Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6723

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
C/15/240122 / FA RK 16-1387 en C/15/244691 / FA RK 16-3639
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken tot limitering en nihilstelling van de partneralimentatie. Schenkingen worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen ter bepaling van de behoefte aan partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

RvD

zaak- en rekestnummers: C/15/240122 / FA RK 16-1387 en C/15/244691 / FA RK 16-3639

Beschikking van 12 juli 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P. Dorhout, gevestigd te Egmond aan den Hoef,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J. van Embden, gevestigd te Amstelveen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 29 februari 2016;

- het aanvullend verzoekschrift, met producties 3 tot en met 8, van de vrouw, ontvangen op 2 mei 2016;

- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man, ontvangen op 30 mei 2016;

- het bericht, met producties 1 tot en met 16, van de man, ontvangen op 28 juni 2016;

- het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, met producties 1 tot en met 9, van de vrouw, ontvangen op 25 juli 2016;

- het formulier verdelen en verrekenen van de vrouw, ontvangen op 17 november 2016;

- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ontvangen op 17 mei 2017;

- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ontvangen op 24 mei 2017;

- de brief, met producties 17 tot en met 34, van de man, ontvangen op 29 mei 2017;

- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ontvangen op 1 juni 2017;

- het aanvullend verzoekschrift, met productie 17, van de vrouw, ontvangen op 1 juni 2017.

1.2.

Na verleend uitstel heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 9 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Dorhout voornoemd, en de man, bijgestaan door mr. Van Embden voornoemd.

1.3.

De hierna te noemen minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft de rechtbank op 11 januari 2017 bericht dat hij van deze gelegenheid geen gebruik wenst te maken.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen op [huwelijksdatum] te [plaats] .

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

Daarnaast hebben partijen nog een jongmeerderjarige dochter, [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , die bij de man verblijft.

2.3.

Echtscheiding

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

2.3.3.

Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).

2.3.4.

Door de vrouw is geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat zij een ouderschapsplan heeft opgesteld en aan de man heeft voorgelegd, met als uitgangspunt dat [minderjarige] bij haar woont. De man heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat er geen overeenstemming over het ouderschapsplan bestaat, omdat het de wens van [minderjarige] is dat hij zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft en [minderjarige] geen vaste regeling met de vrouw wenst. Uit de processtukken blijkt dat de vrouw daar aanvankelijk mee kon instemmen, maar naar aanleiding van gewijzigde omstandigheden, heeft zij alsnog verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar vast te stellen.

De man heeft ter zitting verklaard dat hij, gelet op de huidige omstandigheden - waaronder het feit dat [minderjarige] sinds eind november 2016 feitelijk weer bij de vrouw woont - kan instemmen met het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. Ter zitting hebben beide partijen hun zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] uitgesproken. In dat kader hebben zij toegezegd mee te zullen werken aan systeemtherapie. Daarnaast gaat de man zich inzetten om op een laagdrempelige en positieve manier zijn contact met [minderjarige] te hervatten.

Gezien het vorenstaande en de leeftijd van [minderjarige] zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. Van de vrouw zal niet worden verlangd dat zij alsnog een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan in het geding brengt.

2.3.5.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

2.4.1.

Nu de man heeft ingestemd met vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw, zal het verzoek van de vrouw daartoe worden toegewezen. Niet gebleken is dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet.

2.4.2.

Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling, uitgaande van de situatie dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft, ingetrokken, zodat dit geen bespreking meer behoeft.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich, mede door middel van de door hen voorgenomen systeemtherapie, zullen blijven inzetten voor het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Dit is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk en op grond van de wet zijn de ouders ook verplicht om het contact met de andere ouder te stimuleren. Het vastleggen van een concrete zorgregeling is, gelet op de huidige omstandigheden en de leeftijd van [minderjarige] , niet aan de orde.

2.5.

Kinderbijdrage

2.5.1.

De vrouw heeft aanvullend verzocht een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (kinderbijdrage) vast te stellen van € 361,00 per maand.

2.5.2.

