Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6888

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
17/1034
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging schuldhulpverleningstraject.

Wetsverwijzingen
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 2, geldigheid: 2016-11-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/1034

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Faber),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder

(gemachtigde: M. Wigchert).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het schuldhulpverleningstraject (het traject) van eiseres beëindigd.

Bij besluit van 10 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiseres besloten het primaire besluit onder aanvullende motivering in stand te laten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiseres is verschenen, vergezeld van [naam] , de bewindvoerder van eiseres. Eiseres is bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is, voor zover van belang, op 9 oktober 2013 veroordeeld voor een schadevergoedingsmaatregel met een bedrag van € 9.653,80. Dit bedrag wordt geïnd door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Van dit bedrag moet eiseres op 6 juli 2017 nog € 596,39 betalen. Voor dit bedrag is een betalingsregeling van 19 maandelijkse termijnen van € 30,00 afgesproken. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat er op dat moment nog een bedrag van € 236,00 open staat.

1.2.

Op 9 december 2015 heeft de bewindvoerder van eiseres namens eiseres een verzoek bij verweerder ingediend om een traject. Doordat de bewindvoerder meerdere malen verzuimde een volledige aanvraag in te dienen, heeft verweerder, in het belang van eiseres, bij besluit van 30 juni 2016 besloten dat eiseres in aanmerking komt voor het traject.

1.3.

Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder het traject beëindigd omdat het nog openstaande bedrag een niet saneerbare boete betreft.

2.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), stelt de gemeenteraad een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wgs, is het college verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente en voert daarbij het plan, bedoeld in artikel 2, eerste lid, uit.

2.2.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels schuldhulpverlening gemeente Velsen 2013 (de Beleidsregels), verleent het college aan verzoeker een schuldhulpverleningstraject indien het college de schuldsituatie problematisch acht.

3.1.

Eiseres betoogt dat het openstaande bedrag van de schadevergoedingsmaatregel niet kan leiden tot beëindiging van het traject. Het openstaande bedrag betreft enkel nog een verhoging wegens het niet tijdig voldoen aan de schadevergoedingsmaatregel. De reden voor het CJIB om niet mee te werken aan een minnelijk traject is omdat de schadevergoeding in zijn geheel aan het slachtoffer toekomt, maar aan het slachtoffer is volledig betaald. Meerdere uitspraken laten zien dat het CJIB kan worden gedwongen mee te werken aan een minnelijk traject bij niet saneerbare boetes. Eiseres heeft, door de beëindiging van het traject, niet de kans om bij de rechtbank het CJIB te dwingen alsnog mee te werken aan een minnelijke regeling. Ook betreft het een relatief klein bedrag. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet goed gemotiveerd waarom hij toch tot beëindiging is over gegaan. Ook is tegen de verhoging bezwaar gemaakt, waar nog niet op is beslist.

De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1583, waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst, is niet vergelijkbaar. Ten eerste omdat verweerder geen beleidsregels heeft opgesteld die bepalen dat schuldbemiddeling is uitgesloten bij een niet-saneerbare boete. Dit is zelfs strijdig aan het Beleidsplan integrale schuldhulpverlening 2012-2015. Ten tweede omdat het niet zeker is dat het CJIB de vordering als niet saneerbaar kwalificeert.

3.2.

Aan de beëindiging van het traject heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het opstarten van een minnelijke regeling niet mogelijk is, omdat de schadevergoedingsmaatregel een niet saneerbare boete betreft. Het is een bestendige gedragslijn van verweerder in dergelijke gevallen het traject te beëindigen. Deze gedragslijn is (nog) niet vastgelegd in beleid. Indien verweerder van de schadevergoedingsmaatregel eerder op de hoogte was, had hij het verzoek om het traject afgewezen. Door de aanwezigheid van een niet saneerbare vordering heeft het traject geen kans van slagen. In een convenant tussen het CJIB en de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) is vastgelegd dat het CJIB niet meewerkt aan een schuldregelingsovereenkomst indien sprake is van een schadevergoedingsmaatregel. Verweerder hanteert de richtlijnen van het NVVK. Ook verwijst verweerder naar een uitspraak van 8 juni 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1583, waarin een traject werd geweigerd wegens een niet saneerbare vordering. De door eiseres overgelegde uitspraken waarin het CJIB wordt gedwongen mee te werken aan een minnelijk traject bij niet saneerbare boetes, zijn volgens verweerder niet vergelijkbaar. Voorts twijfelt verweerder aan de wijze waarop bezwaar is gemaakt tegen de verhoging van de schadevergoedingsmaatregel, maar stelt dat als de schuld nog wordt betwist dit het opstarten van het traject belemmerd. Er moet immers sprake zijn van een stabiele schuldensituatie, hetgeen dan niet het geval is. Derhalve is het traject van eiseres terecht beëindigd.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat het openstaande bedrag van € 596,39 een niet saneerbare vordering betreft. Dit wordt bij brief van 5 juli 2016 door het CJIB aangegeven. Indien eiseres in aanmerking wil komen voor een minnelijke schuldregeling, dient zij eerst de openstaande niet saneerbare vordering te voldoen, aldus het CJIB in deze brief.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat door de aanwezigheid van een niet saneerbare vordering het traject geen kans van slagen heeft. Verweerder heeft in redelijkheid de richtlijnen van het NVVK als uitgangspunt mogen nemen. Dat verweerder het besluit niet aan de hand van de Beleidsregels heeft genomen, maar op grond van een vaste gedragslijn, maakt niet dat verweerder het traject niet heeft mogen beëindigen. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beëindiging niet berust op een vaste gedragslijn van verweerder. Dat het openstaande bedrag een verhoging wegens het niet tijdig voldoen aan de schadevergoedingsmaatregel betreft, maakt het vorenstaande niet anders. Niet verweerder maar het CJIB heeft de vordering aangemerkt als een niet saneerbare vordering. Van verweerder hoeft niet te worden verlangd dat hij afwijkt van zijn vaste gedragslijn de richtlijnen van het NVVK te volgen om eiseres de gelegenheid te geven een dwangakkoord te bewerkstelligen bij de civiele rechter, waarvan de uitkomst onzeker is.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.