Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6703

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
HAA 16_3628 en 17_1856
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gegrond beroep van een bewoner van Hoofddorp-Noord over schadevergoeding in verband met de wijziging van het bestemmingplan “Schiphol-West en omgeving” waardoor de aanleg van de Polderbaan op Schiphol mogelijk is gemaakt. De bewoner ondervindt hinder van het grondgeluid dat wordt veroorzaakt door vliegtuigen die starten op de Polderbaan. Hij stelt dat daardoor sprake is van waardevermindering van zijn woning. De rechtbank is van oordeel dat de Besliscommissie van het Schadeschap Schiphol onvoldoende heeft onderbouwd of en in welke mate er sprake is van waardevermindering als gevolg van hinder door grondgeluid, die voor vergoeding in aanmerking komt.

Wetsverwijzingen
Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol 1, geldigheid: 2015-06-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/3628 en HAA 17/1856

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 augustus 2017 in de zaken tussen,

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. C.C.J. Hartendorf),

en

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol, verweerder

(gemachtigden: mr. dr. B.J.P.G. Roozendaal en mr. dr. O.M. te Rijdt).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder, hierna: het Schadeschap, het verzoek van eiser om schadevergoeding op grond van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol (de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2016 (het bestreden besluit I) heeft het Schadeschap het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Schadeschap heeft een verweerschrift ingediend.

Bij afzonderlijk besluit van 20 maart 2017 (het bestreden besluit II) heeft het Schadeschap

geweigerd om eiser een aanvullende schadevergoeding toe te kennen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en het Schadeschap met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Het Schadeschap heeft ingestemd met het verzoek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2017. De beroepen zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met beroepen tegen andere besluiten van het Schadeschap. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die is vergezeld door mr. drs. A.J.A. Overwater en door ing. B.H. Willighagen van Alcedo B.V. (deskundige op het gebied van geluid). Het Schadeschap heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, die zijn vergezeld door ing. E. Goudriaan van LBP Sight (deskundige op het gebied van geluid).

Overwegingen

1. Eiser is woonachtig aan de [adres] nabij de Polderbaan. Eiser is eigenaar van de woning.

De Polderbaan is op 1 november 2003 in gebruik genomen en sindsdien ondervindt eiser hiervan (geluid)hinder, met name vanwege grondgeluid (laagfrequent geluid) veroorzaakt door startende vliegtuigen. In 2011 en 2013 zijn in het agrarisch gebied gelegen tussen Hoofddorp-Noord en de Polderbaan zogeheten ribbels (wigvormige heuvels) in het landschap aangelegd met het oogmerk de overlast van het grondgeluid dat wordt veroorzaakt door startende vliegtuigen op de Polderbaan, te verminderen. De eerste fase van deze ribbels is eind 2013 gereed gekomen. De tweede fase van de ribbels zou uiterlijk per 1 januari 2017 worden gerealiseerd, maar dat is niet gebeurd.

Het bestreden besluit I

2. Eiser heeft het Schadeschap op 7 mei 2004 verzocht om toekenning van een schadevergoeding. Eiser stelt schade te hebben geleden als gevolg van de ingebruikneming op 1 november 2003 van de Polderbaan. Met name van het grondgeluid dat wordt veroorzaakt door startende vliegtuigen ondervindt hij hinder.

3. Het Schadeschap heeft het verzoek van eiser afgewezen. Daarbij heeft het Schadeschap verwezen naar het algemene advies van de Adviescommissie Van Heijst (hierna: de Adviescommissie) van 3 april 2015 dat ziet op een grote groep bewoners van andere wijken in Hoofddorp-Noord die hebben verzocht om schadevergoeding vanwege het grondgeluid, alsmede naar het individuele advies van de Adviescommissie van 5 april 2016.

