Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6760

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
C/15/260108 / FA RK 17-3364
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

223 Rv procedure: wijziging kinderbijdrage hangende bodemzaak:

Rechtbank concludeert dat een door de man te betalen kinderbijdrage van € 1.000 per maand voor de minderjarige in 2015 een grove miskenning van de wettelijke maatstaven is.

De onderhoudsplicht van de man jegens de minderjarige kan, met toepassing van de wettelijke maatstaven, immers nooit hoger zijn dan haar behoefte, in 2015 € 588.

- De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige voorzieningen procedure zich niet leent voor een diepgaand onderzoek naar de draagkracht van de man, gezien de complexe financiële situatie van de man en de ondernemingen waarin hij actief is.

- Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de bijdrage die de man nu betaalt niet in verhouding staat tot de bijdrage die hij op grond van zijn onderhoudsplicht jegens de minderjarige verschuldigd is, concludeert de rechtbank dat in dit geval sprake van een situatie dat van de man niet kan worden gevergd dat hij de eindbeslissing in de bodemzaak afwacht.

-

- Beide ouders dienen naar draagkracht in behoefte bij te dragen. Nog niet duidelijk is wat de draagkracht van de man is, wel staat echter reeds nu vast dat zijn beschikbare draagkracht moet worden verdeeld over drie kinderen. De rechtbank zal daarom in het kader van de voorlopige voorziening de door de man te betalen bijdrage voorlopig vaststellen op € 500 per maand, een bijdrage die het aandeel van de man in de behoefte van de minderjarige niet overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0228

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

vordering ex artikel 223 Rv / kinderbijdrage

zaak-/rekestnrs.: C/15/260108 / FA RK 17-3364 & 260077/17-3346

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 9 augustus 2017

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.G. Hendriks, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N. Grijmans-Veenendaal, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de 223 Rv- procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 8 juni 2017;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 6 juli 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen op 12 juli 2017.

Het verloop van de bodemzaak blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlage, van de man, ingekomen op 8 juni 2017;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 3 juli 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen op 12 juli 2017.

1.2

De behandeling van beide verzoeken heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 juli 2017, in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

2.2

Uit deze relatie is geboren de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , op [geboortedatum] in [plaats] .

De man is de biologische vader van [minderjarige] .

2.3

Bij vonnis in kort geding van 26 april 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de man veroordeeld om met ingang van de datum van het vonnis aan de vrouw een bedrag te betalen van € 1.020 per maand.

2.4

Op 8 juni 2017 heeft de man een verzoek ingediend om, voor zover hier van belang en samengevat, te bepalen dat hij gehouden is om met ingang van de datum van indiening van zijn verzoekschrift aan de vrouw een kinderbijdrage te betalen van € 308 per maand. Dit verzoek, geregistreerd onder zaaknr. 260077/17-3346, zal hierna ook worden aangeduid als: de bodemzaak.

3 Verzoek

3.1

De man heeft bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv verzocht te bepalen dat hij aan de vrouw een kinderbijdrage dient te betalen van € 308 per maand met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift.

3.2

De man stelt dat hij de door de voorzieningenrechter in kort geding voorlopig bepaalde kinderalimentatie onmogelijk kan betalen en in grote financiële nood komt als hij dit bedrag gedurende de bodemzaak moet doorbetalen. Voor de onderbouwing van het verzochte bedrag verwijst hij naar het verzoekschrift in de bodemzaak en de daarbij gevoegde inkomensgegevens en draagkrachtberekening.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1

De vrouw heeft primair aangevoerd dat de man niet ontvankelijk is, omdat de voorzieningenrechter zich reeds over de kwestie heeft uitgelaten. Omdat de man geen nieuwe omstandigheden aanvoert, is het in strijd met een goede procesorde om dezelfde spoedvoorziening voor de tweede keer te vragen. Als de man zich in het kort geding vonnis niet kon vinden, had hij in hoger beroep moeten gaan, aldus de vrouw.

Subsidiair verwijst zij naar het verweerschrift dat in de bodemzaak is ingediend en voert aan dat sprake is van een alimentatieovereenkomst die moet worden nagekomen. De vrouw betoogt dat toewijzing van het verzoek van de man zal betekenen dat de welstand voor [minderjarige] direct zal afnemen, nu zij gewend is aan de kinderalimentatie (met component voor de moeder) van € 1.000 per maand.

4.2

De vrouw verzoekt de rechtbank af te wijken van de compensatie van kosten en de man in haar kosten van de voorlopige voorzieningenprocedure te veroordelen.

