Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:679

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
14/810063-11 VI-nummer 99-000443-31
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herroeping
Inhoudsindicatie

Veroordeelde schendt bijzondere voorwaarde van de VI. Vordering herroeping VI gedeeltelijk toegewezen, hoewel het al een tweede herroeping betreft. Algehele herroeping van 618 dagen doet geen recht aan de intentie van de door de rechtbank eerder opgelegde gevangenisstraf.

Rechtbank maakt gebruik van adviesrecht in art. 15j Sr. Aangezien veroordeelde gedurende een periode van ruim 8 maanden niet heeft gerecidiveerd en al duidelijk is dat veroordeelde zich niet zal (kunnen) houden aan enkele bijzondere voorwaarden, wordt geadviseerd die bijzondere voorwaarden niet opnieuw op te leggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 15g
Wetboek van Strafrecht 15j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sector Strafrecht

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 14/810063-11 (hoger beroep 23/003779-11) (VI)

V.I. zaaknummer 99-000443-31

Uitspraakdatum: 31 januari 2017

Beslissing herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (ex artikel 15g Sr)

Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 januari 2017 in de zaak tegen:

[veroordeelde],

[geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres],

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan,

hierna te noemen: veroordeelde.

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 29 mei 2012 met parketnummer 23/003779-11 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van 13 juni 2012 is aangevangen. Veroordeelde heeft de periode van 30 oktober 2011 tot 13 juni 2012 in preventieve hechtenis doorgebracht.

Veroordeelde is, gelet op het bepaalde in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 6 oktober 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder – onder meer - de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen genoemd op lijst 1 en 2 behorende bij de Opiumwet en alcohol en dat veroordeelde ten behoeve van de naleving van dit verbod zal meewerken aan bloedonderzoek of urineonderzoek of ander controlemiddel, met een proeftijd voor de duur van 852 dagen (besluit VI d.d. 30 september 2015).

Bij uitspraak van deze rechtbank d.d. 19 februari 2016 is de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk herroepen voor een periode van 120 dagen, omdat veroordeelde de bijzondere voorwaarde van het niet gebruiken van alcohol en drugs had overtreden.

Bij uitspraak van deze rechtbank d.d. 22 juni 2016 is de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 90 dagen, te rekenen vanaf 23 juni 2016, toegewezen.

Op 12 september 2016 heeft advocaat-generaal mr. M.H.D.M. van Leent een wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling afgegeven, waarbij de algemene voorwaarden zijn gehandhaafd en de bijzondere voorwaarden als volgt zijn gewijzigd:

  • -

    Locatiegebod: veroordeelde zal gedurende de proeftijd op vooraf door de reclassering vastgestelde tijdstippen aanwezig zijn op de locatie: [adres]. De naleving van deze bijzondere voorwaarde wordt ondersteund door middel van elektronisch toezicht;

  • -

    Meldplicht: veroordeelde zal zich twee werkdagen na invrijheidstelling melden bij GGZ reclassering Palier, Stationsplein 21, 1703 VD Heerhugowaard en zal zich gedurende de proeftijd blijven melden zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht en zal zich gedurende de proeftijd houden aan de aanwijzingen en opdrachten van de reclassering;

  • -

    Drugs- en alcoholverbod en onderzoeksplicht: veroordeelde zal zich onthouden van het gebruik van verdovende middelen genoemd op lijst 1 en 2 behorende bij de Opiumwet (harddrugs en/of softdrugs) en alcohol en zal ten behoeve van de naleving van dit verbod meewerken aan bloedonderzoek of urineonderzoek of een ander controlemiddel;

  • -

    Opname in een zorginstelling – klinische behandeling: veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd, per 22 september 2016, laten opnemen in de Mentrum kliniek Verslaving en Psychiatrie, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij hij zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

  • -

    Behandeling door deskundige of zorginstelling – ambulante behandeling: veroordeelde zal zich aansluitend op de klinische behandeling onder behandeling stellen van GGZ Noord-Holland, althans van een soortgelijke zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen en zal zich ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek kortdurend klinisch laten opnemen voor de duur van maximaal zeven weken.

Ingevolge de beslissing van deze rechtbank van 22 juni 2016 is veroordeelde op 21 september 2016 in vrijheid gesteld.