De man heeft gevraagd het verzoek van de vrouw af te wijzen en daartoe primair betoogd dat de vrouw de kosten van [minderjarige] dient te dragen, omdat zij de kinderbijslag voor hem ontvangt en een bedrag van € 50.000,00 van haar ouders heeft ontvangen voor de studie van [minderjarige] . De man voldoet de kosten van [jongmeerderjarige] , die bij hem woont.

Subsidiair heeft de man gesteld dat hij door de lasten van de echtelijke woning, en straks van zijn nieuwe woning, en het betalen van de belastingen van partijen geen draagkracht voor het betalen van een kinderbijdrage heeft.

Behoefte

2.5.3.

Partijen zijn het erover eens dat uitgegaan dient te worden van een behoefte van [minderjarige] van € 379,00 per maand.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen in hoeverre partijen over draagkracht beschikken om in deze behoefte te voorzien. Voor de volledigheid merkt de rechtbank daarbij op dat de partijen tevens een bedrag van € 50.000,00 van de ouders van de vrouw hebben ontvangen voor de studie van [jongmeerderjarige] . Dit bedrag heeft de man onder zich.

Draagkracht

2.5.4.

De rechtbank volgt de man niet in zijn primaire betoog dat de vrouw de kosten van [minderjarige] dient te dragen. De door de man genoemde omstandigheden ontslaan hem immers niet van zijn onderhoudsplicht jegens [minderjarige] .

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) van 2017, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 905,00 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Voor een inkomen beneden een NBI van € 1.325,00 is een minimum draagkracht van € 25,00 per kind maand van toepassing, met een totaal van € 50,00 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestaat.

2.5.5.

De man is fulltime in loondienst werkzaam bij de politie te [plaats] . Uit zijn jaaropgave 2016 blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal loon had van € 61.342,00. Dat de man thans een lager salaris ontvangt in verband met het vervallen van de zogenaamde “Bisschopsregeling” blijkt niet uit zijn salarisstroken 2017. Daarom zal de rechtbank uitgaan van het fiscaal loon van de man over 2016. Omdat de deelname aan de levensloopregeling een vrije keuze is van de man die niet voorgaat op zijn onderhoudsplicht, zal de rechtbank voornoemd fiscaal loon op dit punt nog corrigeren. De inleg op de levensloopregeling betreft afgerond € 237,00 per maand, zodat een bedrag van in totaal € 2.844,00 bij het fiscaal loon van de man wordt opgeteld.

Aan hetgeen de vrouw heeft gesteld over de (onbelaste) reiskostenvergoeding van de man gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank gaat er, gelet op de toelichting van de man ter zitting, van uit dat tegenover deze vergoeding reële reiskosten staan.

Uitgaande van bovengenoemde inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 3.422,00 per maand (zie aangehechte berekening).

De rechtbank ziet in hetgeen door de man is aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke draagkrachtformule en de daarin vervatte forfaitaire woonlast. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat rekening gehouden dient te worden met extra lasten (op grond van artikel 7.2 of 7.3 van de Tremanormen), heeft hij nagelaten om dit te onderbouwen.

Op basis van de formule bedraagt de draagkracht van de man 70% x [3.422 – (0,3 x 3.422 + 905] = € 1.043,00 per maand.

Omdat niet in geschil is dat de man alle kosten van [jongmeerderjarige] voldoet, maar niet is aangetoond wat de hoogte van de kosten van [jongmeerderjarige] zijn, zal de rechtbank deze redelijkerwijs gelijk stellen aan de behoefte van [minderjarige] van € 379,00 per maand. Dit betekent dat de draagkracht van de man ten behoeve van [minderjarige] op € 664,00 (€ 1.043,00 -/- € 379,00) per maand wordt bepaald.

2.5.6.

De vrouw is parttime (17 uur per week) in loondienst werkzaam bij [naam] . Haar salaris bedraagt blijkens haar salarisspecificaties van maart en april 2017 € 892,50 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. De vrouw ontvangt geen kindgebonden budget. Nu het NBI van de vrouw lager ligt dan € 1.325,00 per maand, dient haar in beginsel een minimum draagkracht van € 25,00 per maand ten behoeve van [minderjarige] te worden toegerekend.