De Adviescommissie heeft in zijn individuele advies - dat uitsluitend ziet op het verzoek om schadevergoeding van eiser - aangegeven dat uitgangspunt voor het bepalen van de eventuele waardevermindering van de woning van eiser als gevolg van het grondgeluid, de ligging van de woning is ten opzichte van de zogenaamde Vercammen 3-10% (norm)curve (hierna: Vercammen-35), die aangeeft wanneer ten minste 3 tot 10% van de doorsneebevolking hinder van laagfrequent geluid ondervindt, alsmede de ligging van de woning in of buiten de zogenoemde eerstelijnsbebouwing van de betreffende wijk.

De Adviescommissie heeft verder verwezen naar de vaststelling in zijn algemene advies dat alleen in de wijken Vrijschot en Bleesland sprake is van overschrijding van Vercammen-35. Daarbij heeft de Adviescommissie zich gebaseerd op een rapportage van akoestisch adviesbureau LBP Sight B.V. (LBP Sight) van 2 maart 2015. De Adviescommissie heeft in aanmerking genomen dat de woning van eiser niet gelegen is in één van deze wijken. De ligging van de woning van eiser wijkt voorts zodanig af van de ligging van de woningen in (de eerste lijn in) Vrijschot en Bleesland dat niet aannemelijk is dat met het grondgeluid ter plaatse van de woning van eiser Vercammen-35 wordt overschreden, te minder nu de woning van eiser niet in een hoek van 45º ten opzichte van de Polderbaan is gelegen. Ook het feit dat tussen de woning van eiser en het beginpunt van de Polderbaan onder meer de provinciale weg N201 is gelegen alsmede het bedrijventerrein Hoofddorp-Noord, maakt dat de woning van eiser geen onderdeel uitmaakt van de eerstelijnsbebouwing. Het grondgeluid wordt afgeschermd door de tussen de woning en de Polderbaan gelegen omvangrijke bedrijfsbebouwing van het bedrijventerrein. De Adviescommissie komt op grond hiervan tot de conclusie dat geen sprake is van schade in de vorm van waardevermindering van de woning van eiser door grondgeluid afkomstig van de Polderbaan.

4.1.

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de Adviescommissie het rapport van LBP Sight niet aan haar advies ten grondslag heeft mogen leggen, omdat LBP Sight en Goudriaan onvoldoende onafhankelijk zijn ten opzichte van het Schadeschap. Eiser heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit informatie op de website van LBP Sight blijkt dat LBP Sight ook andere werkzaamheden verricht voor het Schadeschap en dat Goudriaan in 2008 is benoemd als geluidsdeskundige voor het Schadeschap.

4.2.

De rechtbank overweegt dat Goudriaan ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij niet in dienst is van het Schadeschap, maar van LBP Sight. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat het Schadeschap ook in andere zaken gebruik maakt van de diensten van LBP Sight en Goudriaan, op zich niet betekent dat LBP Sight of Goudriaan niet onafhankelijk zijn. Van andere omstandigheden die er op wijzen dat Goudriaan niet zonder vooringenomenheid heeft kunnen adviseren, is niet gebleken. Hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht leidt dan ook niet tot de conclusie dat het Schadeschap het advies van de Adviescommissie Van Heijst dat is gebaseerd op een rapportage van LBP Sight en Goudriaan, om deze reden niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

5.1

Eiser voert aan dat het Schadeschap ten onrechte heeft geconcludeerd dat omdat de ligging van de woning van eiser niet vergelijkbaar is met de ligging van de woningen in de wijken Vrijschot en Bleesland, Vercammen-35 niet wordt overschreden. Immers, niet staat vast dat enkel eerdergenoemde wijken hinder ondervinden van grondgeluid, aldus eiser. Het Schadeschap heeft gelet hierop ten onrechte nagelaten onderzoek te doen naar de (hinder als gevolg van) geluidsbelasting bij de woning van eiser. Volgens eiser is niet op voorhand uitgesloten dat bij zijn woning sprake is van een overschrijding van Vercammen-35.

Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de Adviescommissie ten onrechte Vercammen-35 als maatstaf heeft gebruikt om te bepalen of zich een dusdanige hinder als gevolg van grondgeluid voordoet dat moet worden geconcludeerd tot een waardedaling van de woning van eiser. Volgens eiser had moeten worden getoetst aan de zogeheten NSG-curve of, omdat ook in de avond en nacht van de Polderbaan gebruikt wordt gemaakt, van de zogenaamde Vercammen 25 dBa curve (hierna: Vercammen-25). Eiser verwijst daarvoor naar deskundigenrapportages van ing. B.H. Willighagen en ing. P.A. Sloven.

Eiser stelt zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt dat het advies van de Adviescommissie niet zorgvuldig is voorbereid. Het Schadeschap had het daarom niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

5.2.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van waardevermindering als gevolg van hinder door grondgeluid die voor vergoeding in aanmerking komt, heeft het Schadeschap zich gebaseerd op het advies van de Adviescommissie. Zoals eerder aangegeven heeft de Adviescommissie hierbij gebruik gemaakt van Vercammen-35. Deze curve is een methode om de te verwachten hinder door laagfrequent geluid tot uitdrukking te brengen. Het bepaalt de grenswaarden van toelaatbare geluidsniveaus waarbij 3 tot 10% van de doorsnee bevolking hinder ondervindt. De Adviescommissie heeft aangenomen dat een overschrijding van Vercammen-35 leidt tot een dusdanige mate van hinder van laagfrequent geluid dat sprake is van substantieel planologisch nadeel als gevolg waarvan tot een vermindering van de waarde van de woning kan worden geconcludeerd. Zoals hierboven reeds is vermeld acht de Adviescommissie het niet aannemelijk dat bij de woning van eiser sprake is van een overschrijding van deze curve.

5.3.

Zoals de rechtbank bij uitspraak van heden (zaaknummers 16/295 e.v.) eveneens heeft overwogen dient volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2396) een geobjectiveerde vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. Dat betekent dat in dit geval grondgeluid objectief dient te worden geduid om te kunnen worden vergeleken in de oude en nieuwe planologische situatie. Gelet hierop en omdat de ervaring van grondgeluid een subjectief element is, heeft de Adviescommissie er terecht voor gekozen het grondgeluid te objectiveren teneinde de waardedaling van de woningen te kunnen bepalen. De Adviescommissie heeft aangenomen dat de aanwezigheid van grondgeluid leidt tot een waardedaling van de woning als sprake is van (een bepaalde mate van) hinder door het grondgeluid. Dat standpunt acht de rechtbank niet onredelijk. Evenmin is onredelijk dat Vercammen-35 is gebruikt als maatstaf om te bepalen of sprake is van een dusdanige hinder dat geconcludeerd moet worden tot een waardedaling van de woningen, omdat bij een overschrijding van deze curve 3 tot 10% van de doorsnee bevolking het geluid als hinderlijk ervaart. De NSG-curve en Vercammen-25 zijn voor de bedoelde beoordeling onvoldoende bruikbaar, omdat deze curven de gemiddelde gehoorgrens volgen. Overschrijding van deze laatste twee curven leidt ertoe dat laagfrequent geluid weliswaar hoorbaar is, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat dit geluid ook als hinderlijk wordt ervaren. Niet gebleken is dat het daarbij uitmaakt of laagfrequent geluid in avond- of nachturen ervaren wordt. Bij overschrijding van Vercammen-35 wordt het grondgeluid door een niet heel geringe groep als hinderlijk ervaren. Daarmee is de omvang van deze hinder zodanig dat aannemelijk is dat overschrijding leidt tot een waardedaling van de woningen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ook overschrijding van de NSG-curve en Vercammen-25 leidt tot een waardedaling van de woning. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat verweerder niet in redelijkheid Vercammen-35 heeft kunnen hanteren als maatstaf .