5 Beoordeling

In de bodemzaak, .zaaknr. 260077/17-3346

5.1

Door een misverstand ter griffie van de rechtbank is partijen op 14 juni 2017 bericht dat de mondelinge behandeling van zowel de provisionele vordering als de bodemzaak zou plaatsvinden op 13 juli 2017. Hierbij is niet onderkend dat de verweertermijn in de bodemzaak eerst kort voor de geplande zitting zou verstrijken en is eraan voorbijgegaan dat het procesreglement alimentatie voorziet in een 10-dagentermijn voor het inzenden van nadere stukken.

5.2

Nadat de vrouw haar verweerschriften in beide procedures had ingediend, heeft de man op 12 juli 2017 aanvullende stukken betreffende zijn draagkracht ingezonden. Sprake is, aldus de man, van stukken die een reactie zijn op het verweerschrift van de vrouw en/of niet op een eerder tijdstip beschikbaar waren. De vrouw heeft ter zitting betoogd dat de stukken te laat zijn ingediend en heeft de rechtbank verzocht deze buiten beschouwing te laten. De vrouw benadrukt dat de man deze stukken op een eerder tijdstip had moeten/kunnen indienen, omdat het op zijn weg ligt om zijn verzoekschrift voldoende te onderbouwen.

5.3

De rechtbank heeft deze stukken ook pas kort voor de zitting gekregen en daarom niet voldoende kunnen bestuderen. De rechtbank stelt voorts vast dat alle betrokkenen het met elkaar eens zijn dat de financiële situatie van de man en de ondernemingen waarin hij actief is, zeer complex is. Een diepgaand onderzoek naar de draagkracht van de man gaat het bestek van de thans voorliggende procedure te buiten.

Omdat in dit geval de in het Procesreglement Alimentatie voorgeschreven werkwijze voor de behandeling van alimentatieverzoeken voor de bodemzaak tussen partijen niet is gevolgd, acht de rechtbank het in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde om de door de man ingediende stukken in de bodemprocedure buiten beschouwing te laten.

5.4

De rechtbank zal daarom bepalen dat de bodemprocedure op een nader te bepalen zitting van de meervoudige kamer zal worden voortgezet en dat de griffier partijen en hun advocaten voor de nader te bepalen zitting zal oproepen. Beide partijen dienen overeenkomstig het Procesreglement alle relevante recente financiële gegevens en onderliggende stukken en draagkrachtberekeningen tijdig voor de zitting in het geding te brengen. De vrouw zal dan ook uitsluitsel kunnen geven over haar aanspraak op Kindgebonden Budget.

In de provisionele vordering, zaaknr. 260108/17-3364

5.5

Bij uitspraak van 5 december 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Ingevolge dit artikel kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Een voorlopige voorziening als hier bedoeld kan pas worden gevorderd indien en nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt, terwijl de incidentele vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onderhavige incidentele vordering aan deze criteria wordt voldaan, zodat de man ontvankelijk is in zijn vordering.

5.6

De rechtbank verwerpt het betoog van de vrouw dat de (enkele) omstandigheid dat tussen partijen over de betalingsverplichting van de man een kort geding procedure is gevoerd, met zich zou brengen dat de man in zijn onderhavige verzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank zal het verzoek van de man inhoudelijk beoordelen. Indien deze beoordeling tot de conclusie leidt dat de man de onderhavige rechtszaak onvoldoende zorgvuldig heeft doordacht en voorbereid, ten gevolge waarvan de vrouw zich opnieuw tot een advocaat heeft moeten wenden en opnieuw kosten heeft moeten maken, kan de rechtbank de man op grond van artikel 237 Rv in de kosten veroordelen.

5.7

Voor de vraag of plaats is voor toewijzing van het verzoek van de man om verlaging van de kinderbijdrage in het kader van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv dient de rechter, evenals in kort geding, te onderzoeken of de vordering van de verzoeker voldoende aannemelijk is en of een spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende spoedeisend belang bij de incidentele vordering is sprake indien van de eisende partij niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht, hetgeen het geval kan zijn wanneer op grond van een eindbeslissing in de hoofdzaak vast staat dat het provisioneel gevorderde uiteindelijk zal worden toegewezen (HR 14 november 1997, LJN: ZC2489). De rechter dient daarbij de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

