich wel als benadeelde partij kan voegen in dit strafproces, sluit de raadsman zich aan bij het standpunt van de officier van justitie over de toewijsbaarheid van de schadeposten.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Het slachtoffer [slachtoffer] is op 15 oktober 2015 overleden. De dochter van het slachtoffer, [nabestaande] , heeft zich, als nabestaande en wettelijk erfgenaam van het slachtoffer, namens hem als benadeelde partij gesteld. Ingevolge artikel 51f, tweede lid, Sv kunnen de erfgenamen van (kort gezegd) een slachtoffer zich voegen in het strafproces, indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden. Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 25 juli 2011 is de rechtbank echter van oordeel dat de erfgenamen van een slachtoffer zich ook, namens het slachtoffer, als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen in het geval (I) het slachtoffer overlijdt nadat hij zich als benadeelde partij heeft gevoegd, maar voordat op de vordering is beslist en (II) het slachtoffer overlijdt voordat hij zich formeel als benadeelde partij heeft kunnen voegen, mits duidelijk is dat het slachtoffer de geleden schade op de verdachte wilde verhalen en zich daartoe in het strafproces zou hebben gevoegd. Deze opvatting doet recht aan de belangen van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank doet laatstgenoemde situatie zich in de onderhavige zaak voor. In zijn aangifte op 18 juli 2015 heeft het slachtoffer [slachtoffer] duidelijk en expliciet aangegeven dat hij alle schade wil verhalen op de verdachte en dat hij op de hoogte wil worden gehouden van het strafrechtelijk onderzoek. Gelet op dit wilsbesluit van het slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat de dochter van het slachtoffer, de wettelijk erfgenaam, zich, namens het slachtoffer, kan voegen in het strafproces.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende schadeposten, waartegen de verdediging geen verweer heeft gevoerd, rechtstreeks voortvloeien uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten, en vergoeding van deze posten komt de rechtbank billijk voor:

- schade bankrekening : € 2.560,68

- opnieuw aanvragen gehandicaptenparkeerkaart : € 32,40

- opnieuw aanvragen rijbewijs : € 78,70

- benzinekosten : € 72,00

- opnieuw aanschaffen zonnebril en leesbril (uit auto) : € 325,00

Deze schadeposten zullen dan ook worden toegewezen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de gevorderde uitvaartkosten en immateriële schade niet in rechtstreeks verband staan tot de bewezen verklaarde feiten. In zoverre zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 3.068,78, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: oplichting en gekwalificeerde diefstallen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

  • -

    zich binnen twee werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland, locatie Lelystad, tussen 9.00 en 12.00 uur, aan De Meent 4 te Lelystad. Hierna moet veroordeelde zich gedurende het toezicht door Reclassering Nederland blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland nodig acht.

  • -

    zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt deelname aan een gedragsinterventie of een (ambulante) behandeling.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

vordering benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [nabestaande] (namens het slachtoffer) geleden schade tot een bedrag van € 3.068,78 (drieduizend achtenzestig euro en achtenzeventig cent), voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [nabestaande] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.068,78 (drieduizend achtenzestig euro en achtenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Boots, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.M.M. van Leuven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2017.

Bijlage

Bewijsmiddelen

De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Ten aanzien van feit 1

Een proces-verbaal van aangifte (doorgenummerde pagina’s 6 en 7). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 18 juli 2015 door aangever [slachtoffer] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:

Ik woon aan de [adres 2] .

Ik doe aangifte van oplichting.

Omstreeks 19 mei 2015 heb ik via internet contact gekregen met een vrouwspersoon. Na ongeveer twee dagen kwam deze vrouw bij mij op bezoek. Deze vrouw is vervolgens meermalen bij mij op bezoek geweest. Zij was altijd alleen. Ze vertelde dat ze [naam 1] heet.

Op 15 juli 2015 in de avond kwam de vrouw weer bij mij op bezoek. Ik hoorde haar zeggen dat ze geld nodig had. Ze had dit nodig omdat haar auto in de garage stond. Ze moest daarvoor € 1.000 betalen. Ik hoorde haar vragen “kan jij me niet even helpen”. Uiteindelijk ben ik met haar naar de pinautomaat gegaan. Ik heb bij de pinautomaat van de ABN/Amrobank € 500 gepind. Dit was om 23.02 uur. Ik heb dit zelf gedaan. Omdat ik een daglimiet heb van € 500 kon ik niet meer pinnen. Ik heb dit geld aan de vrouw gegeven.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte (doorgenummerde pagina’s 53, 54, 58, 59 en 60). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 12 april 2016 door verdachte ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

In de zomer van 2015 kwam ik in [adres 2] , bij de heer [slachtoffer] . Ik heb deze naam op zijn bankpas gezien. In juli 2015 kwam ik bij de heer [slachtoffer] . Mijn nickname was [naam 1] .

We zijn een keer gaan pinnen. Dit was op een avond omstreeks 23.00 uur in [adres 3] . Ik heb € 500 van de heer [slachtoffer] gekregen.

Een schriftelijk stuk, te weten een overzicht van bij- en afschrijvingen van rekening [bankrekeningnummer] van [slachtoffer] , als bijlage gevoegd bij de aangifte van [slachtoffer] voornoemd (doorgenummerde pagina 10).

Dit overzicht houdt in dat op 15 juli 2015 om 23.02 uur een bedrag van € 500 is opgenomen bij een geldautomaat aan de [adres 3]

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    een proces-verbaal van verhoor verdachte (doorgenummerde pagina’s 54 t/m 56 en 59), inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte (doorgenummerde pagina’s 6 en 7);

  • -

    een schriftelijk stuk, te weten een overzicht van bij- en afschrijvingen van rekening [bankrekeningnummer] van [slachtoffer] , als bijlage gevoegd bij de aangifte van [slachtoffer] voornoemd (doorgenummerde pagina’s 10 en 11).

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    een proces-verbaal van verhoor verdachte (doorgenummerde pagina 59), inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte (doorgenummerde pagina’s 8 en 9).