Conclusie

2.5.7.

Omdat het inkomen van de vrouw echter lager ligt dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De rechtbank houdt geen rekening met zorgkorting, aangezien er geen sprake is van een zorgregeling.

Dit betekent dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] op het door de vrouw verzochte bedrag van € 361,00 per maand zal worden bepaald.

2.6.

Partnerbijdrage

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partnerbijdrage) vast te stellen van € 954,00 bruto per maand.

2.6.2.

De man heeft gevraagd dit verzoek af te wijzen. Hij heeft zowel de behoefte en de behoeftigheid alsook zijn draagkracht betwist.

Subsidiair heeft de man verzocht om de partnerbijdrage te beperken in duur tot het moment dat [minderjarige] 21 jaar wordt, meer subsidiair op nihil te stellen, vanaf het moment dat [minderjarige] 21 jaar wordt, dan wel op een datum die de rechtbank juist acht.

Behoefte

2.6.3.

De vrouw is bij de berekening van haar behoefte uitgegaan van een NBI van partijen van € 4.804,00 per maand. De vrouw meent dat ook de schenkingen van haar ouders hebben bijgedragen aan het welstandsniveau van partijen tijdens het huwelijk, zodat een bedrag van € 4.167,00 netto per maand bij het NBI dient te worden opgeteld. Op grond van de hofnorm bedraagt haar behoefte dan € 4.923,00 netto per maand. Zij heeft daarnaast verwezen naar de behoeftelijst die is overgelegd in het kader van een verzochte voorlopige voorziening, waaruit een netto-behoefte van € 3.274,00 volgt.

Het is de man niet duidelijk hoe de vrouw een netto besteedbaar gezinsinkomen heeft berekend van € 4.804,00, aangezien hij in 2015 een inkomen had van € 2.545.61 netto per maand en de vrouw niet werkte. De man betwist daarom de hoogte van de door de vrouw berekende behoefte, alsook toepassing van de hofnorm bij gebrek aan concrete gegevens betreffende haar kosten.

2.6.4.

Volgens vaste rechtspraak moet bij het bepalen van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met concrete gegevens over de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (zie het arrest van de Hoge Raad van 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050).

2.6.5.

In het onderhavige geval acht de rechtbank het echter niet reëel om de behoefte van de vrouw te relateren aan de welstand waarin partijen hebben geleefd. Vast staat dat deze welstand voornamelijk was gebaseerd op de substantiële schenkingen die partijen gedurende de samenleving van de ouders van de vrouw hebben ontvangen. De welstand is dus in sterke mate beïnvloed door een externe factor, die bij de behoeftebepaling geen rol mag spelen. Partijen kunnen immers niet geacht worden deze welstand na echtscheiding in stand te houden. Er kan niet van worden uitgegaan dat de ouders van de vrouw in dezelfde mate blijven schenken. Bovendien zullen eventuele schenkingen uitsluitend ten goede komen aan de vrouw.

Gelet hierop acht de rechtbank het in dit geval gepast om bij het bepalen van de behoefte van de vrouw de gestelde inkomsten door schenkingen buiten beschouwing te laten en uit te gaan van de hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen.

Partijen zijn eind 2015 feitelijk uiteen gegaan. De vrouw had - in ieder geval sinds 2000 - geen inkomen uit arbeid. Blijkens de jaaropgaaf 2015 had de man in dat jaar een fiscaal loon van € 54.990,00, zodat het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 3.032,00 per maand gesteld kan worden (zie aangehechte berekening). Hierop dienen de kosten van de kinderen van € 758,00 per maand (2x € 379,00) in mindering te worden gebracht, zodat een bedrag van € 2.274,00 resteert. Ingevolgde de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw derhalve € 1.364,00 netto per maand (€ 2.274,00 x 60%).

Behoeftigheid

2.6.6.