Op 23 december 2016 is veroordeelde in zijn woning aan [adres] aangehouden wegens overtreding van de bijzondere voorwaarde ter zake het drugs- en alcoholverbod.

Bij beslissing van 24 december 2016 heeft de rechter-commissaris het bevel gegeven de voorwaardelijke invrijheidstelling te schorsen.

De vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 22 december 2016 strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept voor 642 dagen nu veroordeelde de bijzondere voorwaarde ter zake het drugs- en alcoholverbod meerdere malen heeft overtreden.

De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op het reclasseringsadvies van 21 december 2016 van [R], als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Palier Heerhugowaard B&T.

De behandeling ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 17 januari 2017.

De veroordeelde is ter terechtzitting verschenen en werd bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar.

Voorts was ter terechtzitting aanwezig [R], als reclasseringswerkster verbonden aan GGZ reclassering Palier te Heerhugowaard.

Het standpunt van de reclassering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Advies aan opdrachtgever toezicht ‘herroeping VI, gedateerd 21 december 2016 en opgesteld door [R]. Het advies houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene is op 21 september 2016 voorwaardelijke invrijheidstelling verleend, met onder andere de bijzondere voorwaarde dat hij zich direct zou laten opnemen in de kliniek van Mentrum te Amsterdam. Op 22-09-2016 is GGZ reclassering Palier door Mentrum ingelicht dat betrokkene niet is gearriveerd op het gewenste tijdstip. Hierop heeft GGZ reclassering Palier contact met betrokkene opgenomen. Betrokkene gaf aan thuis te zijn en zich binnen twee dagen te komen melden bij de reclassering (zoals opgenomen in zijn bijzondere voorwaarden). Hij was, naar eigen zeggen, niet op de hoogte van het feit dat hij drie maanden klinisch diende te worden opgenomen. Betrokkene was niet meer in staat om met het openbaar vervoer zich tijdig in Amsterdam te melden, waardoor de opname geen doorgang heeft kunnen vinden. Aan het verzoek van GGZ reclassering Palier om de opname van betrokkene een dag uit te stellen, voldeed Mentrum niet.
Door het mislukken van de opname bij Mentrum, heeft betrokkene onmiddellijk een van zijn bijzondere voorwaarden overtreden. Nadat Mentrum aangaf dat betrokkene op 12 oktober 2016 alsnog opgenomen kon worden, heeft overleg plaatsgevonden met het Cvvi. Er is gekozen om betrokkene geen waarschuwing te geven en VI-toezicht van betrokkene voort te zetten.

Op 5 oktober 2016 heeft de reclassering betrokkene gezien in het kader van zijn meldplicht. Er is bij betrokkene een UC afgenomen en hij scoorde hierop positief.

Betrokkene is op 12 oktober 2016 opgenomen op de afdeling Intensieve Crisis Vlaardingenlaan van Mentrum Amsterdam, voor detoxificatie van middelen, stabilisatie en diagnostiek inzake ADHD. Betrokkene heeft in de kliniek aangegeven niet gemotiveerd te zijn voor abstinentie van middelen. Hij gaf aan zijn leefstijl niet te willen veranderen omdat hij teveel waarde hecht aan het middelengebruik.

Op 8 november 2016 verneemt de reclassering van Mentrum dat betrokkene een positieve urinecontrole heeft op drugs. Hiervoor heeft de reclassering hem een officiële waarschuwing aangezegd.

Op 5 december 2016 is betrokkene ontslagen uit de kliniek van Mentrum en verblijft sinds die tijd thuis. De behandeling van het Forensisch ACT van GGZ Noord Holland Noord wordt gecontinueerd en zij bezoeken betrokkene thuis.

Op 9 december 2016 heeft de reclassering betrokkene voor het eerst gesproken in het kader van zijn meldplicht na einde opname kliniek. Betrokkene scoorde toen een negatieve urinecontrole. Betrokkene geeft in het gesprek aan dat hij het waarschijnlijk niet lang zal volhouden om zich te houden aan zijn middelenverbod daar hij niet de wens heeft, noch de noodzaak ziet voor abstinentie. Hij spreekt uit dat hij “nog liever in detentie zit dan zich te moeten houden aan het middelenverbod”. Betrokkene bagatelliseert en minimaliseert de risico’s op recidive, alsmede het gevaarsrisico voortvloeiend uit het middelengebruik.