5.4.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat het Schadeschap zijn conclusie dat bij de woning van eiser geen sprake is van overschrijding van Vercammen-35 onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat het algemeen advies van de Adviescommissie, alsmede het daarvan onderdeel uitmakende onderzoek van LBP Sight van 2 maart 2015, zich uitsluitend richt op de hinder door grondgeluid in de wijken Vrijschot, Bleesland en Houtwijkerveld. Nu de woning van eiser aan de [adres] buiten deze wijken is gelegen, kan het Schadeschap zich in zijn besluitvorming hier niet zonder nader onderzoek naar de specifieke situatie van eiser op baseren.

5.5.

Het individuele advies van de Adviescommissie geeft evenmin een afdoende onderbouwing voor de conclusie dat ter plaatse van de woning van eiser geen sprake is van overschrijding van Vercammen-35, nu de Adviescommissie zich ook hier in hoofdlijn baseert op de bevindingen in het algemeen advies.

Uit het enkele feit dat de woning van eiser niet in een hoek van 45º ten opzichte van de Polderbaan is gelegen, kan niet worden afgeleid dat geen sprake is van hinder door grondgeluid bij de woning van eiser. De woning van eiser is immers dichtbij de wijk Bleesland gelegen, waar is vastgesteld dat wel sprake is van hinder als gevolg van grondgeluid. Dat tussen de woning van eiser en de Polderbaan sprake is van bebouwing in de vorm van een bedrijventerrein kan mogelijk van invloed zijn op de mate van hinder door grondgeluid. De invloed van het bedrijventerrein en mogelijk ook de N201 op de afname van het grondgeluid is echter niet onderzocht. Daarvoor is aanleiding, omdat gebleken is dat zich ook achter de eerstelijnsbebouwing nog een overschrijding van Vercammen-35 kan voordoen. Vanwege het ontbreken van (meet)gegevens die toepasbaar zijn op de woning van eiser, staat onvoldoende vast dat bij zijn woning Vercammen-35 niet wordt overschreden. Voor de conclusie van de Adviescommissie dat bij de woning van eiser Vercammen-35 niet wordt overschreden, bestaat dus onvoldoende feitelijke grondslag. Het Schadeschap heeft dit advies in zoverre dan ook niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

5.6.

Het beroep tegen het bestreden besluit I is gegrond en dit besluit zal worden vernietigd.

Het bestreden besluit II

6.1.

Omdat de tweede fase van de ribbels niet per 1 januari 2017 was aangelegd, heeft eiser op 30 december 2016 een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend. Het Schadeschap heeft deze schadevergoeding - onder verwijzing naar de eerdere weigering om toekenning van schadevergoeding - geweigerd. Er is geen sprake van schade in de vorm van waardevermindering van de woning, zodat er evenmin reden is tot toekenning van een aanvullende schadevergoeding vanwege het niet aanleggen van de tweede fase van de ribbels, aldus het Schadeschap.

6.2.

Nu de rechtbank het bestreden besluit I, waarbij de afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding is gehandhaafd, vernietigt, kan ook de weigering om aanvullende schadevergoeding toe te kennen geen stand houden. De weigering om aanvullende schadevergoeding toe te kennen bouwt immers voorts op dat vernietigde besluit. Het bestreden besluit II dient derhalve eveneens te worden vernietigd.

Dwangsom niet tijdig beslissen

7.1.

Eiser voert aan dat het Schadeschap ten onrechte geen verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld wegens overschrijding van de beslistermijn in bezwaar. Het Schadeschap stelt zich op het standpunt dat geen dwangsom is verbeurd, omdat geen sprake is geweest van een ingebrekestelling.

7.2.