5.8

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij een dringend financieel belang heeft bij een voorlopige voorziening, nu hij de door de voorzieningenrechter in kort geding voorlopig bepaalde kinderbijdrage onmogelijk kan betalen en in grote financiële nood komt als hij dat bedrag hangende de bodemzaak moet doorbetalen. Nog daargelaten dat de man betwist dat een overeenkomst over de kinderbijdrage tot stand gekomen is, betoogt hij dat hij tot zijn nek in de schulden zit, zowel zakelijk als privé en dat zijn financiële situatie sinds 2015 verslechterd is. Voor de onderbouwing van het verzoekschrift verwijst hij naar het in de bodemzaak ingediende verzoekschrift en de daarbij gevoegde inkomensgegevens en draagkrachtberekening.

5.9

Het geding tussen partijen spitst zich primair toe op de vraag of er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure ervan uit te gaan dat een (mondelinge) overeenkomst tot stand is gekomen. Het betreft hier uitdrukkelijk een voorlopige oordeel hetgeen impliceert dat dit twistpunt onderwerp van nadere inhoudelijke bespreking en beoordeling zal moeten zijn in de bodemzaak.

Uitgaande van de aanname dat een overeenkomst tot stand is gekomen kan een dergelijke overeenkomst vervolgens, ingevolge artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW), worden gewijzigd of ingetrokken indien sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Van grove miskenning kan sprake zijn indien er een duidelijke wanverhouding is tussen de bijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen.

5.10

De rechtbank zal in dit geding eerst de vraag bespreken of sprake is van een wanverhouding in voornoemde zin. Bij de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank de navolgende vaststaande feiten en omstandigheden van belang.

Partijen hebben nimmer samengewoond. De vrouw vormt met [minderjarige] een eenoudergezin. De man is ongehuwd. Hij woont (nog) samen met een partner. Tot zijn huishouden behoren ook de kinderen uit een eerdere relatie: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] . De man is de enige onderhoudsplichtige voor deze kinderen, hun moeder is overleden. Omdat partijen niet met elkaar gehuwd zijn geweest, zijn zij niet onderhoudsplichtig jegens elkaar.

5.11

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank de gang van zaken rond de afspraken over de betalingen als volgt gereconstrueerd. De man heeft de eerste vijf maanden na de geboorte van [minderjarige] geen bijdrage voor haar betaald. In september 2015 heeft de man een bedrag van € 1.000 aan de vrouw overgemaakt. Partijen verschillen van mening over de aard en grondslag van deze betaling. Na aandringen van de vrouw is de man dit bedrag maandelijks blijven betalen. Omstreeks april/mei 2016 heeft de vrouw het initiatief genomen om door haar advocaat een overeenkomst op schrift te doen stellen waarin diverse aspecten – bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding, contact, informatie en afstamming – worden geregeld. Uit de mailwisseling tussen de vrouw en de man in deze periode blijkt dat de man kanttekeningen is blijven plaatsen wanneer de bijdrage van € 1.000 ter sprake kwam, maar er niet ondubbelzinnig afstand van heeft genomen. Een en ander heeft geleid tot het 2e aangepaste concept overeenkomst 21 juni 2016, opgesteld door de advocaat van de vrouw. Artikel 3.1 hiervan luidt: “ De bijdrage van de biologische vader in de kosten van [minderjarige] zijn door partijen in onderling overleg begroot op € 1.000. Dit bedrag wordt door de biologische vader reeds vanaf september 2015 overgemaakt naar het rekeningnummer van moeder. Partijen zijn ermee bekend dat de hoogte van dit bedrag afwijkt van de wettelijke maatstaven. De afwijking is overeengekomen omdat de man vooralsnog geen rol kan/ wil spelen in het leven van [minderjarige] en hij ervoor kiest om het bestaan van [minderjarige] in zijn directe omgeving vooralsnog niet kenbaar te maken. De volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet dus worden uitgevoerd door moeder, waardoor moeder wordt beperkt in het benutten van haar verdiencapaciteit.” De man heeft deze overeenkomst niet ondertekend.