De man heeft aangevoerd dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij zelf in de kosten van haar levensonderhoud voorziet. Op dit moment benut zij haar verdiencapaciteit niet. Zij is in staat om meer te gaan werken. De vrouw heeft goede opleidingen genoten (Havo, Schoevers en een opleidingen in de VS aan de Bayler University), zij heeft bij [naam] als directiesecretaresse gewerkt en daarvoor in de hotelwereld en bij [naam] . De vrouw heeft geen zorg meer voor jonge kinderen. Daarnaast heeft de vrouw vermogen en zal zij vermogen verwerven uit de verkoop van de echtelijke woning, waarop zij kan interen. Ten slotte heeft de man betwist dat de vrouw woonlasten heeft. De ouders van de vrouw hebben een woning voor de vrouw gekocht, aldus de man.

De vrouw heeft betoogd dat zij in 2000 voor het laatst heeft gewerkt en dat haar secretaresse opleiding niet langer relevant is, nu deze van 28 jaar geleden dateert. De vrouw betaalt maandelijks huur voor de door haar bewoonde woning, alsmede een voorschot voor de kosten van gas, water en licht. De vrouw heeft betwist dat zij over vermogen beschikt. Zij zal evenals de man, uit de echtscheiding een bedrag van ca. € 300.000,00 ontvangen. De vrouw heeft sinds het feitelijk uiteengaan met de man geen schenkingen meer ontvangen en zij gaat er niet van uit dat zij in de toekomst nog schenkingen van haar ouders zal ontvangen.

2.6.7.

De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw op dit moment niet kan worden verwacht dat zij haar werkzaamheden uitbreidt. Zij heeft sinds 2000 niet meer gewerkt en hoewel [minderjarige] 17 jaar oud is, heeft hij nog veel zorg en aandacht nodig. Daarom is niet te verwachten dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat is zich in redelijkheid voldoende inkomsten te verwerven om volledig te voorzien in haar behoefte. Dat de vrouw geen woonlasten heeft, heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, voorts niet aannemelijk gemaakt.

In het kader van de behoeftigheid van de vrouw wordt tevens overwogen dat partijen ieder een vermogen uit de echtscheiding zullen ontvangen van ca. € 300.000,00 en dat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat de stelling van de vrouw, dat zij geen schenkingen meer heeft ontvangen en deze ook niet meer verwacht te ontvangen, onjuist is.

De vrouw heeft een inkomen uit loondienst van € 963,00 bruto per maand (inclusief 8% vakantietoeslag). Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (verband houdende met de partnerbijdrage) bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw € 904,00 bruto per maand (zie aangehechte berekening).

Draagkracht

2.6.8.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw.

De man heeft gesteld dat zijn draagkracht niet toereikend is om de enige partnerbijdrage te betalen. De vrouw heeft dat betwist.

2.6.9.

De rechtbank zal, net als bij de berekening van de kinderbijdrage, het fiscaal loon van de man zoals vermeld op de jaaropgave 2016 van € 61.342,00, te vermeerderen met de inleg levensloopregeling van € 237,00 per maand, in aanmerking nemen en rekening houden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Anders dan de vrouw acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met woonlasten van de man. Het feit dat hij - net als de vrouw - een vermogen van ca. € 300.000,00 uit de echtscheiding ontvangt, betekent niet dat hij dit bedrag in de woning moet investeren en dat bij de berekening van zijn draagkracht geen rekening dient te worden gehouden met hypotheeklasten, zoals de vrouw heeft gesteld. Aangezien de man de echtelijke woning nog bewoont en de lasten daarvan voldoet en nog onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de definitieve lasten van zijn nieuwe woning, zal de rechtbank als woonlasten de lasten van de echtelijke woning in aanmerking nemen.

Uit de beschikking voorlopige voorzieningen van 20 april 2017 volgt dat de door de man betaalde aftrekbare hypotheekrente € 4.291,00 per jaar bedraagt en het eigenwoningforfait
€ 4.785,00 per jaar. De rechtbank benadrukt dat dit een fictieve last betreft van een door de man bewoonde woning die hem volledig in eigendom toebehoort. Zoals gebruikelijk wordt daarnaast rekening gehouden met het forfait eigenaarslasten van € 95,00 per maand.

In navolging van de beschikking voorlopige voorzieningen van 20 april 2017 wordt tevens rekening gehouden met de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 196,00 per jaar.