Bij brief van 8 februari 2016 heeft mr. Hartendorf “mede namens de Bewonersvereniging Vrijschot” het Schadeschap in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op diverse bezwaarschriften, waaronder het bezwaarschrift van eiser. Het is niet in geschil dat het Schadeschap in de zaak van de eiser niet binnen twee weken na deze brief een beslissing op zijn bezwaar heeft genomen. Bij brief van 23 maart 2016 heeft het Schadeschap mr. Hartendorf erop gewezen dat mr. A.J.A. Overwater door de bewonersvereniging gemachtigd is om haar in bezwaar te vertegenwoordigen en dat mr. Hartendorf door de bewonersvereniging is gemachtigd haar in de beroepsfase te vertegenwoordigen. Tevens heeft het Schadeschap mr. Hartendorf verzocht een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat zij gemachtigd is om degenen namens wie zij een ingebrekestelling heeft verstuurd, te vertegenwoordigen.

7.3.

Op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb was het Schadeschap bevoegd van mr. Hartendorf een machtiging te verlangen. De rechtbank is echter van oordeel dat het Schadeschap niet in redelijkheid van mr. Hartendorf heeft kunnen verlangen een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat zij gemachtigd was de ingebrekestelling van 8 februari 2016 te versturen. Er kon bij verweerder in redelijkheid geen twijfel bestaan aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van mr. Hartendorf. Daartoe is redengevend dat mr. Hartendorf aannemelijk heeft gemaakt dat medewerkers van het Schadeschap in de periode voor verzending van de ingebrekestelling al veelvuldig contact hadden met mr. Hartendorf, waarbij zij zonder meer als gemachtigde van de bewoners, waaronder eiser, werd geaccepteerd. Bovendien heeft mr. Overwater bij e-mail van 23 maart 2016 bevestigd dat de bewonersvereniging mr. Hartendorf heeft verzocht het Schadeschap namens deze bezwaarmakers in gebreke te stellen. Dat betekent dat er geen grond is om de brief van

8 februari 2016 niet als een rechtsgeldige ingebrekestelling aan te merken. De beroepsgrond slaagt.

7.4.

De rechtbank kan de verschuldigde dwangsom zelf vaststellen. Aangenomen wordt dat het Schadeschap de brief van 8 februari 2016 nog dezelfde dag heeft ontvangen. Omdat het Schadeschap in de zaak van eiser niet binnen twee weken na 9 februari 2016 heeft beslist, is het Schadeschap een dwangsom verschuldigd. Deze dwangsom dient te worden vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 4:17, tweede en derde lid, van de Awb. Daarbij geldt als eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is 23 februari 2016. De laatste dag waarover dwangsom is verschuldigd, is de dag waarop de beslissing op bezwaar is verzonden, te weten 28 juni 2016. Nu tot de verzending van de beslissing op bezwaar meer dan 42 dagen zijn verstreken, is het Schadeschap de maximaal ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb te verbeuren dwangsom van € 1.260,00 verschuldigd. De rechtbank zal het Schadeschap veroordelen tot betaling van de aldus berekende dwangsom.

7.5.

Eiser heeft tevens verzocht het Schadeschap te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de verschuldigde dwangsom. Dit verzoek komt voor toewijzing in aanmerking. Op grond van de artikelen 4:18, 4:87, eerste lid, en 4:100 van de Awb is het Schadeschap wettelijke rente verschuldigd over de verschuldigde dwangsom met ingang van acht weken na de laatste dag waarover de (maximale) dwangsom van 42 dagen is verschuldigd tot de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal het Schadeschap daartoe veroordelen.

Vergoeding kosten deskundige

8.1.

Eiser heeft verzocht de kosten te vergoeden van de door hem ingeschakelde deskundigen en rechtsbijstandsverleners. Omdat nog niet vast staat dat eiser schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt en het aan verweerder is om hiernaar alsnog nader onderzoek te doen, kan niet worden vastgesteld of de deskundigenkosten en kosten van rechtsbijstand in de primaire fase en in de bezwaarfase voor vergoeding in aanmerking komen. Het Schadeschap zal hierover bij het nieuw te nemen besluit een beslissing moeten nemen.