5.12

Een schriftelijke overeenkomst waar beide partijen zich in konden vinden is uiteindelijk niet tot stand gekomen. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop het bedrag van € 1.000 tot stand is gekomen. Volgens de vrouw is het bedrag aangehouden dat de man in september 2015 is gaan betalen en is dit in overleg tot stand gekomen. Bij de bepaling ervan zijn partijen, aldus de vrouw, uitgegaan van wat er aan bijdrage nodig was en is daarbij rekening gehouden met het feit dat de man geen deel kan /wil nemen in de zorgtaken. Omdat de moeder hierdoor in haar werk als zelfstandig rijschoolhouder wordt beperkt in het aantal uren dat zij kan werken, is er afgeweken van de wettelijke maatstaven. Partijen hebben bewust gekozen voor een kinderbijdrage waarin een component voor het levensonderhoud van de vrouw is begrepen. De advocaat van de vrouw doet een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2877 waaruit – samengevat - blijkt dat ouders kunnen afwijken van de wettelijke normen door de kinderbijdrage vast te stellen op een hoger bedrag dan de behoefte van de kinderen, door erin een component als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op te nemen.

5.13

De man heeft aangevoerd dat hij in september 2015 een bedrag van € 1000 ineens heeft betaald omdat hij enige maanden niets had bijgedragen, maar dat hieraan geen berekening is voorafgegaan. Nadien heeft hij steeds naar de vrouw benadrukt dat hij wil betalen voor [minderjarige] doch zich niet kan/wil vastleggen op een bedrag van € 1.000 per maand. Hij heeft de vrouw tal van keren laten weten dat deze bijdrage ver boven de verplichte bijdrage is. Volgens de man heeft hij geprobeerd om het probleem en zijn eigen schuldgevoel af te kopen, hoewel hij de bijdrage van € 1.000 per maand financieel eigenlijk niet kan opbrengen.

behoefte [minderjarige]

5.14

De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling van de behoefte van het kind aan een kinderbijdrage de tabel ‘Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen’ van het NIBUD, die behoort bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) pleegt te worden aangehouden. Uitgangspunt van deze tabel is dat ouders een bepaald percentage van hun gezinsinkomen aan hun kinderen besteden. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen.

5.15

Indien, zoals in geval van partijen, sprake is van ouders die nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt de behoefte van een kind aldus bepaald dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder. Voor zover de vrouw betoogt dat de behoefte van [minderjarige] moet worden bepaald op het bedrag dat de man nu betaalt, omdat ze aan deze welstand gewend is geraakt, faalt dit dus.

5.16

[minderjarige] is geboren op [geboortedatum] . Voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] is derhalve maatgevend de Tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen’ van 2015 en moet gerekend worden met vier punten. Ervan uitgaand dat het NBI van de man hoger was dan het maximumbedrag van € 6.000,- per maand, is de aan zijn inkomen gerelateerde behoefte van [minderjarige] € 960.

5.17

Voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] op basis van het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de in de aangifte IB 2015 van de vrouw opgenomen bedragen: een inkomen uit WIA-uitkering van € 17.710 en een winst uit onderneming van

€ 1.774. De rechtbank begroot het NBI van de vrouw in 2015 op € 1.611 en de hieraan gerelateerde behoefte van [minderjarige] op € 215 per maand.

5.18

Het vorenstaande betekent dat de behoefte van [minderjarige] volgens de toepasselijke Tremanormen in 2015 (€ 960 + € 215) : 2 = € 587,50 (afgerond: € 588) is. Met toepassing van de wettelijke indexering per 1 januari 2017 € 608.

5.19

De vrouw heeft aangevoerd dat de kinderbijdrage, in overleg tussen partijen, is verhoogd met een component levensonderhoud voor haarzelf. De rechtbank stelt vast dat de man niet onderhoudsplichtig is jegens de vrouw, omdat partijen niet gehuwd zijn geweest. Het beroep van de vrouw op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 1999 miskent dat betrokkenen in die zaak gehuwd waren geweest. In de kinderbijdrage hebben zij daarom een component begrepen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, die daartegenover afzag van alimentatie voor zichzelf. Voor zover in de bijdrage die de man nu maandelijks aan de vrouw betaalt een component voor levensonderhoud van de vrouw is opgenomen, is dit, nu er in het geheel geen onderhoudsverplichting is van de man voor de vrouw, in strijd met de wettelijke maatstaven.

5.20

De omstandigheid dat de man om hem moverende redenen geen rol wil / kan spelen in het leven van [minderjarige] en de volledige verzorging door de vrouw moet worden uitgevoerd, kan overigens, anders dan door de vrouw is betoogd, geen grondslag vormen om de behoefte van een kind te verhogen. Dit betoog gaat eraan voorbij dat de essentie van zorgkorting is dat deze op het berekende aandeel van de onderhoudsplichtige in de kosten van een kind in mindering wordt gebracht, waarbij het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg.