Op 16 december 2016 heeft het volgende meldplicht gesprek plaatsgevonden. Betrokkene gaf aan verschillende typen harddrugs en alcohol te hebben genomen. Dit werd bevestigd door een urinecontrole.

GGZ Palier reclassering acht de risico’s hoog op nieuw delictgedrag, daar betrokkene zijn alcohol- en drugsverbod overtreedt. Gezien de hoge mate van agressie delicten op het UJD van betrokkene is er een sterk verhoogd gevaarsrisico voor derden. Middelengebruik is in sterke mate delict gerelateerd. Betrokkene uit consequent dat hij niet de wens heeft, noch de noodzaak ziet in het abstinent worden van middelen. Beïnvloeding van de reclassering op dit risico is vooral dankzij de houding van betrokkene niet mogelijk.

GGZ Palier Reclassering acht het niet mogelijk om de risico’s te beïnvloeden, noch te verminderen daar het ambulante kader hiertoe onvoldoende mogelijkheden biedt. Betrokkene heeft zijn alcohol- en drugsverbod meermaals overtreden. Betrokkene biedt op geen enkele manier een ingang om passende hulpverlening te accepteren. Zolang betrokkene niet tot (enig) inzicht komt dat abstinentie voor hem noodzakelijk is om recidive

in de toekomst te voorkomen zal een behandeling moeizaam tot stand komen of effect sorteren.

GGZ reclassering Palier ziet sinds de hernieuwde fase van VI geen verandering ontstaan bij

betrokkene. Betrokkene bevestigt dit beeld zelf ook in de contactmomenten met de reclassering. Het recidiverisico blijft hoog. Letselschade voor derden blijft aanwezig gezien het indexdelict, de verslavingsproblematiek en de pro criminele houding van betrokkene.

Advies: vordering herroeping van de VI.

Ter terechtzitting is [R] gehoord. Zij heeft voornoemd advies onderschreven. Van de wijkagent heeft zij vernomen dat er op 9 oktober 2016 een interventie heeft plaatsgevonden in verband met een verdenking van mishandeling.

Het standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, gezien het reclasseringsrapport, de gehele voorgeschiedenis en het feit dat veroordeelde aangeeft dat hij zich niet abstinent houdt. Hoewel het haar nog niet bekend was, bevestigt volgens de officier van justitie het recente incident op 9 oktober 2016 het gevaarsrisico. Veroordeelde zal in verband met dat incident worden gedagvaard, primair voor openlijk geweld, subsidiair voor mishandeling.

In verband met de huidige detentie gaat het bij de herroeping van de voorwaardelijk invrijheidstelling thans nog om 618 dagen gerekend tot aan de zittingsdatum.

Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman

Veroordeelde heeft aangevoerd dat hij voor een periode van drie maanden zou worden opgenomen in Mentrum. Hij heeft vrijwillig meegewerkt aan een ADHD test. Ook heeft hij tweemaal een terugval gehad bij Mentrum, maar dat hoort bij het herstel. Vanwege het feit dat Mentrum niets meer voor hem kon doen, is hij na twee maanden ontslagen.

Veroordeelde erkent dat hij nog steeds een verslavingsprobleem heeft, dat niet zo gemakkelijk met behandeling is op te lossen. Het is ook niet realistisch om van iemand die zolang al gebruikt te verlangen dat hij het middelengebruik achterwege laat. Van crimineel gedrag heeft hij zich al langer geleden gedistantieerd. Hij heeft in het verleden met de GGZ gewerkt en een eigen woning geregeld. Veroordeelde geeft er de voorkeur aan zijn hele gevangenisstraf, waarvan de einddatum begin 2018 zou zijn, uit te zitten om niet steeds weer opnieuw een leven na detentie te moeten opstarten.

Het klopt dat hij zich na 9 oktober 2016 heeft moeten melden op het politiebureau. Veroordeelde was naar eigen zeggen gezien op camerabeelden in de buurt van een incident, maar had daarmee zelf niets te maken. Van een dagvaarding is hem niets bekend.

De raadsman heeft verzocht de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een beperkte periode, bijvoorbeeld 180 dagen, uit te stellen in de hoop dat veroordeelde daaruit de motivatie haalt om alsnog te voldoen aan de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Een klinische opname zou veroordeelde nog een extra duwtje in de rug kunnen geven om af te zien van middelengebruik. Veroordeelde heeft een woning, krijgt de steun van zijn moeder en de contacten met de GGZ zijn goed. Hij heeft niet gerecidiveerd.