Redelijke termijn

9.1.

Eiser heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden ten aanzien van het bestreden besluit I..

9.2.

Omdat het primaire besluit is bekendgemaakt vóór 1 februari 2014 bedraagt de redelijke termijn voor bezwaar en beroep tezamen drie jaar. Eiser heeft in december 2012 bezwaar gemaakt. Vastgesteld kan dan ook worden dat op de datum van deze uitspraak meer dan drie jaar zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de rechtbank uitspraak doet binnen twee jaar na ontvangst van het beroepschrift, komt de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Schadeschap.

9.3.

De termijn is aangevangen op 10 december 2012, de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Schadeschap. De termijn eindigt op de dag van de uitspraak van de rechtbank. Van deze periode dient drie jaar te worden afgetrokken en vervolgens nog een periode van vijf maanden, omdat eiser heeft erkend dat een deel van de lange behandelingsduur in bezwaar is veroorzaakt door vertraging aan zijn kant. Daarmee is de redelijke termijn met bijna 15 maanden overschreden. Voor ieder half jaar of een deel daarvan bedraagt de schadevergoeding € 500,00. De rechtbank zal het Schadeschap daarom veroordelen tot betaling van € 1.500,00 aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

9.4.

Voor matiging van de hoogte van de schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Het is mogelijk dat eiser minder stress, ongemak en onzekerheid heeft ondervonden, omdat hij in bezwaar met anderen zijn opgetrokken. De rechtbank acht dat echter onvoldoende zwaarwegend om de schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn te matigen. Eiser heeft namelijk zelfstandig een aanvraag om schadevergoeding gedaan en heeft een individueel besluit ontvangen, waartegen hij deels op individuele gronden bezwaar heeft gemaakt. Eiser heeft daarop een individueel besluit op bezwaar ontvangen dat niet gelijkluidend is aan de besluiten van andere bezwaarmakers. Tegen dit besluit heeft eiser individueel beroep aangetekend. Dit alles maakt dat voor wat betreft de stress, ongemak en onzekerheid die eiser heeft ondervonden, doorslaggevende betekenis toekomt aan zijn positie als individu boven het gezamenlijke optreden met anderen tijdens de bezwaarschriftprocedure.

Conclusie

10.1.

De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten I en II. De rechtbank zal het Schadeschap opdragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag om aanvullende schadevergoeding en het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij verwijst de rechtbank ook naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van heden (zaaknummers 16/295 e.a.) betreffende samenhangende beroepen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien, nu het Schadeschap zich dient te beraden op de vaststelling van de waardevermindering van de woning van eiser en nieuw advies zal moeten inwinnen en onderzoek zal moeten laten uitvoeren. De rechtbank acht het voorts wenselijk dat partijen de gelegenheid krijgen hoger beroep in te stellen tegen het oordeel van de rechtbank, alvorens extra kosten worden gemaakt voor en tijd wordt besteed aan aanvullend onderzoek.

10.2.

Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Schadeschap aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Voor het rechtstreeks beroep tegen het bestreden besluit II is geen afzonderlijk griffierecht geheven.

10.3.

De rechtbank veroordeelt het Schadeschap in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Het beroep van eiser en de andere beroepen waarin zijn gemachtigde is opgetreden, zijn geen samenhangende zaken, omdat de werkzaamheden in de zaken niet nagenoeg identiek konden zijn.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten van 28 juni 2016 en 20 maart 2017;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag en het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

stelt vast dat het Schadeschap als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser aan eiser een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260,00 en veroordeelt het Schadeschap tot vergoeding aan eiser van wettelijke rente over de verbeurde dwangsom met ingang van 31 mei 2016 tot de dag van algehele voldoening;

wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en veroordeelt verweerder tot het betalen aan eiser van een schadevergoeding van € 1.500,00;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 990,00.

wijst het anders of meer gevorderde af

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter, en mr. M.P. de Valk en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.