Uit de door de man overgelegde zorgpolis 2017 blijkt dat de premie zorgverzekering thans € 161,00 per maand bedraagt. Met dit bedrag wordt rekening gehouden, onder aftrek van het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de kosten van € 379,00 per maand die de man voor [jongmeerderjarige] betaalt, alsmede met de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 361,00 per maand ten behoeve van [minderjarige] .

De rechtbank houdt tevens rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Nu partijen een gelijk vermogen uit de echtscheiding ontvangen, zal de rechtbank geen rekening houden met inkomen uit vermogen van de man.

2.6.10.

Hieruit volgt dat de man een draagkracht heeft van € 495,00 netto en € 836,00 bruto per maand (zie aangehechte berekening). De vrouw heeft aanvullende behoefte aan dit bedrag.

Jusvergelijking

2.6.11.

De man heeft gesteld dat hij door betaling van een partnerbijdrage in een slechtere financiële positie komt te verkeren dan de vrouw. De rechtbank ziet daarom aanleiding een zogenaamde jusvergelijking te maken. Daarbij houdt de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening met haar inkomen van € 892,50 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

De vrouw heeft gesteld dat zij haar ouders een bedrag van € 1.000,00 per maand aan huur betaalt, inclusief € 300,00 per maand als voorschot voor gas, water en licht. Zij heeft deze betalingen met bankschriften onderbouwd. De man heeft betwist dat de vrouw deze bedragen daadwerkelijk betaalt, omdat zij deze bedragen later weer krijgt geschonken. De vrouw heeft dit echter weersproken en concrete aanwijzingen dat de vrouw bedragen weer krijgt geschonken heeft de man niet aangedragen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de vrouw huur betaalt. Gelet op het hoogte van het inkomen van de vrouw acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een maximale kale huurlast van € 600,00 per maand. Daarnaast wordt redelijkerwijs, net als bij de man, rekening gehouden met een premie zorgverzekering van € 161,00 per maand. Geen rekening wordt gehouden met inkomen uit vermogen. Zoals gebruikelijk wordt de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60 in aanmerking genomen.

2.6.12.

Uit deze berekening blijkt dat de vrouw bij een partnerbijdrage van € 836,00 bruto per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man (zie aangehechte berekening), zodat er geen reden is deze bijdrage te matigen.

Limitering/Nihilstelling

2.6.13.

De man heeft verzocht de partnerbijdrage in duur te beperken dan wel op nihil te stellen, met als termijn de datum waarop [minderjarige] 21 jaar wordt. De man heeft daartoe gesteld dat hij politieagent is en dat het van belang is dat hij, gelet op deze fysiek zware baan, vervroegd zijn werkzaamheden kan afbouwen. Dit kan de man niet realiseren indien hij een partnerbijdrage aan de vrouw moet betalen. Hij zal twaalf jaar moeten blijven werken om aan zijn onderhoudsplicht te kunnen voldoen. Dit past niet in het licht van de huidige gedachte over limitering en de zelfstandigheid van vrouwen na echtscheiding. Ter zitting heeft hij nog toegevoegd dat de vrouw uit een zeer vermogende familie komt en erfgename zal zijn van een miljoenenvermogen, terwijl hij “slechts” wijkagent is. In dat licht acht hij onder meer het verzoek om partneralimentatie onredelijk.

2.6.14.

De vrouw heeft gevraagd om deze verzoeken van de man af te wijzen.

2.6.15.

Op grond van artikel 157, derde lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de uitkering later eindigt dan twaalf jaren na de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere HR 18 april 1997, NJ 1997/571 en HR 29 september 2006, LJN AY7000) is dat op de alimentatieplichtige een zware stelplicht rust.

Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde – behoudens het in artikel 1:401, tweede lid, BW omschreven uitzonderlijke geval – definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van een (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem passende wijze in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

2.6.16.