De beoordeling

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vordering, nu deze tijdig en op de bij de wet voorgeschreven wijze is ingediend en ook overigens voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Ter beslissing ligt opnieuw voor de vordering om de VI te herroepen, ditmaal voor de resterende periode. Anders dan waarvan veroordeelde kennelijk uitgaat, gaat het nog om een periode van bijna twee jaar.

Bij het opleggen van de gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar heeft de rechtbank (nadien overgenomen door het gerechtshof) acht geslagen op de rapportage, die de reclassering destijds heeft opgesteld. Daaruit volgde een advies om geen bijzondere voorwaarden op te leggen bij een eventueel voorwaardelijk deel van de uit te spreken straf. Uitgangspunt bij het opleggen van die straf moet daarom zijn geweest dat de toenmalige verdachte na de reguliere VI-periode voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld, onder de algemene voorwaarden.

Op 3 oktober 2015 is veroordeelde echter in vrijheid gesteld onder het stellen van enkele bijzondere voorwaarden, hoewel de reclassering in haar advies had aangegeven dat veroordeelde niet in staat zou zijn zich aan die bijzondere voorwaarden te houden. Zoals hiervoor in deze beslissing omschreven heeft veroordeelde zich ook inderdaad niet aan de bijzondere voorwaarden gehouden, met name overtrad hij het alcohol- en drugsverbod. Dat leidde tot de beslissing van deze rechtbank om de VI op 19 februari 2016 te herroepen voor een periode van 120 dagen. Bij beslissing van 22 juni 2016 is vervolgens de daadwerkelijke VI van veroordeelde op vordering van de officier van justitie uitgesteld voor een periode van 90 dagen.

Voorafgaande aan deze nieuwe VI heeft de reclassering in haar rapport van 4 mei 2016 opnieuw vermeld dat de kans op onttrekking aan eventueel opgelegde bijzondere voorwaarden zeer hoog was. Bij wijzigingsbesluit van 12 september 2016 zijn echter wederom bijzondere voorwaarden aan veroordeelde opgelegd, behorende bij zijn VI per 21 september 2016. En weer heeft veroordeelde zich niet aan het alcohol- en drugsverbod gehouden, wat opnieuw heeft geleid tot zijn aanhouding en schorsing van de VI per 23 december 2016.

Met inachtneming van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de algehele herroeping van de VI geen recht doet aan de intentie van de destijds uitgesproken straf en de omstandigheden van veroordeelde. Hierbij speelt een rol dat verdachte in de twee perioden dat hij niet gedetineerd zat (in totaal ruim 8 maanden) geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. (Dat zou nog anders kunnen worden, als veroordeelde wel zal worden veroordeeld voor een strafbaar feit, dat hij op 9 oktober 2016 zou hebben gepleegd. In dat geval is dan sprake van overtreding van de belangrijkste algemene voorwaarde, zodat om die reden de VI zal kunnen worden herroepen).

Bovendien had veroordeelde in samenwerking met zijn GGZ-begeleidster gezorgd voor een dagbesteding, een (eigen) woning en zorg- en huurtoeslag.

In al deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de VI-periode slechts gedeeltelijk te herroepen en wel voor een periode van 120 dagen, waarbij de schorsingsdatum 23 december 2016 als begin van deze termijn zal gelden.

In de tussenliggende periode kunnen de op te leggen bijzondere voorwaarden met veroordeelde worden besproken. In het kader van artikel 15j van het Wetboek van Strafrecht adviseert de rechtbank om niet opnieuw de bijzondere voorwaarden drugs- en alcoholverbod en opname in een zorginstelling op te nemen. De voorwaarden meldplicht en ambulante GGZ-behandeling lijken echter juist wel in de rede te liggen.

Toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 15g en 15j van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe.

Gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat van deze periode 40 (veertig) dagen zal worden afgetrokken, zijnde de periode gedurende welke de veroordeelde rechtens zijn vrijheid ontnomen is geweest in verband met schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Deze beslissing is genomen door:

mr. H.E. van Harten, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 januari 2016.

Mr. Tuijp is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.