5.21

Blijkens de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen kunnen, als er sprake is van een alleenstaande ouder, hoge oppaskosten leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Gesteld noch gebleken is dat deze kosten door de vrouw zijn / worden gemaakt.

draagkracht man

5.22

Bij de vraag of sprake is (geweest) van grove miskenning van de wettelijke maatstaven dient ook te worden betrokken dat, indien een onderhoudsplichtige voor meerdere kinderen onderhoudsplichtig is, de beschikbare draagkracht naar rato van de behoefte over de kinderen moet worden gedeeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat dit aspect bij de bepaling van de hoogte van de bijdrage is betrokken. Dit klemt temeer nu de beide andere kinderen altijd in gezinsverband met de man hebben gewoond en hun aan zijn inkomen gerelateerde behoefte (dus) hoger dan die van [minderjarige] is.

draagkracht vrouw

5.23

De rechtbank overweegt dat, voor zover de man de volledige kosten van [minderjarige] betaalt en deze kosten niet over partijen verdeeld worden, dit eveneens in strijd is met de wettelijke maatstaven. Beide ouders zijn immers verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van hun minderjarige kinderen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de in artikel 3, eerste lid, van het door de vrouw in het geding gebrachte concept convenant opgenomen formulering dat verhogingen van de draagkracht van de moeder en / of een verandering van haar burgerlijke staat geen invloed zullen uitoefenen op de hoogte van de bijdrage van de man, eveneens in strijd met de wettelijke maatstaven is. Deze formulering lijkt overigens (ook) ontleend te zijn aan situaties waarin sprake is van een wederzijdse onderhoudsplicht van ouders omdat zij met elkaar gehuwd zijn geweest.

conclusie

5.24

Op grond van al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat een door de man te betalen kinderbijdrage van € 1.000 per maand voor [minderjarige] in 2015 een grove miskenning van de wettelijke maatstaven is. De onderhoudsplicht van de man jegens [minderjarige] kan, met toepassing van de wettelijke maatstaven, immers nooit hoger zijn dan haar behoefte, in 2015 € 588. De man is niet onderhoudsplichtig jegens de vrouw.

5.25

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige voorzieningen procedure zich niet leent voor een diepgaand onderzoek naar de draagkracht van de man, gezien de complexe financiële situatie van de man en de ondernemingen waarin hij actief is.

Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de bijdrage die de man nu betaalt niet in verhouding staat tot de bijdrage die hij op grond van zijn onderhoudsplicht jegens [minderjarige] verschuldigd is, concludeert de rechtbank dat in dit geval sprake van een situatie dat van de man niet kan worden gevergd dat hij de eindbeslissing in de bodemzaak afwacht.

5.26

De rechtbank overweegt dat het in het belang van [minderjarige] is dat in ieder geval wordt voorzien in haar behoefte. Beide ouders dienen hierin naar draagkracht bij te dragen. Nog niet duidelijk is wat de draagkracht van de man is, wel staat echter reeds nu vast dat zijn beschikbare draagkracht moet worden verdeeld over drie kinderen. De rechtbank zal daarom in het kader van de voorlopige voorziening de door de man te betalen bijdrage voorlopig vaststellen op € 500 per maand, een bijdrage die het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] niet overschrijdt.

De rechtbank geeft partijen mee dat de hierna vast te stellen bijdrage een voorlopig karakter heeft en dat in de bodemprocedure een andere bijdrage kan worden vastgesteld.

ingangsdatum

5.27

De man heeft verzocht als ingangsdatum te bepalen de datum van indiening van het verzoekschrift. De vrouw heeft tegen deze ingangsdatum geen (inhoudelijk) verweer gevoerd. De rechtbank zal het verzoek toewijzen en als ingangsdatum bepalen 8 juni 2017.

proceskosten

5.28

De rechtbank zal, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 Beslissing

De rechtbank:

In de provisionele vordering, zaaknr. 260108/17-3364

6.1

Bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

op € 500 per maand, met ingang van 8 juni 2017, wat toekomstige termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen.

6.2

Compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.3

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.In de bodemzaak, zaaknr. 260077/17-3346

6.5

Bepaalt de voortzetting van de behandeling van de zaak op een nader te bepalen zitting van de meervoudige kamer en bepaalt dat de griffier partijen en hun advocaten zal oproepen voor de nader te bepalen zitting.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Heyning - Huydecoper, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. Kroon als griffier en in het openbaar uitgesproken op

9 augustus 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.