De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft voldaan aan de verplichting zijn verzoek tot limitering deugdelijk te motiveren, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw. Dat met voldoende zekerheid mag worden verwacht dat de vrouw binnen de wettelijke termijn in haar eigen onderhoud kan voorzien door haar werkzaamheden uit te breiden, volgt onvoldoende uit de stellingen van de man en de omstandigheden van dit geval. Dat de vrouw uit een zeer vermogende familie komt - hetgeen de vrouw ter zitting overigens heeft gerelativeerd - betekent evenmin dat met voldoende zekerheid kan worden verwacht dat zij binnen de wettelijke termijn van 12 jaar op voor haar passende wijze in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De rechtbank betrekt hierbij nogmaals dat de vrouw ter zitting gemotiveerd heeft gesteld dat zij vanaf de scheiding niet meer heeft meegedeeld in het vermogen van haar ouders en dat zij ook geen schenkingen meer verwacht te ontvangen, gelet op de houding die haar vader daarover thans inneemt. Concrete aanwijzingen dat dit anders ligt, zijn er niet. Dat zij op termijn mogelijk geld zal erven, is evenmin een reden om de duur van de onderhoudsplicht te beperken.

2.6.17.

De rechtbank acht de stellingen van de man evenmin voldoende gemotiveerd om de conclusie te kunnen dragen dat de alimentatie op termijn op nihil moet worden gesteld. Zij verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor is overwogen en voegt daaraan nog toe dat partijen geruime tijd gehuwd zijn geweest, dat de vrouw vanaf 2000 niet heeft gewerkt en dat uit dit huwelijk twee kinderen zijn geboren. Van een situatie die zich laat vergelijken met de gevallen in de door de man aangehaalde jurisprudentie, is geen sprake.

Conclusie

2.6.18.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een partnerbijdrage van € 836,00 bruto per maand aan de vrouw moet betalen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.6.19.

Voor het geval er een partnerbijdrage wordt vastgesteld, heeft de man verzocht een door de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] vast te stellen. Aangezien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw wordt vastgesteld, zal dit verzoek worden afgewezen.

2.7.

Verdeling

2.7.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen, op de door haar voorgestelde wijze.

2.7.2.

Naar de rechtbank begrijpt, heeft de man verzocht de verdeling van de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen, onder uitsluiting van de geërfde zaken.

2.7.3.

Partijen hebben in oktober 2016 een vaststellingsovereenkomst (productie 27 van de man) ter zake van de (partiële) verdeling getekend Uit hoofde daarvan heeft de man inmiddels € 76.260,00 aan de vrouw voldaan.

2.7.4.

De echtelijke woning is inmiddels verkocht, maar moet nog geleverd worden. Partijen zijn het erover eens dat met de verkoopopbrengst van de echtelijke woning de hypothecaire leningen bij de bank en bij de ouders van de vrouw (inclusief achterstand) worden afgelost, waarna de netto verkoopopbrengst van de echtelijke woning en de opbrengst van de polis levensverzekering bij helfte tussen partijen wordt verdeeld. Hierover zal de rechtbank dus ook geen beslissing nemen.

Voor zover de man meent dat de vader van de vrouw gehouden is om hem zijn deel in de achterstand van de hypotheekbetalingen te schenken en heeft bedoeld in dat kader een verzoek te doen, kan dit verzoek niet in de onderhavige echtscheidingsprocedure behandeld worden. Hiervoor zal hij de vader van de vrouw in rechte moeten betrekken.

2.7.5.

Ter zitting heeft de man zijn verzoeken betreffende de teruggave van verduisterde zaken en de opheffing van de maritale beslagen ingetrokken, zodat deze geen bespreking meer behoeven.

2.7.6.

Dat er voor het overige nog zaken te verdelen zijn is gesteld noch gebleken.

2.8.

Overige

Als productie 30 heeft de man nog stukken betreffende door hem betaalde kosten ingediend, kennelijk vanuit de gedachte dat deze met de vrouw verrekend dienen te worden. Aan deze stukken heeft de man echter geen concreet verzoek gekoppeld, zodat reeds om die reden aan de stukken voorbij wordt gegaan.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , bij de vrouw is;

3.3.

bepaalt dat de man € 361,00 per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4.

bepaalt dat de man € 836,00 bruto per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. van Diepen op 12 juli 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..